In september 2004 is op Bonaire een referendum gehouden. Het betreft wezen-lijk een dekolonisatie-referendum, daar de opties waren o.a. staatkundige onaf-hankelijkheid van Nederland (het voor-malige koloniale moederland), of integratie in Nederland. Verwezen wordt naar de VN-dekolonisatie-resoluties (1514 – XV, 1541 – XV en 2625 XXV). Er waren meerdere opties en het referendum zelf verdient om verschillende redenen niet de schoonheidsprijs, maar uiteindelijk is een beslissing gevallen die door een flinke meerderheid van de bevolking gerespecteerd wordt. Het referendum was aangemeld bij de Verenigde Naties en – afgezien van een aantal kritische kanttekeningen – zijn door de VN geen overwegende bezwaren ingebracht tegen de uitslag. De VN heeft destijds een vertegenwoordiger gestuurd die de hele procedure heeft gemonitord van voorbereiding tot uitvoering. Er mag dus ook om deze reden vanuit worden gegaan dat de referendumuitslag gerespecteerd moet worden.

Korte tijd later zijn soortgelijke referenda gehouden op de eilanden Saba en St. Eustatius. Ook op de Nederlands-Antilliaanse eilanden Curaçao (in 2005) en St. Maarten (in 2000) zijn dergelijke staatkundige referenda gehouden, doch die worden in dit schrijven buiten beschouwing gelaten vanwege de eigen problematiek die aan die referenda en hun implicaties ten grondslag ligt.

De focus in dit schrijven is dus op de referenda gehouden op de eilanden Bonaire, Saba en St. Eustatius. De uitslagen van de referenda op deze 3 eilanden waren niet eenduidig. Bonaire heeft in 2004 gekozen voor integratie in Nederland. Saba heeft een keuze gemaakt die – zo begrijpen wij Sabaanse politici –  neerkomt op het handhaven van een associatieve band met Nederland (dus geen integratie, maar kennelijk wordt dit in de praktijk toch ook niet uitgesloten). St. Eustatius heeft gekozen voor handhaving van de status quo, d.w.z. handhaving van het huidige associatieve staatsverband bekend onder de naam ‘Nederlandse Antillen’. Zowel Bonaire als Saba hebben daarentegen gekozen voor uittreding uit en ontmanteling van de Nederlandse Antillen. Eind 2005 zijn alle Nederlands-Antilliaanse eilanden met Nederland overeengekomen dat - ondanks de wens van St. Eustatius -  de Nederlandse Antillen als publiekrechtelijke entiteit zal worden opgeheven

Erkend wordt dat de situatie verwarrend en ingewikkeld is, zeker voor een buitenstaander. Dit schrijven heeft dan ook niet tot doel u de hele situatie tot in detail uit te leggen. Dat zou teveel tekst vergen, terwijl dan ongetwijfeld nog vele kanttekeningen daartegen in te brengen zouden zijn. Ook wordt niet gesteld dat de introductie in deze brief voor een ieder bevredigend is. Kortom, in een confuse situatie zijn vele meningsverschillen mogelijk, in casu zelfs over de feiten die soms ook contradictoir zijn of lijken. M.a.w. de introductie pretendeert geen volledigheid en zuiverheid. Het is louter bedoeld als achtergrond voor de hieronder geformuleerde klacht tegen de Regering van Nederland, welke klacht zonder enige achtergrondinfo volstrekt onbegrijpelijk zou zijn.  

Na alle referenda zijn onderhandelingen begonnen tussen de Nederlandse regering en de bestuurders van de eilanden, alsook de regering van de Nederlandse Antillen die uiteraard in haar eigen ontmantelingproces
een centrale rol speelt. Nederland tracht daar-bij zoveel mogelijk rekening te houden met
de wensen van de eilanden, maar ontkomt er niet aan op sommige momenten en t.a.v. sommige punten sturend op te treden. Dit temeer daar de eilanden en de Nederlandse Antillen schulden hebben opgebouwd waarvoor Nederland uiteindelijk aansprake-lijk is. Nederland erkent die aansprakelijkheid ook, maar wenst tegelijkertijd maatregelen in te voeren ter voorkoming van herhaling. Men kan hierover verschillend denken, maar dit is niet de kern van deze klacht.

Ook spreekt het voor zich dat zo’n overgang als dit spanningen teweeg brengt, met name ook omdat kleine eilandgemeenschappen in sommige opzichten anders functioneren dan grotere meer anonieme gemeenschappen, zoals de landen van de EU (m.u.v. Malta). Dit wordt nog aangescherpt door de historie waarin Nederland als koloniaal moederland een niet in alle opzichten gunstige reputatie heeft verworven. Wij zouden deze laatste zin niet neerschrijven als de klacht daarmee geen verband hield. Het is bepaaldelijk niet de bedoeling om de vinger in de oude wond te steken. De eilanden moeten en willen samen met Nederland een nieuwe weg inslaan en dat zal ook gebeuren. Maar de eilanden hebben wel een klacht tegen Nederland en hebben geen toegang tot een objectief en onafhankelijk orgaan dat de klacht zou kun-nen behandelen en op zijn merites beoordelen. Theoretisch zou de dekolonisatiecommissie van de Verenigde Naties kunnen worden benaderd, maar die commissie heeft haar taak eigenlijk al volbracht. Bovendien heeft de VN in het algemeen geen tanden meer.

De enige internationale organisatie die effectief functioneert en met wiens mening en/of advies Nederland serieus rekening zou houden is de Europese Commissie. Uiteraard respecteert Nederland ook zowel het Europese Hof in Strasburg als het Hof in Luxemburg, maar er gaat een langdurige procedure aan vooraf voordat deze Gerechtshoven een klacht in behandeling kunnen nemen. In dit geval is snelle actie vereist. De Europese Commissie is dan de enige instantie die overblijft waarop met mogelijke kans op succes een beroep kan worden gedaan. Wij doen dat dus middels dit schrijven, met het eerbiedig verzoek de klacht te willen bestuderen en beoordelen. Het blijft dan in de toekomst altijd nog mogelijk om deze klacht en uw mening/advies daarover in een procedure bij een Europees Hof in te brengen, mocht zulks noodzakelijk blijken.

Ook is het geenszins onredelijk dat de Europese Commissie zich over deze klacht buigt, daar de inwoners van de eilanden Saba, St. Eustatius en Bonaire nu reeds de ‘gezamenlijke en enige’ (ondeelbare)Nederlandse nationaliteit’ bezitten en daar-mee volwaardige bewoners van de Europese Unie zijn. Dit wordt voor deze 3 eilanden nog versterkt door de referendumkeuze vóór integratie die zij gemaakt hebben (althans Bonaire heeft die keuze gemaakt, maar ook Saba en St. Eustatius hebben een nadere overeenkomst getekend, de zgn. ‘Slotverklaring’ - hierbij gaand -, waarin de contouren van een integratiemodel zijn aangegeven). De eilanden (in ieder geval Bonaire) hebben deze keuze bepaaldelijk ook gemaakt daar zij de bescherming, rechten en plichten van de Nederlandse Grondwet wensen deelachtig te worden. De eilanden zullen dan ook op grond van art. 134 van de Nederlandse Grondwet worden geconstitueerd als ‘openbare lichamen’, waarbij zoveel mogelijk het model van de Nederlandse gemeente zal worden gevolgd.

De klacht is nu dat Nederland tot nu toe geen duidelijkheid verschaft over het in art. 1 Nederlandse Grondwet verankerde ‘gelijkheidsbeginsel’, d.w.z. dat ieder Nederlands burger in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld (gevolgd door het discriminatieverbod). De Nederlandse Regering verzet zich ertegen volmondig te erkennen dat dit Grondwetartikel integraal van toepassing zal zijn voor de 3 eilanden die in Nederland zullen integreren. Ook na de laatste ronde van onderhandelingen in januari 2008, waarbij dit punt door de eilanden aan de orde is gesteld, heeft de Nederlandse Regering niet verder willen gaan dan de opmerking dat de 3 eilanden aanspraak maken op een ‘binnen Nederland aanvaardbaar voorzieningenniveau’ (zie kopie van de laatste ‘Besluitenlijst’, hierbij gaand).
 
Nederland erkent dus wel dat de eilanden zullen integreren (er staat immers ‘binnen Nederland’; dit blijkt ook uit de tekst van de Slotverklaring waarin staat dat de eilanden een ‘staatsrechtelijke positie binnen het Nederlandse staatsbestel’zullen krijgen; dus geen volkenrechtelijke positie). De eilanden – in ieder geval de medeondertekenaars van deze brief – zijn echter van mening dat deze integratie betekent dat de Nederlandse Grondwet integraal van toepassing zal worden op de 3 eilanden. En dat houdt in dat sprake zal moeten zijn van een ‘binnen Nederland gelijkwaardig voorzieningenniveau’, niet ‘aanvaardbaar’.

Het is duidelijk dat ‘aanvaardbaar’ alles kan betekenen en dat niet is aangegeven wie bepaalt wat ‘aanvaardbaar’ is. Bepaalt Nederland dat? Of hebben de eilanden nog een kans een onafhankelijke (dus niet-Nederlandse) instantie te benaderen die daarover een oordeel kan vellen aan de hand van hetgeen de wet (bijv. de Grondwet) voorschrijft? Het criterium ‘gelijkwaardig als bedoeld in art. 1 Grondwet’ is een door het Gerecht te beoordelen standaard. ‘Aanvaardbaar’ zonder enige wettelijke grondslag (en mogelijk in afwijking van de Grondwet?) is echter een criterium dat in ieder geval één ding doet, en wel de herintroductie van een aparte categorie Nederlandse burgers die de integrale bescherming van de Grondwet (inclusief het non-discriminatieverbod) zullen moeten ontberen.

Het criterium ‘aanvaardbaar’ is geen criterium. Het is wezenlijk de herintroductie van de oude koloniale tweedeling, t.w. enerzijds ‘Nederlanders’ en anderzijds ‘Nederlandse onderdanen, niet zijnde Nederlanders’. Dit was de Nederlands koloniale apartheidswetgeving van weleer, waar de huidige Nederlandse Regering – helaas! – tot nu toe (ondanks indringend verzoek) geen ondubbelzinnige afstand van heeft willen nemen. Dit is onaanvaardbaar. De eilanden kunnen niet integreren in Nederland, als de gelijkwaardigheid van de eilandbewoners niet wordt erkend. Nederland dient hier ook een beetje tegen zichzelf beschermd te worden, daar de ontkenning van het gelijkheidsbeginsel zich zal wreken. Het zou geweldig veel helpen als de Europese Commissie hier op zijn minst vragen over zou stellen aan Nederland. 

De bestuurders van de eilanden zitten in de tang. Alhoewel de onjuistheid van Nederlands standpunt wordt ingezien, is er geen instantie waartoe men zich kan richten voor hulp, anders dan – theoretisch – de Verenigde Naties. Als de eilandbestuurders het non-criterium ‘binnen Nederland aanvaardbaar niveau’ accepteren, dan doen ze de eigen bevolking tekort. Als ze ertegen protesteren, loopt men het risico dat de onderhandelingen stuk lopen. Nederland als sterkste partner dicteert hier dus. In het algemeen wordt niet beweerd dat Nederland misbruik maakt van haar sterke positie, maar op dit punt is er wel reden tot zorg. De eilanden willen er graag met Nederland uitkomen, maar op dit punt hebben zij de hulp van een objectieve derde nodig. Ook Nederland heeft die hulp nodig, omdat de wederinvoering van een aparte categorie Nederlanders gevolgen zal hebben die zelfs internationale repercussies kan krijgen.

De democratie is in ieder geval gebaseerd op twee pilaren, t.w. vrijheid en gelijkheid. Een democratie zonder integrale erkenning van gelijkheid voor al haar burgers (d.w.z. gelijke rechten, plichten en kansen, zoals art. 1 Nederlandse Grondwet voorschrijft) mist een fundamentele pilaar. Nederland moet deze fout niet maken en de Europese Commissie moet Nederland deze fout niet laten maken. De fout ligt echter op de loer en tot nu toe zijn de eilanden niet in staat geweest Nederland op andere gedachten te brengen.

Men begrijpe goed. De eilanden vragen niet meer en niet minder dan erkenning van het gelijkheidsbeginsel, zoals dat in art. 1 Grondwet is verwoord, inclusief hetgeen de jurisprudentie en literatuur daarover opmerken. Dit betekent dus ook ‘ongelijke behandeling in ongelijke gevallen, maar dan naar de mate van het verschil’. Er zijn al rechtvaardigingsgronden geformuleerd (zie Besluitenlijst) aan de hand van art. 299 EU-verdrag die afwijking van de Nederlandse wet rechtvaardigen als daarmee een legitiem doel wordt gediend dat proportioneel en doelmatig is. Dit is zuiver. Maar van de toepasselijkheid van art. 1 Grondwet zelf, wil Nederland tot op heden niet horen.

Het wordt nog erger, wanneer de achterliggen-de reden voor deze terughoudendheid wordt doorgrond. Die reden is politiek. De Nederlandse Antillen zijn op dit moment bepaald niet populair onder de Nederlandse bevolking. De 3 zgn. ‘kleine eilanden’ (Bonaire, Saba en St. Eustatius) worden daar nu ook op afgerekend. Het is om deze reden op dit moment politiek niet opportuun om de gelijkwaardigheid van de eilandbewoners te erkennen, met name omdat in Nederland van ultrarechtse zijde meedogenloze kritiek op de eilanden en hun bewoners wordt geleverd – gedeeltelijk terecht overigens. Deze kritiek gaat er bij de Nederlandse bevolking goed
in. De Nederlandse Regering probeert dus deze ultrarechtse groeperingen de wind uit de zeilen te nemen door niet duidelijk afstand te nemen van de herintroductie van een aparte categorie Nederlanders binnen eigen land (!), die maar genoegen moeten nemen met een minder niveau dat Nederland ‘aanvaardbaar’ acht.
 
Dit is echter niet acceptabel. De drie kleine eilanden Bonaire, Saba en St. Eustatius verzoeken u daarom om – desnoods bij wijze van uitzondering – hierover op zijn minst vragen te stellen aan de Nederlandse Regering. Dit gaat Europa ook aan, daar de integratie van de 3 eilanden in het land Nederland tot gevolg zal hebben dat het Europese grondgebied via Nederland wordt uitgebreid tot in de Caribische Zee. Let wel we spreken hier niet van het ‘Koninkrijk der Nederlanden’; de eilanden maken reeds nu – als deel van de Nederlandse Antillen – deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. Zij worden echter in de toekomst integraal deel van Nederland. De Europese waarden en normen – waartoe zeker ook gerekend wordt het gelijkheidsbeginsel – mogen niet om verkeerd begrepen politiek opportunisme in gevaar worden gebracht.

We spreken waarachtig niet over een voor Nederland onoverkomelijk economisch probleem. De eilanden zullen flinke financiële steun nodig hebben – dat is zeker –, maar het gaat hier om een bevolking van nog geen 20.000 zielen. Een welvarend land als Nederland moet geacht worden met gemak in staat te zijn de eilanden binnen redelijke tijd – zeg 5 jaar – op te trekken naar het Nederlandse niveau. Als deze periode te kort is, dan kan daarover gesproken worden, als maar de gelijkwaardigheid van de burger wordt erkend, inclusief de plicht om dit te verwezenlijken.

Tags:

Comments

  • Be the first to comment, please use the form below.

Post A Comment





0.3888 // 49