Beschouwing over vrijheid
Download This Document (.pdf)
-
iemand zal het natuurlijke effect van communicerende vaten ontkennen, noch de marktwerking van schaarste en overvloed. Het probleem tussen mensen ontstaat pas wanneer er geen level-playing-field is, waardoor objectieve beoordeling het verliest van het gevoel van onrechtvaardigheid. Om te begrijpen, waarom zaken de waarde hebben die ze hebben is het nodig om de oorsprong van de beoordeling opnieuw te bezien.
Wij hebben ooit aan de onaantastbare en ondoorgrondelijke macht van een hoger wezen, wiens bestaan wij alleen maar kunnen aannemen, de bepaling van waarden toegekend. We verschuilen ons vandaag nog altijd achter zijn bepalingen, die wij als absoluut en wettig erkend hebben, om haren te splijten over het verschil tussen gelijk en gelijkwaardig, als het eigenlijk om de rechtmatigheid van ongelijkheid gaat. Wij erkennen de beperktheid van de levensmogelijkheid op onze aarde, maar volharden in de rechtmatigheid van onbeperkte bezitsaccumulatie en armoe. Zelfs van verspilling als het ons levensgenot vergroot.
Welk belang heeft vrijheid? Als vrijheid een essentiële voorwaarde voor ons bestaan is, heeft ze een absolute waarde en zou er dus geen menselijk bestaan mogelijk zijn zonder vrijheid.
Definitie
1. De soevereiniteit van de mens Hij is zijn eigen hoogste gezag. Zijn soevereiniteit is een al of niet effectief wezenskenmerk d.w.z. de operationele voorwaarden kunnen al of niet aanwezig zijn, maar de soevereiniteit is onvervreemdbaar.
Als lid van een samenleving -burger van een staat - erkent de mens het gezag van de leiding van de samenleving, door haar dit gezag toe te kennen.
2. De competentie van de mens De mens vormt met zijn medemensen een samenleving met een materieel doel (behoeftebevrediging) en een geestelijke optiek (ethiek).
- Enerzijds is zijn handelen gebaseerd op profijtelijkheid in zijn streven naar zelfhandhaving en -verrijking.
- Anderzijds heeft hij de verantwoordelijkheid voor rechtvaardigheid als de noodzakelijke voorwaarde tot veiligheid en vrede op ieder niveau.
-
3. De effectiviteit van de menselijke soevereiniteit en competentie De voorwaarde hiertoe is de verzekering van zijn veiligheid: om in vrijheid en gezondheid te leven. Zijn eigen hoogste gezag - zijn soevereiniteit - is slechts effectief in vrijheid en gezondheid.
Vrijheid en gezondheid zijn de wederzijds complementerende factor condities voor zowel de zin van zijn mens-zijn, als voor zijn zelfhandhaving.
Omdat je soeverein en competent bent, kun je doen wat je wilt, zolang het maar het goede is.
Praktijk
Als lid van zijn maatschappij, aanvaardt de staatsburger een sociaal contract dat hem de factor condities tot zelfhandhaving verzekert ten koste van zijn autonomie onder voorwaarde van de plicht tot rechtvaardigheid. De burger kan de factor condities (vrijheid en gezondheid) eenzijdig gebruiken. Door de eigen behoeftebevrediging na te streven, zonder de verantwoordelijkheid voor de handhaving van rechtvaardigheid te nemen, zou de burger zijn plicht aan zijn maatschappij verzaken.
De burgers die afstand gedaan hebben van hun autonomie en hun onvolkomenheid erkennen, benoemen de regenten van hun staat, die zij bekleden met het gezag om veiligheid en bescherming van de burgers te handhaven. De taak van de overheid is de zorg voor zowel retributieve, als distributieve gerechtigheid en beschikt daarmee over macht.
De burger verwijdert zich daarmee steeds verder van zijn waarde als mens, ten voordele van de waarde van zijn verworvenheden. De vrijheid van de burger wordt beperkt door zijn verantwoordelijkheid voor rechtvaardigheid uit handen te geven. Dit is een gedelegeerd gezag, dat bij misbruik kan leiden tot absolute autoriteit en dus de mogelijkheid van tirannie.
De overheid dient dan ook door de burgers gecontroleerd en zonodig gecorrigeerd te worden om te voorkomen dat haar taak verwordt tot de rechtvaardiging van de autoriteit van de regent. De regering dient een zodanige vorm te hebben, dat geen enkele burger een medeburger moet vrezen.
De burger staat weliswaar zijn autonomie af aan de staat (onder de afspraken en voorwaarden van de grondwet), maar behoudt zijn soevereiniteit. Een autoritaire regent (die de grondwet negeert) kan hem zijn vrijheid en gezondheid ontzeggen, waarmee de effectiviteit van zijn soevereiniteit ophoudt. Echter, de menselijke soevereiniteit is niet overdraagbaar. De burger behoudt levenslang zijn soevereiniteit en kan te allen tijde zijn autonomie
terugeisen en daarmee de autoriteit van de regent beëindigen. De voorwaarde tot het beëindigen van het gedelegeerde gezag is vastgelegd in het sociaal contract i.c. de grondwet.
Voor diegene aan wie zijn vrijheid is ontnomen kan vrijheid een doel op zich zijn. Voor de soevereine mens is vrijheid slechts een voorwaarde en een factor in zijn streven naar een zinvol leven en zelfhandhaving.
In wezen is vrijheid de mogelijkheid om uit te stijgen boven zelfhandhaving in de verantwoordelijkheid jegens het goede.
Onze wereld De mens is of vrij, of onvrij. Iedere aantasting van zijn effectieve soevereiniteit betekent onvrijheid. Of deze onvrijheid door menselijke willekeur wordt veroorzaakt of door ziekte is van geen belang. In een samenleving is iedere deelnemer even vrij als de andere. Er van uit gaand, dat alle deelnemers als mens gelijk zijn, dus alle mensen (even) vrij, dan zijn allen even verantwoordelijk voor de handhaving van elkaars vrijheid en gezondheid. Als vertegenwoordiger van haar maatschappij heeft een staat geen andere opdracht ten aanzien van andere staten, dan zich rechtvaardig te verhouden en daarmee de vrede te handhaven.
Het goede is rechtvaardig.
Competentie
In haar oorsprong is de politieke gemeenschap een natuurlijke belangengemeenschap, georganiseerd op basis van arbeidsdeling en ruilverkeer. In ons streven naar behoeftebevrediging erkennen wij concurrentie en verschillen in competentie-en streefniveau. De consequentie is sociale standen en economische verschillen.
Wij zijn bereid te besluiten tot beperking van onze onafhankelijkheid ten gunste van het wederzijds profijt die arbeidsdeling ons biedt. Daar eerlijk ruilverkeer onmogelijk is wanneer wij in eigendomsrelaties tot elkaar staan, of niet gezond zijn, moet onze soevereiniteit effectief zijn. Vrijheid en gezondheid zijn de factorcondities voor onze individuele soevereiniteit en competentie. Als dezen gedeeltelijk of geheel afwezig zijn schaden wij elkaar. We zouden door superieure competentie daartoe kunnen besluiten, maar daarmee ontzeggen we anderen hun effectieve soevereiniteit. Het zou onrechtvaardig zijn. In onze verantwoordelijkheid jegens het goede kunnen wij geen heerschappij en slavernij toestaan, noch daar zelf toe besluiten.
Zonder de bedreiging van aantasting van de effectieve menselijke soevereiniteit is vrijheid geen issue.
Verantwoording
Volgens Augustinus is het streven naar vrede de fundamentele drijfkracht van alle levende wezens, met rechtvaardigheid als de noodzakelijke voorwaarde. Montesquieu gaat ervan uit dat mensen altijd en noodzakelijk in gemeenschap leven en dus gebonden zijn door sociale wetten. Voor hem is vrijheid de afwezigheid van angst voor medeburgers die met macht zijn bekleed. De voorwaarden van vrijheid bepaalt hij in termen van machtsbeperking. Rawls stelt dat principes die het samenleven van individuen eerlijk regelen, rekening moeten houden met de gevolgen van de individuele vrije keuzen. Voor Levinas bestaat het hoogste werk van de vrijheid in het veiligstellen van de vrijheid. De enige manier om dit te doen is de ‘opbouw van een wereld waarin de beproevingen van de tirannie haar bespaard zullen blijven'.
Conclusie
Vrijheid is de voorwaarde om in vrede en dus onbevreesd samen te kunnen leven. (Alleen waar recht en macht met elkaar samenvallen, komt vrede tot stand, Jesaja 32,17,...!)
Verantwoordelijkheid
De mens is vrij om te handelen naar eigen inzichten. Maar, moet zich deze inzichten ook kunnen vormen. Daartoe is opvoeding en educatie vereist, die de samenleving waarin hij geboren is, hem verschaft. Het is onwaarschijnlijk dat hij zich deze inzichten zou kunnen vormen buiten de geborgenheid en zorg van zijn samenleving.
De mens is geen los kanon
Overweging
Ieder mens wordt door een wil tot zelfbehoud (de conatus essendi van Spinoza) beheerst en is een bundel behoeftigheden waardoor het de andere mensen naar zich toehaalt. Deze geïnteresseerdheid maakt de mensen, tegelijk afhankelijk en weerstandelijk ten opzichte van elkaar. Levinas stelt dat de zin van het mens-zijn het uitstijgen boven de zelfhandhaving in de verantwoordelijkheid jegens het goede is.
Conclusie
Gemeenschapszin is eigenbelang.
Vrijheid bestaat altijd voor ieder menselijk wezen. Vrijheid is een factorconditie (d.i. de basis input die nodig is om effect te sorteren; hoe groter de factor hoe effectiever de conditie) voor zijn soevereiniteit. Als soevereine mens, kan hij niet zonder vrijheid. Ze is weliswaar een factorconditie, echter niet a-priori effectief. De effectiviteit moet mogelijk gemaakt worden. Vrijheid moet zich kunnen ontwikkelen. Ieder mens wordt geboren in een samenleving en heeft zijn eigen erfdeel. Hij moet opgevoed worden om zijn samenleving te kennen. Hij moet het kader van zijn erfdeel ontdekken en haar waarde beoordelen. Dat kan alleen maar door communicatie, waardoor de normen die het kader in stand houden duidelijk worden. "Dit mag, dat mag niet", wordt opgelegd door de opvoeder als vertegenwoordiger van de samenleving met eigen gebruiken en gewoonten. Iedere mens is zich zelf en reageert op zijn erfdeel met een unieke eigenwaarde (amour-propre) die waakt over zijn identiteit. Tegelijkertijd is zijn eigenwaarde de stuwende kracht van zijn handhaving. Ze is zijn intrinsieke neiging tot het doen van het juiste, i.c. het goede. De opvoeder zou fout kunnen opvoeden, maar het resultaat zal weerstand ontmoeten. Opvoeden is niet anders dan het begeleiden van de ontwikkeling van de eigenwaarde. Ze zorgt ervoor, dat de mens in aanvang de normen van zijn samenleving leert kennen en respecteren. De juiste opvoeding toont de noodzaak en tevens aantrekkelijkheid van harmonie tussen eigenwaarde en samenleving. Het maakt hem mogelijk de geestelijke capaciteit, aan te spreken, die hij nodig heeft om ontvankelijk te kunnen zijn voor de informatie die hij nodig heeft. Het is zijn competentie om zowel te kunnen begrijpen als te kunnen gebruiken.
Zijn waardeoordeel wordt in eerste instantie gegeven door zijn eigenwaarde en uiteindelijk gedaan door de bevrediging die het resultaat biedt. Het is pas wanneer de mens na de opvoedingsfase de fase van zijn geestelijke ontwikkeling doormaakt, dat hij leert oordelen over de waarde van de geestelijke en materiele goederen die dienen tot zijn behoeftebevrediging. De geestelijke ontwikkeling leidt tot een competentie, die zijn rede is. Deze competentie biedt hem de mogelijkheid tot waarderen. Ze stelt hem in staat het onderscheid tussen goed en kwaad te maken en dus verantwoordelijkheid voor zijn handelen te dragen. In zijn mogelijkheid tot oordelen, bevestigt de mens zijn soevereiniteit. Zijn eigen waarde. Als soeverein wezen kan ieder volwassen mens autonoom beslissen, van welke samenleving, c.q. staat, hij deel uit wenst te maken. Hij is zijn eigen hoogste gezag en is in vrijheid en gezondheid volledig verantwoordelijk voor zijn daden. Hij bepaalt dan ook aan wie hij leiderschapsgezag verleent. Dit leiderschapsgezag blijft altijd onderworpen aan het eigen hoogste gezag. Daar in een samenleving ieder lid zijn eigen hoogste gezag is, is alleen de democratische organisatievorm gefundeerd op de menselijke redelijkheid, mogelijk.
Bij onvoorwaardelijke onderwerping aan een ander, verliest de mens zijn waarde. Hij is niet langer vrij.
- Bij vrijwillige onderwerping zadelt de onderworpene de ander met zijn handelings- en zelfs bestaansverantwoordelijkheid op. Dit kan dus nooit een blijk van liefde zijn.
- Bij onvrijwillige onderwerping schendt de onderwerper de soevereiniteit van de ander. Het is niet vanzelfsprekend, dat hij daarmee de handelings- en bestaansverantwoordelijkheid van de ander aanvaardt.
- Bij onbewuste onderwerping, zoals die van een kind aan een ouder, draagt de ouder volledige verantwoordelijkheid voor het bestaan van het kind. Hierbij is van geen belang of het kind door die bepaalde ouder is voortgebracht, of door een andere. Op generlei wijze kan een ouder, een volwassene, grenzen stellen aan zijn verantwoordelijkheid tot een kind. N.B.: Verantwoordelijk zijn betekent niet noodzakelijkerwijs de benodigde competentie hebben.
De onderworpene is afhankelijk van de competentie van de ander om te leren, dat hij moet streven naar onafhankelijkheid. Het gezegde dat ex-slaven slechte meesters zouden zijn indiceert, dat het verkrijgen van onafhankelijkheid inderdaad niet noodzakelijkerwijs de competentie om verantwoordelijkheid te dragen inhoudt.
Om van jou te kunnen houden, moet ik eerst van mijzelf houden.
Opvoeding en opleiding zijn als de as en de velg van een wiel. De spaken zijn de onverbrekelijke communicatie tussen de normen, geleerd in de opvoeding en de waarden ontwikkeld in de opleiding. Als het wiel gereed is kan het kind zijn eigen bepaalde waarden toetsen aan de zich eigen gemaakte normen en beslissen waarheen ermee. Hij is dan volwassen en zijn samenleving, die hij alles verdankt, verwacht weliswaar, van hem zijn bijdrage voor haar voortbestaan.
Echter, hij is vrij. Vrij om bij te dragen aan het belang van zijn gemeenschap, waarvan hij zelf de grenzen bepaalt.
We bouwen aan ons wiel waarmee we de wereld rond kunnen gaan.
De opvoeding en de opleiding die het kind krijgt zijn erop gericht om t.z.t. een zo groot mogelijke contributie aan zijn samenleving te leveren. De grootst mogelijke contributie wordt bepaald door de hoogst mogelijke opleiding volgens zijn capaciteit. De volwassen mens weet wat er van hem verwacht wordt en is vrij om te beslissen hoe hij daaraan zal voldoen. Zijn beslissing is een vrije daad. Hij heeft geleerd waarde oordelen te vormen en kent dus het verschil tussen goed en kwaad. Zijn eigenwaarde eist dan ook de volledige eer op voor zijn daad.
We begrijpen wat we doen en daarom kunnen we vrij zijn.
Stelling
Hoe intensiever de opvoeding, hoe beter de bepaling van de optimale opleiding en hoe groter daarna de potentiële contributie aan de samenleving.
Daar de mens ook gedreven wordt door zijn drang naar een zo groot mogelijke behoeftebevrediging, is het zeer wel mogelijk dat hij hierbij gehinderd wordt door zijn beoordeling van goed en kwaad. De normen van de samenleving uitgedrukt in rechtsregels, bieden hem dan de nodige referenties. Als hij volledig vrij is, heeft hij deze rechtsregels niet nodig. De voorwaarde is echter de overheersing van zijn eigenwaarde over zijn behoeften en driften.
Ik wil, ik kan en ik behoor.
Moraliteit is geen categorische imperatief, tenzij we deze beschouwen als begrensd door het kader van een bepaalde samenleving. In iedere samenleving gelden de normen van de eigen cultuur categorisch. De gebruiken en gewoonten dringen de leden van hun samenleving normen op, die eventueel door hun eigenwaarde als waardevol aanvaard zullen worden. Ieder mens is een individu en vrij om waarden te bepalen en te relativeren. Slecht en goed, beter en best. Hij is daar niet altijd toe instaat. Het is mogelijk, dat hij de benodigde competentie ontbeert. Soms is hij nog te jong, soms is de opleiding hem onthouden, soms beschikt hij niet over de vereiste gezondheid.
In alle gevallen is zijn samenleving - zijn cultuur - zijn voorbeeld en zijn controleur. Zijn aandacht voor de mogelijkheden, die zijn vrijheid hem biedt, wordt beloond. Dat de waarde van culturen bij groeiende ontwikkeling van kennis en rede onder druk staat, wijst overigens op haar betrekkelijkheid. De regel- en wetgeving corrigeert c.q. straft hem waar nodig. Deze retributie kan alleen ten goede. Vermits de mens vrij is, wordt een foute correctie door de eigenwaarde afgewezen.
Als ik vrij ben, doe ik goed omdat ik niet anders kan.