“Waarom heet jij Kruisbes’, vroeg WolBES?
“Omdat wij een Christelijke natie zijn. Wijzelf hebben jullie gekerstend, weet je nog? Mgr. Nieuwindt, Mgr. Verriet, Bis-schop Holterman en de rest”.
“Ja, ja. Ik weet dat heel goed. Alle mensen zijn gelijk voor God”, zei je, “terwijl je zwarte slaven uit Afrika importeerde en Indianen verjoeg”.
“Dat is verleden tijd. Ik heb jou niets aangedaan”.

“Dat is waar. Mij heb je niet geslagen”.

“Waarom chanteer je me dan steeds met mijn zwarte verleden?”  

“Het is het enige wapen dat ik heb. Te-rugslaan kon ik vroeger niet, dus houd ik je nu gevangen in je eigen web. Ik ben de spin, weet je nog?”

“Nanzi! Nu begrijp ik je!”

“Het werd tijd, mijn goede Kruisbes”.

“Maar daarom laat ik me niet langer chanteren!”

“OK, Kruisbes. Het is vergeven. Ik leg mijn wapen neer. Eén voorwaarde heb ik slechts: Erken mijn gelijkheid. We hebben toch hetzelfde CDA?

“DNA, bedoel je”.

“Nee, CDA! We zijn ook Christelijk, weet je nog?”

“Ja, ik heb je zelf gekerstend. Dat zei ik reeds”. 

“Juist, ja. Maar is gelijkheid dan onchristelijk?”

“Neen, zeker niet! We hebben Nelson Mandela uitbundig gehuldigd. En het staat ook in onze Grondwet. Artikel 1 zelfs, want gelijkheid is het allerbelangrijkst!”

“En gelijkheid betekent ‘gelijke kansen’ voor alle burgers, nietwaar?”

“Dat is zeer juist. Gelijkheid betekent niet ‘alles gelijk’, maar wel ‘gelijke kansen’, zoals je zegt”.

“Dus alle mensen in Kruisbes hebben gelijke kansen?”

“Zo is het, WolBES. Absoluut!!”

“En we hebben afgesproken dat ik voortaan burger van Kruisbes word?”

“Ja, dat hebben we afgesproken”.

“Dus dan krijg ik ook gelijke kansen?”

“Nee, WolBES, nu ga je toch te ver. Onze Grondwet zegt, dat allen in Kruisbes ge-lijk zijn. Kruisbes ligt in Europa. WolBES in de Cariben!”  

“Dus je zegt dat ik burger van Kruisbes word, maar toch weer niet?”

“Nee, nee, niet precies. Je wordt wel bur-ger van Kruisbes, maar we sluiten je op in het Statuut. Je weet, gevangenen hebben geen gelijke rechten als vrije burgers”. 

Maar dat is een ‘double cross’, Kruisbes! Waarom sluit je me op?”

“Omdat ik me niet meer laat chanteren! Dat zei ik reeds”.

“Maar ik heb je net gezegd dat ik mijn wapen neerleg. Ik chanteer je niet meer”. 

“OK, je hebt gelijk. Maar ik heb een probleem. Als jij gelijke kansen
krijgt, dan word je een magneet. Dan komen de hele Cariben op je af. Dat kan ik niet dragen”.

“Maar Kruisbes, je bent zelf toch ook een magneet! De hele wereld komt op je af en toch heb je dat altijd weten op te lossen. Help ons dan om het in de Cariben ook op te lossen”.

“OK, je hebt gelijk. Maar ik heb nog een probleem. Als jij gelijke kansen krijgt, dan ga je de boel ontwrichten. Dan word je rijker dan je broers. Die worden dan jaloers”.

“Maar Kruisbes, mijn broers erkennen jou ook niet als hun gelijke en zij hebben hun wapen niet neergelegd”.

“OK, nogmaals, je hebt gelijk. Maar je bent niet gelijk! Ik zal je de waarheid dan maar zeggen: ‘Je bent lui en wil alleen maar bijstand trekken!’”

“Wat nu, Kruisbes? Wonen er bij jullie dan geen mensen van puur Kruisbes-bloed en pure Kruisbes-afkomst, die lui zijn en bijstand trekken?”

“Ja, die zijn er ook. Maar dat is wat anders”.  

“Oh!? Wat is dan het verschil?”

“Je stelt teveel vragen WolBES. Je chanteert me!”

“Oh!? Waarmee dan? Ik vraag alleen maar erkenning van mijn gelijkheid als mens. Laat ik jou de waarheid dan maar eens zeggen: ‘Je hebt een superiori-teitscomplex! Mijn grote broer heeft me gewaarschuwd’”.

“Ach wat! Je grote broer heeft zelf een inferioriteitscomplex! Hem laat ik al jaren schelden. Mijn oren zitten potdicht”.

“OK, daarin heb jij weer gelijk. Maar mijn grote broer heeft in één opzicht wel gelijk. Zolang jij mijn gelijkheid niet erkent, heb ik een terecht verwijt tegen jou. Ik wil dat verwijt niet meer hebben. Ik heb mijn wapen neergelegd. Wat grote broer doet, moet hij weten. Hij luistert toch nooit naar mij en ligt altijd alleen maar dwars. Hij weet en kan alles altijd beter. Heeft ie misschien van jou geleerd”.

“Wat nu, WolBES? Beticht je me van arrogantie en bet-weterigheid?”

“Zolang je mijn gelijkheid niet er-kent, wel ja! We kunnen niet vergeven en verzoenen, zolang jij je superieur waant en mijn gelijkhied niet erkent. Een normale intermenselijke relatie is tussen meester en slaaf niet mogelijk.
Ook niet tussen een ex-slaaf en een ex-meester die wel zijn eigendoms-
recht verloren heeft, maar zijn ex-slaaf niet erkent als volwaardig medemens. Zoals jij nu doet”.

“Zie je? Je chanteert me weer!”

“Nee, jij chanteert mij! Jij wil eerst dat ik de wapens neerleg en dan wil je geen vrede”.

“Zie je dat echt zo?”

“Ja!”

“Had ik nooit gedacht”.

“Zie je, mijn grote broer legt zijn
wapen nog niet neer. Hij is gelukkiger in zijn rol van verontwaardigde ex-slaaf. Hij wil jullie nog een tijdje blijven uitschelden. Maar de vraag is of jij, Kruisbes, wel klaar bent voor een andere rol? Ik heb mijn wapen
neergelegd, maar je geeft geen sjoege. Je houdt afstand. Haal nou dat ene dat ons
scheidt weg. Daar hebben we toch
recht op? Staat dat niet in de Grondwet? Zijn we niet gelijk voor God?”

“Tja. Denk je echt dat daar de schoen wringt??
 
“Ja. Daar wringt ie. Wij weten alle twee dat gelijkheid niet meteen alle
pijn wegneemt. Maar dan is er geen reden tot verdeeldheid meer. Dan is er een begin. Zonder begin is er geen eind. Dus, kom aan. Geen apartheid meer tussen ons.
Gelijkheid!”

OK, WolBES. We liggen vèr van elkaar. Laat ons dan maar vèr zoenen!

Tags:

Comments

  • Be the first to comment, please use the form below.

Post A Comment





0.4496 // 49