Grondwet Voor Europa

Download This Document (.pdf)



  • GRONDWET
    VOOR EUROPA
    Bij consensus aangenomen door de Europese Conventie
    op 13 juni en 10 juli 2003
    VOORGELEGD AAN DE
    VOORZITTER VAN DE EUROPESE RAAD
    TE ROME
    ─ 18 juli 2003 ─
    CONV 850/03 iii
    NL
    VOORWOORD
    bij de Delen I en II van het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa,
    voorgelegd aan de Europese Raad, op 20 juni 2003 te Thessaloniki bijeen.
    CONV 850/03 1
    NL
    VOORWOORD
    De Europese Raad heeft in zijn bijeenkomst op 14 en 15 december 2001 te Laken, in België,
    geconstateerd dat de Europese Unie voor een beslissend moment in haar bestaan stond, en de
    Europese Conventie over de toekomst van Europa bijeengeroepen.
    Deze Conventie werd opgedragen voorstellen te formuleren over drie thema’s: de burgers dichter bij
    het Europese project en de Europese instellingen brengen; structuur geven aan het politieke leven en
    de Europese politieke ruimte in een uitgebreide Unie; de Unie tot een stabiliserende factor en een
    lichtbaken in de nieuwe wereldorde maken.
    De Conventie heeft antwoorden geformuleerd op de vragen die in de Verklaring van Laken zijn
    gesteld:
    - zij stelt een betere verdeling van de bevoegdheden van de Unie en haar lidstaten voor;
    - zij beveelt samenvoeging van de verdragen en toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de
    Unie aan;
    - zij geeft aan op welke wijze de instrumenten voor het optreden van de Unie kunnen worden
    vereenvoudigd;
    - zij stelt maatregelen voor om de democratie, de transparantie en de doeltreffendheid van de
    Europese Unie te vergroten door de bijdrage van de nationale parlementen tot de legitimiteit
    van het Europese project te ontwikkelen, door het besluitvormingsproces te vereenvoudigen
    en door de werking van de Europese instellingen transparanter en inzichtelijker te maken;
    - zij geeft aan welke maatregelen nodig zijn om de structuur te verbeteren en de rol te
    versterken van elk van de drie instellingen van de Unie, onder inachtneming van, met name,
    de gevolgen van de uitbreiding.
    CONV 850/03 2
    NL
    In de Verklaring van Laken is de vraag opgeworpen of de vereenvoudiging en de herschikking van
    de verdragen niet moeten leiden tot de aanneming van een constitutionele tekst. De besprekingen
    van de Conventie zijn inderdaad uitgemond in de opstelling van een ontwerp-verdrag tot vaststelling
    van een Grondwet voor Europa waarover tijdens de plenaire zitting van 13 juni 2003 een
    brede consensus werd bereikt.
    Die tekst leggen we heden, op 20 juni 2003, te Thessaloniki namens de Europese Conventie aan de
    Europese Raad voor, daarbij de wens uitsprekend dat hij als grondslag dient voor een toekomstig
    verdrag tot vaststelling van de Europese grondwet.
    Valéry Giscard d’Estaing
    Voorzitter
    Giuliano Amato Jean-Luc Dehaene
    Vice-voorzitter Vice-voorzitter
    CONV 850/03 3
    NL
    Ontwerp-
    VERDRAG TOT VASTSTELLING VAN EEN GRONDWET VOOR EUROPA
    PREAMBULE
    Xρώµεθα γάρ πολιτεία ... καί όνοµα µέν διά τό µή ές ολίγους áλλ. ές πλείονας οικεĩν δηµοκρατία
    κέκληται ...
    [Onze constitutie ... wordt democratisch genoemd, omdat de macht niet in handen is van een
    minderheid, maar van de grootst mogelijke meerderheid.]
    Thucydides II, 37
    In het besef dat Europa als werelddeel een bakermat van de beschaving is; dat zijn inwoners, die
    zich hier sedert mensenheugenis golfsgewijs gevestigd hebben, geleidelijk de waarden hebben
    ontwikkeld die ten grondslag liggen aan het humanisme: gelijkheid van alle mensen, vrijheid en
    eerbied voor de rede,
    Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, waarvan de
    waarden, die immer deel hebben uitgemaakt van zijn erfgoed, de centrale rol van de mens en zijn
    onschendbare en onvervreemdbare rechten, alsmede de eerbiediging van het recht, in de
    samenleving hebben verankerd,
    In de overtuiging dat het voortaan verenigde Europa op de ingeslagen weg van beschaving, vooruitgang
    en welvaart wil voortgaan, ten profijte van al zijn bewoners, ook van de meest kwetsbaren en
    de meest behoeftigen; dat Europa een werelddeel wil blijven dat openstaat voor cultuur, kennis en
    maatschappelijke vooruitgang; en dat Europa het democratische en transparante karakter van zijn
    openbare leven wil verdiepen en zich wil beijveren voor vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de
    wereld,
    In het vertrouwen dat de volkeren van Europa, ook al zijn zij trots op hun identiteit en hun nationale
    geschiedenis, vastbesloten zijn hun oude tegenstellingen te overwinnen, en, steeds hechter verenigd,
    vorm te geven aan hun gemeenschappelijke lotsbestemming,
    CONV 850/03 4
    NL
    Er vast van overtuigd dat Europa, verenigd in zijn verscheidenheid, hun de beste kansen biedt om,
    onder eerbiediging van eenieders rechten en in het besef van de verantwoordelijkheden jegens de
    toekomstige generaties en de aarde, voort te gaan met de grootse onderneming van Europa bij
    uitstek een ruimte maakt waar de mensen gestalte kunnen geven aan hun aspiraties,
    Erkentelijk jegens de leden van de Europese Conventie, omdat zij namens de burgers en de staten
    van Europa deze Grondwet hebben opgesteld,
    [die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, als volgt zijn
    overeengekomen:]
    CONV 850/03 5
    NL
    DEEL I
    TITEL I: DEFINITIE EN DOELSTELLINGEN VAN DE UNIE
    Artikel 1: Instelling van de Unie
    1. Bij deze Grondwet, die geïnspireerd wordt door de wil van de burgers en de staten van Europa
    om hun gemeenschappelijke toekomst op te bouwen, wordt een Unie ingesteld waaraan de
    lidstaten bevoegdheden verlenen om hun gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken. De
    Unie coördineert het beleid van de lidstaten dat gericht is op het bereiken van die doelstellingen
    en oefent op communautaire wijze de bevoegdheden uit die de lidstaten aan haar
    overdragen.
    2. De Unie staat open voor alle Europese staten die haar waarden eerbiedigen en zich ertoe
    verbinden deze gezamenlijk te bevorderen.
    Artikel 2: De waarden van de Unie
    De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid,
    democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. Deze waarden hebben
    de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, verdraagzaamheid,
    rechtvaardigheid, solidariteit en door het verbod van discriminatie.
    CONV 850/03 6
    NL
    Artikel 3: De doelstellingen van de Unie
    1. De Unie stelt zich ten doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te
    bevorderen.
    2. De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zonder
    binnengrenzen, en een interne markt waar de mededinging vrij en onvervalst is.
    3. De Unie zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige
    economische groei, van een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen
    die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een
    hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie
    bevordert wetenschappelijke en technische vooruitgang.
    De Unie bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie, en bevordert sociale rechtvaardigheid en
    bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de solidariteit tussen generaties en de
    bescherming van de rechten van het kind.
    De Unie bevordert de economische, sociale en territoriale samenhang, en de solidariteit tussen
    de lidstaten.
    De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding
    en de ontwikkeling van het Europees cultureel erfgoed.
    4. In haar betrekkingen met de wereld buiten haar grenzen handhaaft en bevordert de Unie haar
    waarden en belangen. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van
    de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke
    handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder
    de rechten van kinderen, alsook tot de strikte nakoming en ontwikkeling van het internationaal
    recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de
    Verenigde Naties.
    5. Deze doelstellingen worden nagestreefd met passende middelen, afhankelijk van de bevoegdheden
    die daartoe in de Grondwet aan de Unie zijn toegewezen.
    CONV 850/03 7
    NL
    Artikel 4: Fundamentele vrijheden en het verbod van discriminatie
    1. De Unie verzekert overeenkomstig de bepalingen van de Grondwet binnen haar grenzen het
    vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, en de vrijheid van vestiging.
    2. Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet is, onverminderd de bijzondere bepalingen
    ervan, iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
    Artikel 5: De betrekkingen tussen de Unie en de lidstaten
    1. De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun fundamentele
    politieke en grondwettelijke structuren, waaronder die voor regionaal en lokaal
    zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met inbegrip van de verdediging van de
    territoriale integriteit, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse
    veiligheid.
    2. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en
    steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Grondwet voortvloeien.
    De lidstaten dragen ertoe bij dat de Unie haar taak kan vervullen en onthouden zich van alle
    maatregelen die de verwezenlijking van de in de Grondwet genoemde doelstellingen in gevaar
    kunnen brengen.
    Artikel 6: Rechtspersoonlijkheid
    De Unie bezit rechtspersoonlijkheid.
    CONV 850/03 8
    NL
    TITEL II: DE GRONDRECHTEN EN HET BURGERSCHAP VAN DE UNIE
    Artikel 7: De grondrechten
    1. De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de
    grondrechten van de Unie, dat Deel II van de Grondwet vormt.
    2. De Unie streeft naar toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
    de mens en de fundamentele vrijheden. Toetreding laat de bevoegdheden van de Unie, zoals
    in de Grondwet omschreven, onveranderd.
    3. De grondrechten, die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de
    rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en die voortvloeien uit de
    gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maken als algemene beginselen
    deel uit van het recht van de Unie.
    Artikel 8: Het burgerschap van de Unie
    1. Eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, is burger van de Unie. Het burgerschap van
    de Unie staat naast het nationale burgerschap en treedt niet in de plaats daarvan.
    2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die in de Grondwet zijn
    neergelegd. Zij hebben:
    - het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te
    verblijven;
    - het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de
    gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden
    als de onderdanen van die staat;
    CONV 850/03 9
    NL
    - het recht om op het grondgebied van een derde land waar de lidstaat waarvan zij onderdaan
    zijn, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire
    instanties van iedere andere lidstaat te genieten onder dezelfde voorwaarden als de
    onderdanen van die lidstaat;
    - het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de
    Europese ombudsman te wenden, alsook de instellingen en de adviesorganen van de
    Unie in een van de officiële talen van de Grondwet aan te schrijven en in die taal
    antwoord te krijgen.
    3. Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de
    Grondwet en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
    TITEL III: DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE
    Artikel 9: Grondbeginselen
    1. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van
    bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door
    de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
    2. Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de
    bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde
    doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn
    toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
    3. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar
    exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het
    optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen
    worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter
    door de Unie kunnen worden bereikt.
    CONV 850/03 10
    NL
    De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het aan de
    Grondwet gehechte Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en
    evenredigheid. De nationale parlementen zien erop toe dat het beginsel volgens de in dat
    protocol vastgelegde procedure wordt geëerbiedigd
    4. Krachtens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de
    Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.
    De instellingen passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het in lid 3 bedoelde
    protocol.
    Artikel 10: Het recht van de Unie
    1. De Grondwet en het recht dat de instellingen van de Unie krachtens de haar toegedeelde
    bevoegdheden vaststellen, hebben voorrang boven het recht van de lidstaten.
    2. De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming
    van de uit de Grondwet of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende
    verplichtingen te verzekeren.
    Artikel 11: De categorieën van bevoegdheden
    1. In de gevallen waarin in de Grondwet op een bepaald gebied een exclusieve bevoegdheid aan
    de Unie wordt toegedeeld, kan uitsluitend de Unie wetgevend optreden en juridisch bindende
    handelingen vaststellen, en kunnen de lidstaten zulks uitsluitend zelf doen op grond van een
    machtiging van de Unie of ter uitvoering van door de Unie vastgestelde handelingen.
    CONV 850/03 11
    NL
    2. In de gevallen waarin in de Grondwet op een bepaald gebied een bevoegdheid aan de Unie
    wordt toegedeeld die zij met de lidstaten deelt, zijn de Unie en de lidstaten beide bevoegd, op
    dat gebied wetgevend op te treden en juridisch bindende handelingen vast te stellen. De
    lidstaten oefenen hun bevoegdheid uit voorzover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend
    of besloten heeft deze niet langer uit te oefenen.
    3. De Unie is bevoegd om te zorgen voor de bevordering en de coördinatie van het economisch
    beleid en het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.
    4. De Unie is bevoegd om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en
    te voeren, en in het kader daarvan geleidelijk een gemeenschappelijk defensiebeleid vast te
    stellen.
    5. Op bepaalde gebieden en onder de in de Grondwet gestelde voorwaarden is de Unie bevoegd
    om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen, zonder
    evenwel afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op die gebieden.
    6. De omvang en de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie worden
    bepaald door de specifieke bepalingen voor ieder gebied in Deel III.
    Artikel 12: De exclusieve bevoegdheden
    1. De Unie is exclusief bevoegd om de voor de werking van de interne markt noodzakelijke
    mededingingsregels vast te stellen, en is voorts bevoegd op de volgende gebieden:
    - het monetair beleid voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd,
    - het gemeenschappelijk handelsbeleid,
    - de douane-unie,
    - de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk
    visserijbeleid.
    CONV 850/03 12
    NL
    2. De Unie is exclusief bevoegd, een internationale overeenkomst te sluiten indien een wetgevingshandeling
    van de Unie in die sluiting voorziet, indien zulks noodzakelijk is om de Unie
    in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen en indien zulks van invloed is op een
    interne handeling van de Unie.
    Artikel 13: De gedeelde-bevoegdheidsgebieden
    1. De Unie heeft een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid in de gevallen waarin in de Grondwet
    haar een bevoegdheid wordt toegedeeld die buiten de in de artikelen 12 en 16 bedoelde
    gebieden valt.
    2. De gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten betreffen de volgende hoofdgebieden:
    - de interne markt,
    - de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,
    - landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biologische
    rijkdommen van de zee,
    - vervoer en trans-Europese netwerken,
    - energie,
    - het sociaal beleid, voor in Deel III omschreven aspecten,
    - de economische, sociale en territoriale samenhang,
    - het milieu,
    - consumentenbescherming,
    - gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid.
    3. Op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimte-onderzoek is de Unie
    bevoegd op te treden, met name programma’s vast te stellen en uit te voeren, zonder dat door de
    uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten verhinderd wordt hun eigen bevoegdheid uit te
    oefenen.
    CONV 850/03 13
    NL
    4. Op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp is de Unie bevoegd op te
    treden en een gemeenschappelijk beleid te voeren, zonder dat door de uitoefening van die
    bevoegdheid de lidstaten wordt verhinderd hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.
    Artikel 14: De coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid
    1. De Unie stelt maatregelen vast om te zorgen voor de coördinatie van het economisch beleid van
    de lidstaten, met name door de globale richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen. De lidstaten
    coördineren hun economisch beleid binnen de Unie.
    2. Voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd, gelden specifieke bepalingen.
    3. De Unie stelt maatregelen vast om te zorgen voor de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid
    van de lidstaten, met name door de richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen.
    4. De Unie kan initiatieven nemen om te zorgen voor de coördinatie van het sociaal beleid van de
    lidstaten.
    Artikel 15: Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
    1. De bevoegdheid van de Unie met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
    bestrijkt alle gebieden van het buitenlands beleid en alle vraagstukken die verband
    houden met de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een
    gemeenschappelijk defensiebeleid dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie.
    2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en
    onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de
    Unie en eerbiedigen de handelingen die de Unie op dat gebied vaststelt. Zij onthouden zich
    van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen
    doen aan de doeltreffendheid ervan.
    CONV 850/03 14
    NL
    Artikel 16: De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden
    1. De Unie kan ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden.
    2. De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden zijn, wat hun
    Europese dimensie betreft:
    - industrie,
    - bescherming en verbetering van de volksgezondheid,
    - onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport,
    - cultuur,
    - civiele bescherming.
    3. De door de Unie op grond van de specifieke bepalingen betreffende deze gebieden in Deel III
    vastgestelde juridisch bindende handelingen kunnen generlei harmonisatie van de wettelijke
    of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden.
    Artikel 17: Flexibiliteit
    1. Indien een optreden van de Unie in het kader van de in Deel III omschreven beleidsgebieden
    nodig blijkt om een van de in de Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezenlijken zonder
    dat de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad van Ministers,
    op voorstel van de Europese Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, met
    eenparigheid van stemmen de passende maatregelen.
    2. In het kader van de in artikel 9, lid 3, bedoelde procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel
    vestigt de Europese Commissie de aandacht van de nationale parlementen van de
    lidstaten op de voorstellen die op het onderhavige artikel gebaseerd zijn.
    3. De op grond van het onderhavige artikel vastgestelde bepalingen mogen geen harmonisatie van
    de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden in gevallen waarin de
    Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.
    CONV 850/03 15
    NL
    TITEL IV: DE INSTELLINGEN VAN DE UNIE
    Hoofdstuk I: Het institutioneel kader
    Artikel 18: De instellingen van de Unie
    1. De Unie beschikt over één enkel institutioneel kader, dat ertoe strekt:
    - de doelstellingen van de Unie na te streven,
    - de waarden van de Unie te bevorderen,
    - de belangen van de Unie, van haar burgers en van haar lidstaten te dienen,
    en de samenhang, de doeltreffendheid en de continuïteit van het beleid en van het optreden
    van de Unie, dat gericht is op het verwezenlijken van haar doelstellingen, te verzekeren.
    2. Dit institutioneel kader omvat:
    het Europees Parlement,
    de Europese Raad,
    de Raad van Ministers,
    de Europese Commissie,
    het Hof van Justitie.
    3. Elke instelling handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de Grondwet
    zijn toegekend, volgens de procedures en de voorwaarden die daarin zijn omschreven. De
    instellingen werken onderling loyaal samen.
    Artikel 19: Het Europees Parlement
    1. Het Europees Parlement oefent samen met de Raad van Ministers onder de in de Grondwet
    vastgelegde voorwaarden de wetgevings- en de begrotingstaak uit, alsmede de politieke
    controle- en raadgevingstaken. Het Parlement kiest de voorzitter van de Europese Commissie.
    CONV 850/03 16
    NL
    2. Het Europees Parlement wordt door de Europese burgers voor een periode van vijf jaar
    gekozen door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen. Het aantal
    leden bedraagt niet meer dan zevenhonderdzesendertig. De Europese burgers zijn degressief
    evenredig vertegenwoordigd, met een minimum van vier leden van het Europees Parlement
    per lidstaat.
    Lang genoeg voor de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 en vervolgens voor
    volgende verkiezingen naargelang van de behoefte stelt de Europese Raad met eenparigheid
    van stemmen op voorstel van en na goedkeuring door het Europees Parlement een besluit vast
    inzake de samenstelling van het Europees Parlement, met inachtneming van de hiervoor
    vermelde beginselen.
    3. Het Europees Parlement kiest uit zijn leden de voorzitter en het bureau.
    Artikel 20: De Europese Raad
    1. De Europese Raad geeft aan de Unie de voor haar ontwikkeling nodige impulsen en stelt haar
    algemene politieke richtsnoeren en prioriteiten vast. Hij oefent geen wetgevingstaken uit.
    2. De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden of regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter
    en de voorzitter van de Europese Commissie. De minister van Buitenlandse Zaken van
    de Unie neemt deel aan de besprekingen.
    3. De Europese Raad komt elk kwartaal na een convocatie door zijn voorzitter bijeen. Indien de
    agenda zulks vereist, kunnen de leden van de Europese Raad besluiten zich te laten bijstaan
    door een minister en, wat de voorzitter van de Europese Commissie betreft, door een
    Europese Commissaris. Indien de situatie zulks vereist, roept de voorzitter een buitengewone
    bijeenkomst van de Europese Raad bijeen.
    4. Voorzover in de Grondwet niet anders is bepaald, spreekt de Europese Raad zich bij
    consensus uit.
    CONV 850/03 17
    NL
    Artikel 21: De voorzitter van de Europese Raad
    1. De Europese Raad kiest met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zijn voorzitter voor
    een periode van tweeëneenhalf jaar. De voorzitter is eenmaal herkiesbaar. Indien de voorzitter
    verhinderd is of ernstig tekortschiet, kan de Europese Raad volgens dezelfde procedure een
    einde maken aan zijn mandaat.
    2. De voorzitter van de Europese Raad:
    - leidt en stimuleert de besprekingen van de Europese Raad;
    - zorgt, in samenwerking met de voorzitter van de Europese Commissie en op basis van
    de besprekingen van de Raad Algemene Zaken, voor de voorbereiding en de continuïteit
    van de besprekingen van de Europese Raad;
    - streeft ernaar, de samenhang en de consensus binnen de Europese Raad te bevorderen;
    - legt na afloop van iedere bijeenkomst van de Europese Raad een verslag voor aan het
    Europees Parlement.
    De voorzitter van de Europese Raad zorgt op zijn niveau en in die hoedanigheid voor de
    externe vertegenwoordiging van de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk
    buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, onverminderd de verantwoordelijkheden van de
    minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
    3. De voorzitter van de Europese Raad kan geen nationaal mandaat uitoefenen.
    Artikel 22: De Raad van Ministers
    1. De Raad van Ministers oefent samen met het Europees Parlement onder de in de Grondwet
    vastgelegde voorwaarden de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit, alsmede
    beleidsbepalende en coördinerende taken.
    2. De Raad van Ministers bestaat voor iedere Raadsformatie uit een vertegenwoordiger van
    iedere lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat welke hij
    vertegenwoordigt, te binden en het stemrecht uit te oefenen.
    3. Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde
    meerderheid van stemmen.
    CONV 850/03 18
    NL
    Artikel 23: De formaties van de Raad van Ministers
    1. De Raad Wetgeving en Algemene Zaken zorgt voor de samenhang van de besprekingen van
    de Raad van Ministers.
    Wanneer de Raad van Ministers in zijn hoedanigheid van Raad Algemene Zaken handelt,
    verzorgt hij samen met de Europese Commissie de voorbereiding en de voortgangsbewaking
    van de bijeenkomsten van de Europese Raad.
    Wanneer de Raad van Ministers in zijn hoedanigheid van wetgever handelt, beraadslaagt hij
    en vaardigt hij samen met het Europees Parlement, conform de bepalingen van de Grondwet,
    de Europese wetten en de Europese kaderwetten uit. Wanneer hij in deze hoedanigheid
    handelt, wordt iedere lidstaat vertegenwoordigd door één of twee andere vertegenwoordigers
    op ministerieel niveau die voor de agenda terzake bevoegd zijn.
    2. De Raad Buitenlandse Zaken werkt het extern beleid van de Unie uit volgens de door de
    Europese Raad bepaalde strategische lijnen en zorgt voor de samenhang in het optreden van
    de Unie. Hij wordt voorgezeten door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
    3. De Europese Raad stelt een Europees besluit vast over de andere formaties waarin de Raad
    van Ministers bijeen kan komen.
    4. Het voorzitterschap van de andere formaties van de Raad van Ministers dan de formatie
    Buitenlandse Zaken wordt volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid gedurende
    perioden van ten minste één jaar uitgeoefend door de vertegenwoordigers van de lidstaten in
    de Raad van Ministers. De Europese Raad stelt een Europees besluit betreffende de regels
    voor dit toerbeurtsysteem vast, rekening houdend met het Europese politieke en geografische
    evenwicht en de verscheidenheid van de lidstaten.
    CONV 850/03 19
    NL
    Artikel 24: De gekwalificeerde meerderheid van stemmen
    1. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en in de Raad van
    Ministers wordt verstaan, de meerderheid van de lidstaten welke tevens ten minste drievijfde
    van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt.
    2. Indien de Grondwet niet vereist dat de Europese Raad of de Raad van Ministers op basis van
    een voorstel van de Europese Commissie besluit, of indien de Europese Raad of de Raad van
    Ministers niet besluit op initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie,
    bestaat de vereiste gekwalificeerde meerderheid uit tweederde van de lidstaten, welke ten
    minste drievijfde van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt.
    3. De bepalingen van de leden 1 en 2 worden op 1 november 2009 van kracht, nadat
    overeenkomstig artikel 19 de verkiezingen voor het Europees Parlement hebben
    plaatsgevonden.
    4. Met betrekking tot de gevallen waarin volgens Deel III Europese wetten en Europese
    kaderwetten door de Raad van Ministers volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden
    vastgesteld, kan de Europese Raad op eigen initiatief, en met eenparigheid van stemmen, na
    een termijn van behandeling van ten minste zes maanden bij Europees besluit bepalen dat de
    Europese wetten of kaderwetten volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden
    vastgesteld. De Europese Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en na
    informatie van de nationale parlementen te hebben verkregen.
    CONV 850/03 20
    NL
    Met betrekking tot de gebieden waarop volgens Deel III de Raad van Ministers met eenparigheid
    van stemmen besluit, kan de Europese Raad op eigen initiatief, en met eenparigheid
    van stemmen, bij Europees besluit bepalen dat de Raad van Ministers met gekwalificeerde
    meerderheid kan besluiten. Ieder initiatief van de Europese Raad op grond van deze alinea
    wordt ten minste vier maanden voordat een beslissing wordt genomen, aan de nationale
    parlementen toegezonden.
    5. In de Europese Raad nemen de voorzitter en de voorzitter van de Europese Commissie niet
    deel aan de stemming.
    Artikel 25: De Europese Commissie
    1. De Europese Commissie bevordert het Europese algemeen belang en neemt daartoe passende
    initiatieven. Zij ziet toe op de toepassing van zowel de bepalingen van de Grondwet als de
    bepalingen die de instellingen krachtens de Grondwet vaststellen. Onder de controle van het
    Hof van Justitie ziet zij toe op de toepassing van het recht van de Unie. Zij voert de begroting
    uit en beheert programma’s. Zij oefent onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden
    tevens coördinatie-, uitvoerings- en beheerstaken uit. Zij draagt zorg voor de externe
    vertegenwoordiging van de Unie, behalve wat betreft het gemeenschappelijk buitenlands en
    veiligheidsbeleid en in andere in de Grondwet genoemde gevallen. Zij neemt de initiatieven
    tot de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie met het oog op de
    totstandbrenging van interinstitutionele akkoorden.
    2. Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, kunnen wetgevingshandelingen van de Unie alleen
    op voorstel van de Europese Commissie worden vastgesteld. Andere handelingen worden op
    voorstel van de Commissie vastgesteld in de gevallen waarin de Grondwet daarin voorziet.
    CONV 850/03 21
    NL
    3. De Europese Commissie is een college dat bestaat uit een voorzitter, de minister van
    Buitenlandse Zaken van de Unie/vice-voorzitter en dertien Europese Commissarissen die
    volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid tussen de lidstaten worden gekozen. Dit
    systeem wordt door de Europese Raad bij Europees besluit vastgesteld op basis van de
    volgende beginselen:
    a) de lidstaten worden volstrekt gelijk behandeld wat betreft de bepaling van de volgorde
    en de ambtstermijn van hun onderdanen als leden van het college; derhalve kan het
    verschil tussen het totale aantal ambtstermijnen van onderdanen van twee willekeurige
    lidstaten nooit meer dan één bedragen;
    b) onverminderd punt a) weerspiegelt de samenstelling van het college te allen tijde in
    voldoende mate de demografische en geografische verscheidenheid van alle lidstaten
    van de Unie.
    De voorzitter van de Europese Commissie benoemt Commissarissen zonder stemrecht, die
    volgens dezelfde criteria worden gekozen als de gewone leden van het college en die
    afkomstig zijn uit alle andere lidstaten.
    Deze regeling wordt op 1 november 2009 van kracht.
    4. De Europese Commissie oefent haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. Bij
    de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de Europese Commissarissen en de
    Commissarissen instructies van enige regering of enig ander lichaam.
    5. De Europese Commissie legt als college verantwoording af aan het Europees Parlement. De
    voorzitter van de Commissie legt verantwoording af aan het Europees Parlement over de
    activiteiten van de Commissarissen. Het Europees Parlement kan volgens de procedure van
    artikel III-243 een motie van afkeuring betreffende de Commissie aannemen. Indien de motie
    wordt aangenomen, moeten de Europese Commissarissen en de Commissarissen gezamenlijk
    aftreden. De Commissie blijft de lopende zaken behartigen totdat een nieuw college is
    benoemd.
    CONV 850/03 22
    NL
    Artikel 26: De voorzitter van de Europese Commissie
    1. Rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadplegingen
    draagt, de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij het
    Europees Parlement een kandidaat voor het ambt van voorzitter van de Europese Commissie
    voor. Deze kandidaat wordt door het Europees Parlement bij meerderheid van stemmen van
    zijn leden gekozen. Indien de kandidaat geen meerderheid behaalt, draagt de Europese Raad
    binnen een maand volgens dezelfde procedure een nieuwe kandidaat bij het Europees
    Parlement voor.
    2. Iedere lidstaat die volgens het toerbeurtsysteem is aangewezen, stelt een lijst van drie
    personen op die hij geschikt acht voor het ambt van Europees Commissaris; in de lijst moeten
    beide geslachten vertegenwoordigd zijn. Door uit elk van deze lijsten een persoon te kiezen,
    wijst de verkozen voorzitter de dertien Europese Commissarissen aan, op grond van hun
    bekwaamheid, Europese inzet en waarborgen voor onafhankelijkheid. De voorzitter en de als
    leden van het college aangewezen personen, met inbegrip van de toekomstige minister van
    Buitenlandse zaken van de Unie, alsmede de als commissarissen zonder stemrecht
    aangewezen personen, worden collectief ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van
    het Europees Parlement. De ambtstermijn van de Commissie bedraagt vijf jaar.
    3. De voorzitter van de Europese Commissie:
    - stelt de richtsnoeren vast met inachtneming waarvan de Commissie haar opdracht
    vervult;
    - beslist over de interne organisatie van de Commissie, teneinde de samenhang, de doeltreffendheid
    en het collegiale karakter van haar optreden te waarborgen;
    - benoemt uit de leden van het college de vice-voorzitters.
    Een Europees Commissaris of een Commissaris dient zijn ontslag in indien de voorzitter hem
    daarom verzoekt.
    CONV 850/03 23
    NL
    Artikel 27: De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie
    1. Met instemming van de voorzitter van de Europese Commissie benoemt de Europese Raad
    met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de minister van Buitenlandse Zaken van de
    Unie. Deze voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. De
    Europese Raad kan zijn mandaat volgens dezelfde procedure beëindigen.
    2. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie draagt met zijn voorstellen bij tot de uitwerking
    van het gemeenschappelijk buitenlands beleid, dat hij als mandataris van de Raad
    van Ministers uitvoert. Hij handelt op dezelfde wijze ten aanzien van het gemeenschappelijk
    veiligheids- en defensiebeleid.
    3. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie is een van de vice-voorzitters van de
    Europese Commissie. Hij is belast met de externe betrekkingen en de coördinatie van de
    overige aspecten van het externe optreden van de Unie. Bij de uitoefening van zijn verantwoordelijkheden
    in de Commissie en alleen binnen het bestek daarvan, is de minister van
    Buitenlandse Zaken van de Unie onderworpen aan de procedures tot regeling van de werking
    van de Commissie.
    CONV 850/03 24
    NL
    Artikel 28: Het Hof van Justitie
    1. Het Hof van Justitie omvat het Europees Hof van Justitie, de Rechtbank van de Europese
    Unie en gespecialiseerde rechtbanken. Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de
    uitlegging en toepassing van de Grondwet.
    De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op het
    gebied van het recht van de Unie te waarborgen.
    2. Het Europees Hof van Justitie telt één rechter per lidstaat en wordt bijgestaan door advocatengeneraal.
    De Rechtbank van de Europese Unie telt ten minste één rechter per lidstaat. Het aantal
    rechters wordt in het Statuut van het Hof van Justitie bepaald.
    De rechters en de advocaten-generaal van het Europees Hof van Justitie en de rechters van de
    Rechtbank van de Europese Unie, die worden gekozen uit personen welke alle waarborgen
    voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van de artikelen III-260 en III-
    261, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar
    benoemd. Zij zijn herbenoembaar.
    3. Het Hof van Justitie:
    - doet uitspraak inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon
    ingesteld beroep overeenkomstig het bepaalde in Deel III;
    - geeft, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, prejudiciële beslissingen over
    de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van
    de instellingen;
    - doet uitspraak inzake andere in de Grondwet bepaalde gevallen.
    CONV 850/03 25
    NL
    Hoofdstuk II - Overige instellingen en organen
    Artikel 29: De Europese Centrale Bank
    1. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken vormen het Europees Stelsel van
    Centrale Banken. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten
    die de munt van de Unie, de euro, hebben aangenomen, voeren het monetair beleid van de
    Unie.
    2. Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt geleid door de besluitvormingsorganen van
    de Europese Centrale Bank. Het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken is
    het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit, ondersteunt het
    het algemene economische beleid in de Unie om zodoende bij te dragen tot de
    verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Het voert alle andere taken van een
    centrale bank uit, in overeenstemming met Deel III en de statuten van het Europees Stelsel
    van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.
    3. De Europese Centrale Bank is een instelling met rechtspersoonlijkheid. Zij heeft het alleenrecht
    machtiging te geven tot uitgifte van de euro. Zij is onafhankelijk, zowel bij de uitvoering
    van haar bevoegdheden als met betrekking tot haar financieel beleid. De instellingen en
    organen van de Unie en de regeringen van de lidstaten verbinden zich ertoe de
    onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank te eerbiedigen.
    4. De Europese Centrale Bank neemt alle maatregelen die nodig zijn om haar taken te vervullen
    in overeenstemming met de artikelen III-77 tot en met III-83 en artikel III-90 en onder de
    voorwaarden van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de
    Europese Centrale Bank. Overeenkomstig diezelfde bepalingen behouden niet tot de eurozone
    behorende landen en hun centrale banken hun bevoegdheden op monetair gebied.
    5. Op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, wordt de Europese Centrale Bank geraadpleegd
    over elk voorstel voor een handeling van de Unie, alsmede over elk ontwerp van
    regelgeving op nationaal niveau, en kan zij advies uitbrengen.
    CONV 850/03 26
    NL
    6. De besluitvormingsorganen van de Europese Centrale Bank, hun samenstelling en werkwijze
    functioneren worden omschreven in de artikelen III-84 tot en met III-87, alsmede in de
    statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.
    Artikel 30: De Rekenkamer
    1. De Rekenkamer is de instelling die de controle van de rekeningen verricht.
    2. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie en
    gaat na of een goed financieel beheer is gevoerd.
    3. In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer
    oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit.
    Artikel 31: De adviesorganen van de Unie
    1. Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie worden
    bijgestaan door een Comité van de Regio’s en een Economisch en Sociaal Comité, die een
    adviestaak hebben.
    2. Het Comité van de Regio’s bestaat uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen
    die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd
    zijn aan een gekozen vergadering.
    3. Het Economisch en Sociaal Comité bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties van
    werkgevers, werknemers en andere representanten van het maatschappelijk middenveld, met
    name sociaal-economische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties.
    4. De leden van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité mogen
    niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk
    uit in het algemeen belang van de Unie.
    CONV 850/03 27
    NL
    5. De regels betreffende de samenstelling van deze comités, de benoeming van hun leden, de
    bevoegdheden en de werking ervan worden vastgesteld in de artikelen III-292 tot en
    met III-298. De regels betreffende de samenstelling worden door de Raad van Ministers op
    voorstel van de Europese Commissie op gezette tijden opnieuw bezien, opdat zij in
    overeenstemming blijven met de economische, sociale en demografische ontwikkeling van de
    Unie.
    TITEL V: DE UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE
    Hoofdstuk I - Gemeenschappelijke bepalingen
    Artikel 32: De rechtshandelingen van de Unie
    1. De rechtshandelingen waarvan de Unie overeenkomstig de bepalingen van Deel III gebruik
    maakt bij de uitoefening van de haar in de Grondwet toegewezen bevoegdheden, zijn de
    Europese wet, de Europese kaderwet, de Europese verordening, het Europees besluit, aanbevelingen
    en adviezen.
    De Europese wet is een wetgevingshandeling van algemene strekking. Zij is verbindend in al
    haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in iedere lidstaat.
    De Europese kaderwet is een wetgevingshandeling die iedere lidstaat waartoe zij is gericht,
    bindt ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar die de bevoegdheid omtrent de keuze van
    vorm en middelen aan de nationale instanties overlaat.
    De Europese verordening is een handeling van algemene strekking, niet zijnde een wetgevingshandeling,
    ter uitvoering van een wetgevingshandeling of van bijzondere bepalingen
    van de Grondwet. Zij is ofwel verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in
    iedere lidstaat, ofwel bindend voor iedere lidstaat waartoe zij is gericht ten aanzien van het te
    bereiken resultaat, met dien verstande dat de bevoegdheid omtrent de keuze van vorm en
    middelen aan de nationale instanties wordt overgelaten.
    CONV 850/03 28
    NL
    Het Europees besluit is een handeling, niet zijnde een wetgevingshandeling, die verbindend is
    in al haar onderdelen. Het besluit is in voorkomend geval alleen verbindend voor degene tot
    wie het is gericht.
    De aanbevelingen en adviezen van de instellingen hebben geen bindende kracht.
    2. Indien bij het Europees Parlement en de Raad van Ministers een voorstel voor een wetgevingshandeling
    is ingediend, onthouden zij zich van het vaststellen van handelingen op het
    betrokken gebied waarin dit artikel niet voorziet.
    Artikel 33: De wetgevingshandelingen
    1. De Europese wetten en kaderwetten worden op voorstel van de Europese Commissie door het
    Europees Parlement en de Raad van Ministers gezamenlijk vastgesteld volgens de in
    artikel III-302 vastgelegde gewone wetgevingsprocedure. Indien deze twee instellingen geen
    overeenstemming bereiken, is de wetgevingshandeling niet vastgesteld.
    In de in artikel III-165 bepaalde specifieke gevallen kunnen de Europese wetten en kaderwetten
    op initiatief van een groep lidstaten worden vastgesteld volgens artikel III-302.
    2. In bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen worden de Europese wetten en kaderwetten
    volgens bijzondere wetgevingsprocedures vastgesteld door het Europees Parlement met
    deelname van de Raad van Ministers, dan wel door de Raad van Ministers met deelname van
    het Europees Parlement.
    CONV 850/03 29
    NL
    Artikel 34: Handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen
    1. De Raad van Ministers en de Europese Commissie stellen Europese verordeningen en
    Europese besluiten vast in de gevallen bedoeld in de artikelen 35 en 36, alsmede in de bij de
    Grondwet bepaalde specifieke gevallen. De Europese Raad stelt Europese besluiten vast in de
    bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen. De Europese Centrale Bank stelt Europese
    verordeningen en Europese besluiten vast in de gevallen waarin de Grondwet dit toestaat.
    2. De Raad van Ministers en de Europese Commissie, alsook de Europese Centrale Bank in de
    gevallen waarin de Grondwet haar daartoe de mogelijkheid biedt, stellen aanbevelingen vast.
    Artikel 35: Gedelegeerde verordeningen
    1. Bij Europese wet of kaderwet kan aan de Europese Commissie de bevoegdheid worden
    overgedragen gedelegeerde verordeningen uit te vaardigen ter aanvulling of wijziging van
    bepaalde niet-wezenlijke onderdelen van de Europese wet of kaderwet.
    De Europese wet of kaderwet omschrijft uitdrukkelijk de doelstellingen, de inhoud, de
    strekking en de duur van de delegatie. Essentiële beleidsonderdelen kunnen niet het voorwerp
    zijn van delegatie. Deze worden uitsluitend bij Europese wet of kaderwet geregeld.
    2. De Europese wet of kaderwet bepaalt uitdrukkelijk onder welke voorwaarden de delegatie
    wordt toegepast. Deze voorwaarden kunnen in de volgende mogelijkheden bestaan:
    - het Europees Parlement of de Raad van Ministers kan besluiten tot intrekking van de
    delegatie;
    CONV 850/03 30
    NL
    - de gedelegeerde verordening treedt niet in werking dan nadat het Europees Parlement of
    de Raad van Ministers geen bezwaar heeft aangetekend binnen de bij de Europese wet
    of kaderwet gestelde termijn.
    Voor de toepassing van de eerste alinea besluit het Europees Parlement met meerderheid van
    de stemmen van zijn leden en besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid
    van stemmen.
    Artikel 36: De uitvoeringshandelingen
    1. De lidstaten nemen alle maatregelen van intern recht die nodig zijn ter uitvoering van de
    juridisch bindende handelingen van de Unie.
    2. Indien het nodig is dat bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden
    worden uitgevoerd, kunnen bij die handelingen aan de Europese Commissie, of in naar
    behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij artikel 39 bepaalde gevallen aan de
    Raad van Ministers, uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.
    3. Bij Europese wet worden vooraf de voorschriften en algemene beginselen vastgelegd voor de
    wijze waarop de lidstaten toezicht uitoefenen op de uitvoeringshandelingen van de Unie.
    4. De uitvoeringshandelingen van de Unie hebben de vorm van een Europese uitvoeringsverordening
    of een Europees uitvoeringsbesluit.
    Artikel 37: Gemeenschappelijke beginselen betreffende de rechtshandelingen van de Unie
    1. Tenzij de Grondwet in een specifieke handeling voorziet, besluiten de instellingen, met
    inachtneming van de toepasselijke procedures, welk soort van handeling in elk afzonderlijk
    geval overeenkomstig het in artikel 9 neergelegde evenredigheidsbeginsel moet worden vastgesteld.
    2. De Europese wetten, de Europese kaderwetten, de Europese verordeningen en de Europese
    besluiten worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of de adviezen
    waarin de Grondwet voorziet.
    CONV 850/03 31
    NL
    Artikel 38: Bekendmaking en inwerkingtreding
    1. Europese wetten en kaderwetten die volgens de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld,
    worden door de voorzitter van het Europees Parlement en door de voorzitter van de
    Raad van Ministers ondertekend. In de overige gevallen worden zij door de voorzitter van het
    Europees Parlement of door de voorzitter van de Raad van Ministers ondertekend. De
    Europese wetten en kaderwetten worden in het Publicatieblad van de Europese Unie
    bekendgemaakt en treden in werking op de daarin bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan,
    op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.
    2. Europese verordeningen en Europese besluiten die geen adressaat vermelden of die tot alle
    lidstaten zijn gericht, worden ondertekend door de voorzitter van de instelling waardoor zij
    worden vastgesteld en in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Zij treden
    in werking op de daarin bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan, op de twintigste dag
    volgende op die van hun bekendmaking.
    3. Van de overige besluiten wordt kennisgegeven aan degenen tot wie zij zijn gericht. Zij
    worden door deze kennisgeving van kracht.
    Hoofdstuk II - Bijzondere bepalingen
    Artikel 39: Bijzondere bepalingen inzake de uitvoering van het gemeenschappelijk
    buitenlands en veiligheidsbeleid
    1. De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat berust op
    de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de vaststelling van
    aangelegenheden die van algemeen belang zijn en de totstandbrenging van een steeds
    toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten.
    CONV 850/03 32
    NL
    2. De Europese Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen
    van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad van
    Ministers gaat bij het opstellen van dit beleid te werk in het kader van de door de Europese
    Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en volgens het bepaalde in Deel III.
    3. De Europese Raad en de Raad van Ministers stellen de nodige Europese besluiten vast.
    4. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister
    van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de
    middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
    5. De lidstaten overleggen in de Europese Raad en in de Raad van Ministers over iedere
    aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid
    met het oog op het vaststellen van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt
    met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de Raad van Ministers alvorens internationaal
    op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen
    schaden. De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent
    optreden voor dat de Unie haar belangen en waarden op het internationale toneel kan doen
    gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.
    6. Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de
    fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,
    en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
    7. Europese besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
    worden door de Europese Raad en door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen
    vastgesteld, behalve in de in Deel III bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op voorstel van
    een lidstaat, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of van deze minister met
    steun van de Commissie. Europese wetten en kaderwetten zijn uitgesloten.
    8. De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad van Ministers
    ook in andere dan de in Deel III bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid besluit.
    CONV 850/03 33
    NL
    Artikel 40: Bijzondere bepalingen inzake de uitvoering van het gemeenschappelijk
    veiligheids- en defensiebeleid
    1. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid is een integrerend deel van het
    gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het voorziet de Unie van een
    operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt. De Unie kan deze
    gebruiken in het kader van buiten het grondgebied van de Unie uit te voeren missies met het
    oog op handhaving van de vrede, conflictpreventie en versterking van de internationale
    veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Bij de
    uitvoering van deze taken wordt gebruik gemaakt van de door de lidstaten beschikbaar te
    stellen vermogens.
    2. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid omvat de geleidelijke bepaling van een
    gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie. Dit zal tot een gemeenschappelijke defensie
    leiden zodra de Europese Raad met eenparigheid van stemmen daartoe besluit. In dat geval
    beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun
    onderscheiden grondwettelijke bepalingen.
    Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids-
    en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-
    Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke
    defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, en is
    verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.
    3. De lidstaten stellen civiele en militaire vermogens ter beschikking van de Unie voor de
    uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, om zodoende bij te
    dragen tot het bereiken van de door de Raad van Ministers bepaalde doelstellingen. De lidstaten
    die onderling multinationale strijdkrachten vormen, kunnen deze strijdkrachten tevens
    ter beschikking van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid stellen.
    CONV 850/03 34
    NL
    De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren. Er wordt
    een Europees Bureau voor bewapening, onderzoek en militaire vermogens opgericht, dat de
    operationele behoeften bepaalt, maatregelen bevordert om in die behoeften te voorzien,
    bijdraagt tot de vaststelling en, in voorkomend geval, tot de uitvoering van alle nuttige maatregelen
    om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken, deelneemt
    aan het bepalen van een Europees beleid inzake vermogens en bewapening, en de Raad
    van Ministers helpt de verbetering van de militaire vermogens te evalueren.
    4. Europese besluiten betreffende de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en
    defensiebeleid, waaronder begrepen het opzetten van een missie als bedoeld in dit artikel,
    worden op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of op voorstel van
    een lidstaat door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld. De
    minister van Buitenlandse Zaken van de Unie kan, in voorkomend geval samen met de
    Europese Commissie, voorstellen, gebruik te maken van nationale middelen en van
    instrumenten van de Unie.
    5. De Raad van Ministers kan de uitvoering van een taak in het kader van de Unie opdragen aan
    een groep lidstaten, teneinde de waarden van de Unie te beschermen en haar belangen te
    dienen. Voor de uitvoering van een dergelijke taak geldt het bepaalde in artikel III-211.
    6. De lidstaten waarvan de militaire vermogens voldoen aan hogere militaire criteria en die op
    dit gebied onderling verdergaande verbintenissen zijn aangegaan met het oog op de uitvoering
    van de meest veeleisende taken, stellen in het kader van de Unie een gestructureerde
    samenwerking in. Voor deze samenwerking geldt het bepaalde in artikel III-213.
    CONV 850/03 35
    NL
    7. Zolang de Europese Raad het besluit overeenkomstig lid 2 niet genomen heeft, wordt in het
    kader van de Unie een nauwere samenwerking op het gebied van de wederzijdse defensie
    ingesteld. Krachtens deze samenwerking verlenen, indien het grondgebied van een aan deze
    samenwerking deelnemende lidstaat gewapenderhand wordt aangevallen, de overige deelnemende
    staten deze lidstaat met alle militaire en andere middelen waarover zij beschikken
    hulp en bijstand overeenkomstig het bepaalde in artikel 51 van het Handvest van de
    Verenigde Naties. Bij de totstandbrenging van een hechtere samenwerking op het gebied van
    wederzijdse defensie werken de deelnemende lidstaten nauw samen met de Noord-Atlantische
    Verdragsorganisatie. De nadere bepalingen voor de deelneming en de werking, alsook de
    besluitvormingsprocedures, met betrekking tot deze samenwerking zijn in artikel III-214
    opgenomen.
    8. Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de
    fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,
    en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
    Artikel 41: Bijzondere bepalingen inzake de totstandbrenging van een ruimte van
    vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
    1. De Unie vormt een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid:
    - door de vaststelling van Europese wetten en kaderwetten waarmee, zonodig, de
    nationale wetgevingen op de in Deel III opgesomde gebieden onderling worden
    aangepast;
    - door het onderlinge vertrouwen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te
    bevorderen, met name op basis van de wederzijdse erkenning van gerechtelijke en
    buitengerechtelijke beslissingen;
    - door operationele samenwerking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met
    inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde diensten op het gebied van
    het voorkomen en opsporen van strafbare feiten.
    CONV 850/03 36
    NL
    2. In deze ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid kunnen de nationale parlementen
    deelnemen aan de evaluatiemechanismen van artikel III-161 en worden zij betrokken bij de
    politieke controle van Europol en bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust,
    overeenkomstig de artikelen III-177 en III-174.
    3. Op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken beschikken de lidstaten
    over een recht van initiatief overeenkomstig artikel III-165.
    Artikel 42: De solidariteitsclausule
    1. De Unie en de lidstaten treden solidair tezamen op indien een lidstaat slachtoffer is van een
    terreuraanslag, van een natuurramp of van een ramp veroorzaakt door menselijk optreden. De
    Unie maakt van alle tot haar beschikking staande instrumenten, waaronder de door de
    lidstaten ter beschikking gestelde militaire middelen, gebruik om:
    a) - de dreiging van het terrorisme op het grondgebied van de lidstaten te keren;
    - de democratische instellingen en de burgerbevolking tegen een eventuele
    terroristische aanval te beschermen;
    - op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied
    bijstand te verlenen in geval van een terroristische aanval;
    b) - op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied
    bijstand te verlenen in geval van een ramp.
    2. De nadere bijzonderheden betreffende de uitvoering van deze bepaling zijn opgenomen in
    artikel III-231.
    CONV 850/03 37
    NL
    Hoofdstuk III - Nauwere samenwerking
    Artikel 43: Nauwere samenwerking
    1. De lidstaten die onderling nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van de
    niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie, kunnen gebruik maken van de instellingen van de
    Unie en die bevoegdheden uitoefenen op grond van de terzake geldende bepalingen van de
    Grondwet, binnen de grenzen van en in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel en in
    de artikelen III-322 tot en met III-329.
    Met nauwere samenwerking wordt beoogd de doelstellingen van de Unie te bevorderen, haar
    belangen te beschermen en haar integratieproces te versterken. Nauwere samenwerking staat
    open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan, en op ieder ander tijdstip,
    overeenkomstig artikel III-324.
    2. De machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan wordt in laatste instantie verleend door
    de Raad van Ministers, wanneer in de Raad van Ministers is vastgesteld dat de door de
    nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de
    Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt en mits door ten minste eenderde van de
    lidstaten aan de nauwere samenwerking wordt deelgenomen. De Raad van Ministers besluit
    volgens de procedure van artikel III-325.
    3. Alleen leden van de Raad van Ministers die aan een nauwere samenwerking deelnemende
    staten vertegenwoordigen, nemen deel aan de vaststelling van handelingen. Alle lidstaten
    kunnen evenwel deelnemen aan de beraadslagingen van de Raad van Ministers.
    Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de
    deelnemende staten gevormd. Een gekwalificeerde meerderheid wordt gevormd door de
    meerderheid van de vertegenwoordigers van de deelnemende staten die ten minste drievijfde
    van de bevolking van die staten vertegenwoordigt. Indien de Grondwet niet voorschrijft dat de
    Raad van Ministers op basis van een voorstel van de Europese Commissie of op initiatief van
    de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie handelt, wordt de vereiste gekwalificeerde
    meerderheid gevormd door tweederde van de deelnemende staten, die ten minste drievijfde
    van de bevolking van die staten vertegenwoordigt.
    CO




0.7102 // 32