Besluitenlijst Consensus-Rijkswet Curaçao, St. Maarten en BES
Download This Document (.pdf)
-
Bijlage A bij het besluit van de politieke stuurgroep van 16 februari 2008
Regeling van de inrichting en het beheer van de openbare ministeries van Curaçao , Sint Maarten en van Bonaire, Saba en Sint Eustatius (Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Saba en Sint Eustatius).VOORSTEL VAN RIJKSWET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten binnen het Koninkrijk willen samenwerken door de inrichting, organisatie en het beheer van de openbare ministeries van Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Saba en Sint Eustatius en de onderlinge samenwerking tussen deze openbare ministeries te regelen in een rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk en dat de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van Curaçao en Sint Maarten instemmen met de inhoud van deze regeling.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:Hoofdstuk 1 De openbare ministeries van Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Titel 1 Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. algemene maatregel van rijksbestuur: algemene maatregel van rijksbestuur in de zin van artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk;
b. landen: Curaçao, Sint Maarten of Nederland voor zover het betreft Bonaire, Saba en Sint Eustatius;
c. Hof: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao, Aruba, Sint Maarten, en van Bonaire, Saba en Sint Eustatius;
d. Onze Ministers: Onze Minister van Justitie van Curaçao, van Sint Maarten en van Nederland;
e. Onze Minister: Onze Minister van Justitie van Nederland in zijn hoedanigheid van lid van de raad van ministers van het Koninkrijk.
Titel 2 Inrichting, enige taken en bevoegdheden
Afdeling 1 De inrichting
§1 Algemene bepalingenArtikel 2
1. De openbare ministeries van elk van de landen bestaan uit:
a. het parket van de procureur-generaal en
b. het parket in eerste aanleg.
2. Aan het hoofd van de openbare ministeries van de landen staat een gezamenlijke procureur-generaal.
§ 2 Het parket van de procureur-generaal
Artikel 3
Het parket van de procureur-generaal is gevestigd in Curaçao. De procureur-generaal houdt in elk land kantoor.
Artikel 3b
1. De procureur-generaal staat aan het hoofd van het parket van de procureur-generaal.
2. Bij het parket van de procureur-generaal zijn naast de procureur-generaal een of meer andere leden van het openbaar ministerie werkzaam, waaronder in elk geval een advocaat-generaal .
3. Bij het parket van de procureur-generaal kunnen andere ambtenaren werkzaam zijn, die geen lid zijn van het openbaar ministerie.Artikel 4
1. Het openbaar ministerie bij het Hof wordt ten behoeve van de landen uitgeoefend door of namens de procureur-generaal.
2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de procureur-generaal vervangen door de advocaat-generaal. Bij verhindering of afwezigheid van de advocaat-generaal kan de procureur-generaal zich doen vervangen door de hoofdofficier van justitie of diens plaatsvervanger, die dan als waarnemend procureur-generaal optreedt.
3. In geval van ontstentenis van de procureur-generaal voor langere duur wordt bij koninklijk besluit in de vervanging voorzien. De voordracht voor benoeming van de vervanger geschiedt op voorstel van Onze Ministers.
4. De procureur-generaal kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.
Artikel 4b
1. De procureur-generaal is bevoegd tot het instellen en intrekken van hoger beroep van strafzaken die door een Gerecht in eerste aanleg zijn berecht
2. De procureur-generaal is belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten waarvan de berechting in eerste aanleg aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is opgedragen.
3. De procureur-generaal kan voorts andere, hem bij landsverordening of wet opgedragen taken vervullen.
§ 3 Het parket in eerste aanleg
Artikel 5
1. Aan het hoofd van het openbaar ministerie bij het Gerecht in eerste aanleg van elk land staat een hoofdofficier van justitie, die als hoofd van dat parket in eerste aanleg wordt benoemd. De hoofdofficieren van justitie zijn in hun ambtsbetrekking ondergeschikt aan de procureur-generaal.
2. Bij de parketten in eerste aanleg kunnen naast de hoofdofficier van justitie officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende officieren van justitie en andere ambtenaren werkzaam zijn. De hoofdofficier van justitie, de officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende officieren van justitie zijn in de uitoefening van hun functie allen op gelijke wijze lid van het openbaar ministerie.
3. De officieren van justitie, de substituut-officieren van justitie en de plaatsvervangende officieren van justitie zijn in hun ambtsbetrekking ondergeschikt aan het hoofd van het parket, waarbij zij zijn geplaatst. De hoofdofficier kan de bij zijn parket werkzame leden van het openbaar ministerie algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket.
4. Bij verhindering of afwezigheid van de hoofdofficier van justitie wordt zijn functie waargenomen door een ander lid van het desbetreffende parket.
5. De inrichting en organisatie van het parket in eerste aanleg worden overigens bij landsverordening of wet geregeld.Artikel 6
Officieren van justitie zijn bevoegd en inzetbaar in elk van de landen. Onze Ministers kunnen hierover nadere afspraken maken.
Afdeling 2 Enige taken en bevoegdheden
Artikel 7
1. De openbare ministeries van de landen zijn belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij landsverordening of wet vastgestelde taken.
2. De openbare ministeries zijn in het bijzonder belast met:
a. de handhaving van de wettelijke regelingen;
b. de vervolging van strafbare feiten;
c. het doen uitvoeren van vonnissen en beschikkingen in strafzaken;
d. het toezicht op de naleving van de rechterlijke beslissingen in tuchtzaken.Artikel 8
De taken en bevoegdheden van de openbare ministeries van de landen worden, op de wijze bij of krachtens landsverordening of wet bepaald, uitgeoefend door de leden van het openbaar ministerie.
Artikel 9
1. De procureur-generaal is hoofd van het openbaar ministerie van elk land en is belast met de zorg voor de justitiële politie. Hij is bevoegd aan de ambtenaren die met de politie belast zijn zodanige instructies te geven tot voorkoming, opsporing, en nasporing van misdrijven of overtredingen als hij in het belang van een goede justitie nodig oordeelt.
2. De procureur-generaal waakt voor de richtige uitoefening van de taak van de politie. Hij is bevoegd daarover aan Onze Ministers de voorstellen te doen die hem dienstig voorkomen. PM in mvt aangeven dat bijzondere opsporingsdiensten hier onder het begrip politie vallen; preciseren dat veiligheidsdiensten hier in elk geval niet onder vallen)Artikel 10
1. Wanneer het aan het Hof voorkomt dat de vervolging van een strafbaar feit in een van de landen behoort te worden ingesteld of voortgezet, is de procureur-generaal verplicht te voldoen aan een bevel van het Hof om de gevraagde informatie te verstrekken.
2. De procureur-generaal is, behoudens de bepalingen van de wetboeken van strafvordering van de landen, verplicht om op bevel van het Hof te vervolgen of te doen vervolgen.
Artikel 11
1. Onze Ministers van Justitie kunnen de procureur-generaal algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid of tweede lid wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven.
3. Slechts indien de aanwijzing in verband met de vereiste spoed niet schriftelijk kan worden gegeven, kan zij mondeling worden gegeven. In dat geval wordt zij zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen een dag op schrift gesteld.
4. De procureur-generaal kan een bijzondere aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid binnen een week nadat zij is gegeven voorleggen aan het Hof ter toetsing aan het recht. Het voorleggen van de aanwijzing aan het Hof schorst de aanwijzing, tenzij Onze betrokken Minister van Justitie oordeelt dat uitvoering van de aanwijzing geen uitstel duldt. Indien Onze betrokken Minister dat oordeel is toegedaan deelt hij dat gemotiveerd mee aan de procureur-generaal die dan de aanwijzing met de meeste spoed uitvoert.
5. Tegen de beslissing van het Hof staat voor zowel de procureur-generaal als Onze betrokken Minister van Justitie beroep open op de Hoge Raad der Nederlanden.
6. Indien het Hof dan wel de Hoge Raad van oordeel is dat de aanwijzing in strijd is met het recht, vervalt de aanwijzing.
Artikel 12
1. In het kader van artikel 43, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden kan Onze Minister[1], namens de raad van ministers van het Koninkrijk, algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de procureur-generaal met het oog op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
2. Onze Minister kan uitsluitend gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, indien dit noodzakelijk is om de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden te waarborgen.
3. Onze Minister voert voordat hij een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft, overleg met de regering van het desbetreffende land, tenzij de vereiste spoed daaraan in de weg staat. In dat geval informeert hij de betrokken regering zo spoedig mogelijk over de aanwijzing.
4. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven, tenzij dat in verband met de vereiste spoed niet mogelijk is. In dat geval wordt zij zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen een dag op schrift gesteld.
5. De procureur-generaal kan een bijzondere aanwijzing als bedoeld in het eerste lid binnen een week nadat zij is gegeven voorleggen aan het Hof ter toetsing aan het recht. Het voorleggen van de aanwijzing aan het Hof schorst de aanwijzing, tenzij Onze Minister van oordeel is dat uitvoering van de aanwijzing geen uitstel duldt. Indien Onze Minister dat oordeel is toegedaan deelt hij dat gemotiveerd mee aan de procureur-generaal die dan de aanwijzing met de meeste spoed uitvoert.
6. Tegen de beslissing van het Hof staat voor zowel de procureur-generaal als Onze betrokken Minister beroep open op de Hoge Raad der Nederlanden.
7. Indien het Hof dan wel de Hoge Raad van oordeel is dat de aanwijzing in strijd is met het recht, vervalt de aanwijzing.
8. Onze Minister informeert de raad van ministers van het Koninkrijk zo spoedig mogelijk over een door hem gegeven aanwijzing.
9. De raad van ministers van het Koninkrijk beslist binnen zestig dagen nadat de aanwijzing is gegeven over handhaving van de aanwijzing.
10. Indien de raad van ministers van het Koninkrijk beslist tot handhaving van een algemene aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, dan wordt de aanwijzing opgenomen in een algemene maatregel van rijksbestuur.
Toelichting bij het vijfde lid artikelen 11 en 12:
Indien de procureur-generaal van oordeel is dat de aanwijzing in strijd is met het recht kan hij de aanwijzing ter toetsing voorleggen aan de rechter. Thans heeft de procureur-generaal van de Nederlandse Antillen deze bevoegdheid eveneens (Beschikking GHvJNAA, 8 mei 1996) Een beroep op de rechter schorst de aanwijzing. Dat betekent dat indien de procureur-generaal gebruik maakt van de bevoegdheid het oordeel van de rechter te vragen over de aanwijzing, hij dat oordeel kan afwachten en de aanwijzing niet hoeft uit te voeren. Pas als de rechter in een omstreden geval heeft vastgesteld dat de aanwijzing rechtmatig is, wordt daaraan uitvoering gegeven.Artikel 14
De openbare ministeries van de landen en van Nederland zijn onderling verplicht gevolg te geven aan verzoeken om rechtshulp. Onze Ministers kunnen hierover nadere afspraken maken.
Artikel 15
1. Het openbaar ministerie van elk van de landen is verplicht bericht en advies te geven, wanneer dit door de Gouverneur of de Minister van Justitie van het betrokken land wordt gevraagd. Een verzoek om informatie wordt gedaan aan de procureur-generaal.
2. De leden van het openbaar ministerie verstrekken de procureur-generaal de inlichtingen die hij nodig heeft.
3. Wanneer de zaak waaromtrent bericht en advies is gevraagd, aan een rechterlijke beslissing is onderworpen of te voorzien is dat dit zal geschieden, is het geven van eenvoudig bericht voldoende.Titel 3 Benoeming, schorsing en ontslag
Artikel 16
1. De procureur-generaal en de advocaat-generaal worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit. De voordracht voor benoeming geschiedt op voorstel van Onze Ministers. .
2. Wanneer de plaats van procureur-generaal of advocaat-generaal openvalt, nodigen Onze Ministers het Hof en de procureur-generaal uit gezamenlijk een aanbeveling voor benoeming te doen. De aanbeveling bevat de namen van ten hoogste drie kandidaten.
3. De voordracht voor benoeming wordt gedaan op voorstel van onze Ministers. Daarbij nemen zij de aanbeveling zoveel mogelijk in acht.
4. Indien Onze Ministers voornemens zijn af te wijken van de aanbeveling, winnen zij daaromtrent het gevoelen van het Hof en de procureur-generaal in. Het gevoelen van het Hof en de procureur-generaal en de aanbeveling van het Hof worden bij de door Onze Ministers opgemaakte aanbeveling gevoegd. Zij motiveren waarom zij zijn afgeweken van de aanbeveling.
5. De overige leden van het openbaar ministerie werkzaam bij het parket van de procureur-generaal worden benoemd, geschorst en ontslagen op een daartoe strekkende aanbeveling van de procureur-generaal.
Artikel 17
1. De hoofdofficier van justitie wordt benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit. De voordracht geschiedt op voorstel van Onze Minister van Justitie van het desbetreffende land.
2. Wanneer een plaats van hoofdofficier van justitie openvalt zendt de procureur-generaal, gehoord het Hof, een schriftelijke aanbeveling bevattende de namen van ten hoogste drie kandidaten aan Onze Minister van Justitie van het desbetreffende land.
3. De overige leden van het openbaar ministerie werkzaam bij het parket in eerste aanleg worden benoemd, geschorst en ontslagen bij landsbesluit van het desbetreffende land, op een daartoe strekkende aanbeveling van de procureur-generaal.
4. Bij of krachtens landsverordening of wet kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de benoemingsprocedure van de overige leden van het openbaar ministerie werkzaam bij de parketten in eerste aanleg.Artikel 18
1. Tot lid van het openbaar ministerie kan worden benoemd degene:
a. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op het gebied van het recht door een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, de graad van Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is verleend;
b. aan wie op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een bij algemene maatregel van rijksbestuur aan te wijzen universiteit, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen
2. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kunnen graden verleend door een universiteit of een hogeschool of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onder a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.
3. De leden van het openbaar ministerie moeten Nederlander zijn.
4. De leden van het openbaar ministerie kunnen niet zijn:
a. Gouverneur;
b. minister of staatssecretaris;
c. commissaris der Koningin of gedeputeerde;
d. lid van de vertegenwoordigende lichamen van Curaçao of van Sint Maarten of lid van de eilandsraad van Bonaire, Saba of Sint Eustatius;
e. Gezaghebber of eilandsgedeputeerde van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
f. burgemeester of wethouder;
g. lid van de Beheerraad;
h. lid van de Raad van Advies van Curaçao of Sint Maarten;
i. lid van de Raad van State van het Koninkrijk;
j. lid van de Algemene Rekenkamer van één van de landen;
k. nationale of eilandelijke ombudsman of substituut-ombudsman;
l. advocaat of notaris dan wel anderszins beroepsmatige rechtshulpverlener;
m. ambtenaar bij een ministerie of een eiland, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven.
Artikel 19
1. De leden van het openbaar ministerie leggen voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals vastgesteld in de bijlage bij deze rijkswet.
2. De leden van het openbaar ministerie leggen de eed af ten overstaan van de Gouverneur van Curaçao, Sint Maarten of de Gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of ten overstaan van een door de Gouverneur of Gezaghebber aangewezen ambtenaar.
Artikel 20
1. Een lid van het openbaar ministerie kan worden ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt;
c. indien hij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is om zijn functie te vervullen;
d. bij het verlies van het Nederlanderschap.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ontslag eervol verleend.
Artikel 21
Een lid van het openbaar ministerie kan voorts worden ontslagen:
a. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
b. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
c. wegens handelen of nalaten, dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij het openbaar ministerie of aan het in hem te stellen vertrouwen;
d. wanneer hij een ambt of betrekking aanvaardt bedoeld in artikel 18, vierde lid;
e. bij gebleken ongeschiktheid voor de functie, anders dan wegens ziekte.
Artikel 22
1. Een lid van het openbaar ministerie wordt geschorst wanneer:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, hij surséance van betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld.
2. Een lid van het openbaar ministerie kan worden geschorst wanneer:
a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld;
b. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op grond van artikel 20, eerste lid, onder a en c, zou kunnen leiden.
3. De schorsing als bedoeld in de voorgaande leden, eindigt na drie maanden. De maatregel kan telkens voor ten hoogste drie maanden worden verlengd.
4. De schorsing wordt beëindigd zodra de grond voor deze maatregel is vervallen.
Artikel 22a
Alvorens een besluit op grond van de artikelen 21 en 22 wordt genomen:
wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen. PM Plus andere extra waarborgen van artikel 5a ELRO.
Artikel 23
De rechtspositie van de leden van het openbaar ministerie wordt overigens geregeld bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld over schorsing en ontslag.
Artikel 23a
Andere ambtenaren bij het parket van de procureur-generaal als bedoeld in artikel 3, derde lid, worden benoemd door Onze Minister van Justitie van het land waar de ambtenaar voornamelijk werkzaam zal zijn op voorstel van de procureur-generaal. Op hun rechtspositie zijn de in dat land geldende ambtenarenregelingen van toepassing.
Hoofdstuk 2 Beheer, bekostiging en samenwerking
Titel 1 Beheer en bekostiging
Artikel 27
De procureur-generaal is belast met de organisatie en de bedrijfsvoering van de openbare ministeries van de landen. In het bijzonder draagt de procureur-generaal zorg voor:
a. de kwaliteit en de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van de openbare ministeries;
b. de voorbereiding van de begrotingen van de parketten in eerste aanleg en het parket van de procureur-generaal;
c. het toezicht houden op de uitvoering van de begrotingen;
d. het afleggen van verantwoording aan Onze Ministers over de uitvoering van de begroting van het parket in eerste aanleg van het desbetreffende land en van het parket van de procureur-generaal;
e. de automatisering, de bestuurlijke informatievoorziening, de huisvesting, de beveiliging en andere materiële voorzieningen bij de openbare ministeries.
Artikel 28 ( opdracht PRRC; zie besluit politieke stuurgroep dd. 16-2)
Artikel 29 ( opdracht PRRC; zie besluit politieke stuurgroep dd. 16-2)
Artikel 29a (opdracht PRRC; zie besluit politieke stuurgroep dd. 16-2)
Artikel 29b
Privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit het beheer van de begroting van het parket van de procureur-generaal en van de begrotingen van de parketten in eerste aanleg, worden verricht door of namens de procureur-generaal.
Titel 2 SamenwerkingArtikel 30
1. Onze Ministers voeren overleg over de opsporing en vervolging van grensoverschrijdende criminaliteit, genoemd in het volgende lid,waaronder de personele en materiële inzet voor dat beleid.
2. Onder grensoverschrijdende criminaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, waaronder in ieder geval: : terrorisme, internationale drugshandel, computercriminaliteit, het internationale witwassen van geld, internationale wapenhandel, mensenhandel en internationale corruptie.
3. De afspraken, bedoeld in het eerste lid, worden na overeenstemming tussen Onze Ministers van Justitie vastgesteld door de raad van ministers van het Koninkrijk.
Artikel 30a
1. De procureur-generaal stelt in opdracht van Onze Ministers vierjaarlijks een beleidsprogramma vast voor de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit.
2. Het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt, na overeenstemming tussen Onze Ministers van Justitie vastgesteld door de raad van ministers van het Koninkrijk.
3. De procureur-generaal kan de korpschefs opdragen ten behoeve van de opsporing en vervolging van grensoverschrijdende criminaliteit ambtenaren van politie beschikbaar te stellen conform de afspraken die hierover in de raad van ministers van het Koninkrijk zijn gemaakt. Deze afspraken kunnen tevens betrekking hebben op de beschikbaarstelling van middelen en voorzieningen.
4. Onze Ministers kunnen regels geven over de wijze waarop gegevens met betrekking tot georganiseerde criminaliteit worden geregistreerd, verwijderd dan wel worden verstrekt.
5. De procureur-generaal is bevoegd officieren van justitie aan te wijzen die zijn belast met de opsporing en vervolging van landsgrensoverschrijdende criminaliteit.
Artikel 30b
1. Op verzoek van de procureur-generaal kunnen ambtenaren van de rijksrecherche ondersteuning verlenen ten behoeve van onderzoek naar integriteitschendingen en de opsporing van ambtsdelicten.
2. De ambtenaren van de rijksrecherche beschikken bij de uitoefening van hun taken ten behoeve van de procureur-generaal over de bevoegdheden van de ambtenaren van politie van het desbetreffende land. De ambtenaren van de rijksrecherche die de gevraagde bijstand verlenen functioneren onder het gezag van de procureur-generaal.
3. De procureur-generaal is bevoegd in het belang van een goede rechtsbedeling te vorderen dat door hem aangewezen ambtenaren van politie worden belast met onderzoek naar integriteitschendingen en ambtsdelicten. De korpsen zijn verplicht aan dergelijk onderzoek medewerking te verlenen en de aangewezen ambtenaren de nodige inlichtingen te verschaffen.
4. Onder onderzoek naar integriteitschendingen als bedoeld in de voorgaande leden wordt verstaan onderzoek naar feiten of gedragingen die de integriteit van de overheid kunnen aantasten en zijn begaan door natuurlijke personen of rechtspersonen belast met een publieke taak, of betrokken bij de uitvoering daarvan.
Artikel 31
1. De procureur-generaal kan een aanwijzing als bedoeld in artikel 11, eerste lid, binnen twee weken nadat zij is gegeven voorleggen aan Onze Ministers indien de aanwijzing naar zijn oordeel het gezamenlijk beleid van de landen betreft. Het voorleggen van de aanwijzing schorst de aanwijzing.
2. Indien Onze Ministers gezamenlijk van oordeel zijn dat het bevel in strijd is met bedoeld beleid, dan vervalt het bevel. Indien Onze Ministers niet tot een eensluidend oordeel kunnen komen dan treedt het bevel niet in werking. In dat geval zijn de regeringen van de landen ieder gerechtigd het geschil ter beslissing aan de raad van ministers van het Koninkrijk voor te leggen.
Artikel 31a
PM PRRC: wettelijke basis overleg tussen de PG's in het Koninkrijk.
Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 32
De benoeming van degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze rijkswet procureur-generaal van de Nederlandse Antillen is, wordt van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot procureur-generaal van de landen.
2. De benoeming van degene die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze rijkswet advocaat-generaal bij het openbaar ministerie van de Nederlandse Antillen is, wordt van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot advocaat-generaal bij het parket van de procureur-generaal.
Artikel 33
Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de vertegenwoordigende lichamen van Sint Maarten en Curaçao en de Staten-Generaal een evaluatieverslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze rijkswet in de praktijk. Voorafgaande aan de evaluatie zullen de landen gezamenlijk de criteria, de thema's alsmede de samenstelling van de evaluatiecommissie vaststellen.
Artikel 34
1. Deze wet kan in onderling overleg worden gewijzigd bij rijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut.
2. Naar aanleiding van de evaluatie als bedoeld in artikel 33, kan deze wet in onderlinge overeenstemming worden beëindigd.
Artikel 35
Deze rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 37
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad en in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie,
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Bijlage bedoeld in artikel 19, eerste lid
Ik zweer/ik beloof trouw aan de Koning en gehoorzaamheid aan de wettelijke regelingen
Ik zweer/ ik verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van mijn benoeming aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.
Ik zweer/ik beloof dat ik nimmer enige giften of geschenken, hoe ook genaamd, zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij in enige rechtszaak is of zal worden betrokken, waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!
Op ..........................., werd te ............................................
Ten overstaan van ...............................................................
De bovenstaande eed/belofte afgelegd.
De ........................................
1...........................................
2...........................................
[1] In de begripsbepaling van het voorstel van crw is bepaald dat onder Onze Minister wordt verstaan: Onze Minister van Justitie van Nederland in zijn hoedanigheid van lid van de raad van ministers van het Koninkrijk.