De maat van kindermishandeling

Download This Document (.pdf)



  • DE MAAT VAN KINDERMISHANDELING

    'Wat is dit in feite anders dan onder ogen zien en handelen naar het inzicht dat in een rechtsstaat de rechten van de zwaksten het beste moeten worden beschermd?'

    Jan C.M. Willems

    In de wandelgangen op mijn werk hoorde ik enige dagen geleden een studente verzuchten: 'Ze weten niet of het kindermishandeling was...' Ik vroeg mij af of die 'ze' het wél hadden kunnen weten wanneer zij de studie van Jan Willems, Wie zal de opvoeders opvoeden? hadden gelezen. Wellicht was dat wat veel gevraagd want het lezen van 1080 bladzijden tekst over kindermishandeling en het recht van het kind op persoonswording vergt inspanning. In dit artikel vat ik kort samen wat de studie van Willems behelst. Vervolgens houd ik een pleidooi voor de ingebruikname van bijlage 3 uit het boek door die instanties en instellingen die zich met hulpverlening aan en bescherming van kinderen en jeugdigen bezig houden. Tot slot doe ik een voorstel voor wat tegenwoordig zo mooi de maatschappelijke implementatie heet.

    Hoe kan het?

    Wie zal de opvoeders opvoeden? is een kritisch zorgvuldige, diepgaande studie die aanzet tot persoonlijk, professioneel en maatschappelijk gewetensonderzoek. Diepgaand omdat het een korte alsmede een uitgebreide inhoudsopgave omvat, 14 hoofdstukken, verdeeld in vier boeken: 1. Kernrechten, 2. Persoonswording, 3. Kindermishandeling, en 4. Staatsaansprakelijk­heid, 8 bijlagen en meer dan 2000 voetnoten.  De probleemstelling van de studie is uiterst kritisch geformuleerd en wordt bijzonder zorgvuldig uitgeplozen. Willems vraagt zich af hoe het kan dat in een toch vrij beschaafd land als Neder­land jaarlijks 50 tot 80 kinderen kunnen sterven aan de gevolgen van geweld en minimaal

    80.000 kinderen slachtoffer kunnen zijn van allerlei vormen van mishandeling, terwijl Nederland toch het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 geratificeerd heeft. Zelf zou ik deze vraag na 20 jaar ervaring met geweld jegens kinderen en volwassenen botter hebben gesteld: waardoor komt het dat ongeveer 15 gevallen van gekke-koeienziekte de overheid aanzetten meer dan 1½ miljard gulden te investeren in preventie en nazorg en 50 tot 80 dode kinderen niet? U leest het goed: het gaat over 100 miljoen gulden per koe. Willems formuleert zijn antwoord tactvol of voorzichtigheidshalve in de vraagvorm: 

    'In hoeverre zijn ouderrechten ("ouderlijke immuniteit"/soevereiniteit-in-eigen-gezin/priva­cy/reproductievrijheid) een "alibi" voor de overheid om de status-quo te handhaven

    (d.w.z. geen reallocatie van hulpmiddelen te bewerkstelligen - en zelfs op essentiële voorzieningen te bezuinigen)?'

    Mij dunkt dat ouderrechten in deze als synoniem gebruikt worden voor 'kiezerrechten'. De enige vrijheden die mensen anno nu nog hebben, kinderen concipiëren (in vivo of in vitro) en naar eigen inzicht en vermogen opvoeden, laat men zich niet zonder slag of stoot afnemen. Politici zullen er voor waken iets te ondernemen om deze vorm van persoonlijke autonomie aan regels te onderwerpen. Een voorbeeld daarvan is de begin 2000 gevoerde discussie over zaaddonorschap. Men brak zich het hoofd over de gevolgen die het verplicht stellen van identificatie bij donorschap voor de donor had en 'vergat' welke gevolgen de anonimiteit van de donor voor het kind zou kunnen hebben. Het resultaat van de politieke beleidsvorming waarover de media in januari dit jaar berichtten, bestond in ieder geval niet uit een verbod op anoniem

    donorschap. Krachtdadige stellingname - nodig als het gaat om kinderen - lijkt politici vandaag de dag vreemd te zijn.

    Dubbel recht

    Willems pleit voor juridische verfijning van het fenomeen 'ontwikkelingsbelang'...

    'Het ontwikkelingsbelang bestaat uit een dubbel pedagogisch recht: het recht van het kind, van elk kind, op ontplooiing (geborgenheid, affectie, ondersteuning) en het recht van het kind, van elk kind, op leiding (toezicht, controle, disciplinering/opvoeding in enge zin). [...] De voorgestelde kernrechten worden vervolgens nader in de Trias pedagogica, de juridisch pedagogische driehoek kind-ouder-overheid, gesitueerd.'

    ... alsmede voor pedagogische concretisering en operationalisering (i.e. het recht op persoon­wording als universeel opvoedingsdoel) daarvan. Hij geeft een aanzet tot het veilig stellen van de minimale persoonswording als kernrecht van het kind door daar waar het belang ondermijnd wordt volgens een glijdende schaalscenario diverse vormen van hulp aan te bieden ofwel op te leggen. Vrijwillige of onvrijwillige opvoedingsondersteuning dus, variërend van oudercursussen tot residentiële vormen van hulpverlening. Ook onderbouwt hij met woord en getal zijn zienswijze dat kindermishandeling een schending is van het recht van het kind op minimale persoonswording alsmede een vorm van ernstige en passief-systematische mensenrechtenschending. Hij behandelt de gevolgen van kinder­mishandeling voor het individu en toont aan dat er verband bestaat tussen openbare geweld­pleging, het ontwikkelen van psychiatrische aandoeningen, sociaal disfunctioneren en de in de particuliere sfeer opgelopen trauma's. [NB ik onderscheid hier openbare geweldpleging van wat ik wil noemen 'particuliere' uit onvrede met de inmiddels onjuist verbreide vertaling van domestic violence als 'huiselijk geweld' in plaats van geweld binnenshuis.] Met andere woorden: de auteur stelt dat de opgelopen kwetsuren uiteindelijk in de openbaarheid terecht kunnen komen, waar de staatsaansprakelijkheid begint. Voor hen die Nágy & Krasner (1994) kennen, zal het helder zijn dat Willems het bestaan van hun concepten als de 'roulerende rekening' en 'gerechtigde aanspraak op destructiviteit' probeert aan te tonen. Willems gaat ook diep in op de maatschappelijke en sociaal-economische gevolgen van kindermishandeling. In een reactie op Metze (1996), die stelt dat jaarlijks 3,7 miljoen Neder­landers volgens een schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne kampen met ernstige geestelijke gezondheidsproblemen, schrijft hij hier onder andere over:

    'Hoeveel Nederlanders zouden níet tot de "potentiële markt van geweldige omvang" - een markt die binnen één generatie de hele GGZ kan ontwrichten - hebben behoord indien hun ouders een sociaal-pedagogisch ondersteuningsaanbod hadden gekregen?'

    Ik zou eraan willen toevoegen dat de GGZ wellicht al nu in haar voegen kraakt.

    Compensatieplicht

    In het laatste gedeelte van zijn studie formuleert de auteur een aantal antwoorden op zijn vragen. Hij stelt dat de staat een pedagogische compensatieplicht heeft voor hen die door gebrekkige opvoeding kansarm en kwetsbaar zijn geworden. De staat zou een sociaal-peda­gogisch vangnet kunnen bieden - men zou het ook 'staatshuishoudelijke voorzorg' kunnen noemen - dat is opgehangen aan drie staketsels: opvoedingsondersteuning voor ouders, opvoedingsgeld voor het gezin en opvoedingsonderwijs voor hen die later opvoeders worden. Ik stel mij bij dat laatste voor dat opvoedkunde als verplicht vak op VO scholen in het curriculum van de laatste leerjaren wordt opgenomen (zie Pols & Heyman 1999).

    Van de acht bijlagen is bijlage 3 dunkt mij verplichte kost voor allen die zich professioneel met de opvoeding, begeleiding en bescherming van kinderen en jeugdigen bezig houden. Het is een bijzondere verdienste van de auteur dat hij de door Barnett, Manly en Cicchetti (1993) ontwikkelde classificatie en criteria om kindermishandeling te onderzoeken, op eigen verant­woording heeft vertaald. Het classificatiesysteem bestaat uit vijf dimensies: 

    1          zorgvuldig omschreven typen kindermishandeling,

    2          gradaties betreffende het wangedrag van de verzorger/opvoeder,

    3          frequentie,

    4          het ontwikkelingsstadium van het kind,

    5          mogelijke effecten van maatregelen en de invloed van de pleger. 

     

    Vijf voorbeelden

    Er zijn zes typen van maltraiteren van kinderen met elk vijf gradaties (licht, matig, ernstig, zeer ernstig en bijna fataal). Ik geef hieronder 5 voorbeelden met van elk type één met een gradatie:

    A. Ernstig lichamelijke mishandeling: de ouder (lees verder: 'ouder/opvoeder/begeleider') heeft vlekken teweeggebracht op het hoofd, het gezicht of de nek van het kind, bijvoorbeeld een blauw oog na een stomp in het gezicht.

    B. Matige emotionele maltraitering: de ouder manoeuvreert het kind in een rolomkering [het kind wordt verantwoordelijk gesteld voor en geacht tegemoet te komen aan de emotionele noden van de ouder], bijvoorbeeld de ouder wil dat het kind na school thuis blijft omdat hij/zij eenzaam is en behoefte heeft aan gezelschap.

    C. Lichte seksuele kindermishandeling: de ouder stelt het kind bloot aan seksuele prikkelingen of handelingen zonder dat hij of zij het kind er expliciet bij betrekt, bijvoorbeeld door het kind pornografisch materiaal te laten zien.

    D. Zeer ernstige lichamelijke verwaarlozing: de ouder geeft het kind zo slecht te eten dat het niet aankomt of niet normaal groeit zonder dat daarvoor natuurlijke oorzaken zijn aan te wijzen, bijvoorbeeld door het kind geen ontbijt te geven en als lunchmaaltijd voor school een grote zak chips te laten kopen.

    E. Fatale fysieke verwaarlozing: de ouder brengt het kind in een levensgevaarlijke situatie of neemt geen maatregelen om te voorkomen dat het kind in een levensgevaarlijke situatie belandt. Bijvoorbeeld een peuter die 24 uur alleen gelaten wordt of zonder toezicht of de baby van 13 maanden die onlangs in Breda door de vader werd verkracht.

    Bijzonder belang

    Ik vind de bijlage van bijzonder belang voor onderzoek en uitvoering binnen professionele hulpverlening omdat:

     

    gewelddadig optreden transparant is beschreven in termen van concreet gedrag;

    de lijst de hulpverlener in staat stelt gericht te observeren in gezinnen waar op een gewelddadige wijze met elkaar wordt gecommuniceerd. Tevens is de tekst bijzonder geschikt om als standaard van beoordeling c.q. diagnosevorming te fungeren, ook met betrekking tot te verwachten toekomstige schade of herstel;

    de lijst kan gaan fungeren als standaard 'meetinstrument'. De subjectieve normen en waarden van de observator(en) krijgen een meer objectief karakter wanneer het gedrag van opvoeders en kinderen getoetst kan worden aan een breed gedragen ondersteund en objectief criterium;

    zorgvuldige hantering van de lijst kan bijdragen aan een afname van het aantal dodelijke slachtoffers van particuliere kindermishandeling;

    zorgvuldige hantering er eveneens voor kan zorgen dat naar de openbaarheid verplaatst, zogenoemd 'zinloos geweld' afneemt;

    en kan als resultaat hebben dat de wachtlijsten voor jeugdhulpverleningsinstellingen en

    residentiële instellingen voor jeugdzorg wellicht afnemen.  De laatste drie kunnen bij een eventuele effectmeting als toetsingscriteria gebruikt worden.

    Maatschappelijke implementatie

    Ik stel mij de maatschappelijke implementatie van een dergelijke lijst als volgt voor:

    -Stap 1: diverse instanties die betrokken zijn op beleids- en uitvoeringsniveau bij jeugdzorg en jeugdbescherming vormen een commissie van wijze mannen en vrouwen die de lijst toetsen op haar geschiktheid voor gebruik in Nederland.

    -Stap 2: bij wijze van experiment gaan functionarissen werkzaam bij AMK's, Raad voor de Kinderbescherming en instellingen voor Jeugd- en Pleegzorg de lijst hanteren voor een proefperiode van vier jaar. De ingebruikname wordt ingeluid door een landelijk symposium.

    -Stap 3: de commissie van wijzen begeleidt de implementatie middels steekproeven en houdt tussentijds evaluaties over de werkwijze en bevindingen.

    -Stap 4: de commissie brengt na vier jaar in samenwerking met alle betrokken instellingen verslag uit aan de overheid en sluit de experimentele fase af met een landelijk congres. Dan kan besloten worden om de lijst officieel te gaan hanteren. Lange termijnonderzoek kan uitwijzen of er verband bestaat tussen de toetsingscriteria en het consequent hanteren van de lijst. 

    Geweldloos wapen

    Tenslotte wil ik er met klem voor pleiten dat iedere jeugdhulpverlener - zeker zij die in de juridische sfeer met kinderen werken - Wie zal de opvoeders opvoeden? regelmatig als handboek ter hand neemt en als naslagwerk raadpleegt. Het boek vormt immers de context van de lijst. Daarvoor is het toegankelijk gemaakt door een uitgebreid register; men kan zoeken op onderwerp en op auteur. Tevens kan men selectief lezen door zich via de uitgebreide inhoudsbeschrijving in thema's en onderwerpen te verdiepen.  Door zo volledig, uitgebreid, verdiepend en gefundeerd het welzijnsbelang van kinderen toegewijd te bestuderen en ordenend te beschrijven, heeft Willems de hulpverlening een geweldloos wapen in de niet aflatende strijd voor een menswaardige opvoeding van kinderen gegeven, een standaardwerk waardig. Het is nu aan de uitvoerende professionals om met overleg en daadkracht aan de slag te gaan.

    Thomas Heyman (docent methodiek en theorie MWD, Hogeschool Rotterdam, lid actiegroep RAAK)

    Literatuur

    Jan C.M. Willems, Wie zal de opvoeders opvoeden? T.M.C. Asser Press Den Haag 1999 Ivan Boszormenyi-Nágy & Barbara Krasner, Tussen geven en nemen, De Toorts Haarlem 1994 G.Pols & Th. Heyman, Ingrijpen (z)onder geweld, Coutinho Bussum 1999

    M. Metze, De staat van Nederland - op weg naar 2000, Nijmegen 1996, pp. 39 - 54

    D. Barnett, J. Todd, D. Cicchettti, ‘Defining child maltreatment,' in: D. Cicchetti & S.L. Toth (red.), Child abuse, child development and social policy, Advances in applied developmental psychology, vol . 8, Norwood, New Jersey 1993, pp. 7-73




0.7104 // 32