Grondwet Voor Europa
Download This Document (.pdf)
-
GRONDWET
VOOR EUROPA
Bij consensus aangenomen door de Europese Conventie
op 13 juni en 10 juli 2003
VOORGELEGD AAN DE
VOORZITTER VAN DE EUROPESE RAAD
TE ROME
─ 18 juli 2003 ─
CONV 850/03 iii
NL
VOORWOORD
bij de Delen I en II van het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa,
voorgelegd aan de Europese Raad, op 20 juni 2003 te Thessaloniki bijeen.
CONV 850/03 1
NL
VOORWOORD
De Europese Raad heeft in zijn bijeenkomst op 14 en 15 december 2001 te Laken, in België,
geconstateerd dat de Europese Unie voor een beslissend moment in haar bestaan stond, en de
Europese Conventie over de toekomst van Europa bijeengeroepen.
Deze Conventie werd opgedragen voorstellen te formuleren over drie thema’s: de burgers dichter bij
het Europese project en de Europese instellingen brengen; structuur geven aan het politieke leven en
de Europese politieke ruimte in een uitgebreide Unie; de Unie tot een stabiliserende factor en een
lichtbaken in de nieuwe wereldorde maken.
De Conventie heeft antwoorden geformuleerd op de vragen die in de Verklaring van Laken zijn
gesteld:
- zij stelt een betere verdeling van de bevoegdheden van de Unie en haar lidstaten voor;
- zij beveelt samenvoeging van de verdragen en toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de
Unie aan;
- zij geeft aan op welke wijze de instrumenten voor het optreden van de Unie kunnen worden
vereenvoudigd;
- zij stelt maatregelen voor om de democratie, de transparantie en de doeltreffendheid van de
Europese Unie te vergroten door de bijdrage van de nationale parlementen tot de legitimiteit
van het Europese project te ontwikkelen, door het besluitvormingsproces te vereenvoudigen
en door de werking van de Europese instellingen transparanter en inzichtelijker te maken;
- zij geeft aan welke maatregelen nodig zijn om de structuur te verbeteren en de rol te
versterken van elk van de drie instellingen van de Unie, onder inachtneming van, met name,
de gevolgen van de uitbreiding.
CONV 850/03 2
NL
In de Verklaring van Laken is de vraag opgeworpen of de vereenvoudiging en de herschikking van
de verdragen niet moeten leiden tot de aanneming van een constitutionele tekst. De besprekingen
van de Conventie zijn inderdaad uitgemond in de opstelling van een ontwerp-verdrag tot vaststelling
van een Grondwet voor Europa waarover tijdens de plenaire zitting van 13 juni 2003 een
brede consensus werd bereikt.
Die tekst leggen we heden, op 20 juni 2003, te Thessaloniki namens de Europese Conventie aan de
Europese Raad voor, daarbij de wens uitsprekend dat hij als grondslag dient voor een toekomstig
verdrag tot vaststelling van de Europese grondwet.
Valéry Giscard d’Estaing
Voorzitter
Giuliano Amato Jean-Luc Dehaene
Vice-voorzitter Vice-voorzitter
CONV 850/03 3
NL
Ontwerp-
VERDRAG TOT VASTSTELLING VAN EEN GRONDWET VOOR EUROPA
PREAMBULE
Xρώµεθα γάρ πολιτεία ... καί όνοµα µέν διά τό µή ές ολίγους áλλ. ές πλείονας οικεĩν δηµοκρατία
κέκληται ...
[Onze constitutie ... wordt democratisch genoemd, omdat de macht niet in handen is van een
minderheid, maar van de grootst mogelijke meerderheid.]
Thucydides II, 37
In het besef dat Europa als werelddeel een bakermat van de beschaving is; dat zijn inwoners, die
zich hier sedert mensenheugenis golfsgewijs gevestigd hebben, geleidelijk de waarden hebben
ontwikkeld die ten grondslag liggen aan het humanisme: gelijkheid van alle mensen, vrijheid en
eerbied voor de rede,
Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, waarvan de
waarden, die immer deel hebben uitgemaakt van zijn erfgoed, de centrale rol van de mens en zijn
onschendbare en onvervreemdbare rechten, alsmede de eerbiediging van het recht, in de
samenleving hebben verankerd,
In de overtuiging dat het voortaan verenigde Europa op de ingeslagen weg van beschaving, vooruitgang
en welvaart wil voortgaan, ten profijte van al zijn bewoners, ook van de meest kwetsbaren en
de meest behoeftigen; dat Europa een werelddeel wil blijven dat openstaat voor cultuur, kennis en
maatschappelijke vooruitgang; en dat Europa het democratische en transparante karakter van zijn
openbare leven wil verdiepen en zich wil beijveren voor vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de
wereld,
In het vertrouwen dat de volkeren van Europa, ook al zijn zij trots op hun identiteit en hun nationale
geschiedenis, vastbesloten zijn hun oude tegenstellingen te overwinnen, en, steeds hechter verenigd,
vorm te geven aan hun gemeenschappelijke lotsbestemming,
CONV 850/03 4
NL
Er vast van overtuigd dat Europa, verenigd in zijn verscheidenheid, hun de beste kansen biedt om,
onder eerbiediging van eenieders rechten en in het besef van de verantwoordelijkheden jegens de
toekomstige generaties en de aarde, voort te gaan met de grootse onderneming van Europa bij
uitstek een ruimte maakt waar de mensen gestalte kunnen geven aan hun aspiraties,
Erkentelijk jegens de leden van de Europese Conventie, omdat zij namens de burgers en de staten
van Europa deze Grondwet hebben opgesteld,
[die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, als volgt zijn
overeengekomen:]
CONV 850/03 5
NL
DEEL I
TITEL I: DEFINITIE EN DOELSTELLINGEN VAN DE UNIE
Artikel 1: Instelling van de Unie
1. Bij deze Grondwet, die geïnspireerd wordt door de wil van de burgers en de staten van Europa
om hun gemeenschappelijke toekomst op te bouwen, wordt een Unie ingesteld waaraan de
lidstaten bevoegdheden verlenen om hun gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken. De
Unie coördineert het beleid van de lidstaten dat gericht is op het bereiken van die doelstellingen
en oefent op communautaire wijze de bevoegdheden uit die de lidstaten aan haar
overdragen.
2. De Unie staat open voor alle Europese staten die haar waarden eerbiedigen en zich ertoe
verbinden deze gezamenlijk te bevorderen.
Artikel 2: De waarden van de Unie
De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid,
democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. Deze waarden hebben
de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, verdraagzaamheid,
rechtvaardigheid, solidariteit en door het verbod van discriminatie.
CONV 850/03 6
NL
Artikel 3: De doelstellingen van de Unie
1. De Unie stelt zich ten doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te
bevorderen.
2. De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zonder
binnengrenzen, en een interne markt waar de mededinging vrij en onvervalst is.
3. De Unie zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige
economische groei, van een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen
die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een
hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie
bevordert wetenschappelijke en technische vooruitgang.
De Unie bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie, en bevordert sociale rechtvaardigheid en
bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de solidariteit tussen generaties en de
bescherming van de rechten van het kind.
De Unie bevordert de economische, sociale en territoriale samenhang, en de solidariteit tussen
de lidstaten.
De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding
en de ontwikkeling van het Europees cultureel erfgoed.
4. In haar betrekkingen met de wereld buiten haar grenzen handhaaft en bevordert de Unie haar
waarden en belangen. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van
de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke
handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder
de rechten van kinderen, alsook tot de strikte nakoming en ontwikkeling van het internationaal
recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de
Verenigde Naties.
5. Deze doelstellingen worden nagestreefd met passende middelen, afhankelijk van de bevoegdheden
die daartoe in de Grondwet aan de Unie zijn toegewezen.
CONV 850/03 7
NL
Artikel 4: Fundamentele vrijheden en het verbod van discriminatie
1. De Unie verzekert overeenkomstig de bepalingen van de Grondwet binnen haar grenzen het
vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, en de vrijheid van vestiging.
2. Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet is, onverminderd de bijzondere bepalingen
ervan, iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
Artikel 5: De betrekkingen tussen de Unie en de lidstaten
1. De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten, die besloten ligt in hun fundamentele
politieke en grondwettelijke structuren, waaronder die voor regionaal en lokaal
zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met inbegrip van de verdediging van de
territoriale integriteit, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse
veiligheid.
2. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en
steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Grondwet voortvloeien.
De lidstaten dragen ertoe bij dat de Unie haar taak kan vervullen en onthouden zich van alle
maatregelen die de verwezenlijking van de in de Grondwet genoemde doelstellingen in gevaar
kunnen brengen.
Artikel 6: Rechtspersoonlijkheid
De Unie bezit rechtspersoonlijkheid.
CONV 850/03 8
NL
TITEL II: DE GRONDRECHTEN EN HET BURGERSCHAP VAN DE UNIE
Artikel 7: De grondrechten
1. De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de
grondrechten van de Unie, dat Deel II van de Grondwet vormt.
2. De Unie streeft naar toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden. Toetreding laat de bevoegdheden van de Unie, zoals
in de Grondwet omschreven, onveranderd.
3. De grondrechten, die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en die voortvloeien uit de
gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maken als algemene beginselen
deel uit van het recht van de Unie.
Artikel 8: Het burgerschap van de Unie
1. Eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, is burger van de Unie. Het burgerschap van
de Unie staat naast het nationale burgerschap en treedt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die in de Grondwet zijn
neergelegd. Zij hebben:
- het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te
verblijven;
- het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de
gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden
als de onderdanen van die staat;
CONV 850/03 9
NL
- het recht om op het grondgebied van een derde land waar de lidstaat waarvan zij onderdaan
zijn, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire
instanties van iedere andere lidstaat te genieten onder dezelfde voorwaarden als de
onderdanen van die lidstaat;
- het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de
Europese ombudsman te wenden, alsook de instellingen en de adviesorganen van de
Unie in een van de officiële talen van de Grondwet aan te schrijven en in die taal
antwoord te krijgen.
3. Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de
Grondwet en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
TITEL III: DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE
Artikel 9: Grondbeginselen
1. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van
bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door
de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
2. Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de
bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde
doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn
toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
3. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar
exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het
optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen
worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter
door de Unie kunnen worden bereikt.
CONV 850/03 10
NL
De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het aan de
Grondwet gehechte Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en
evenredigheid. De nationale parlementen zien erop toe dat het beginsel volgens de in dat
protocol vastgelegde procedure wordt geëerbiedigd
4. Krachtens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de
Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.
De instellingen passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het in lid 3 bedoelde
protocol.
Artikel 10: Het recht van de Unie
1. De Grondwet en het recht dat de instellingen van de Unie krachtens de haar toegedeelde
bevoegdheden vaststellen, hebben voorrang boven het recht van de lidstaten.
2. De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming
van de uit de Grondwet of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende
verplichtingen te verzekeren.
Artikel 11: De categorieën van bevoegdheden
1. In de gevallen waarin in de Grondwet op een bepaald gebied een exclusieve bevoegdheid aan
de Unie wordt toegedeeld, kan uitsluitend de Unie wetgevend optreden en juridisch bindende
handelingen vaststellen, en kunnen de lidstaten zulks uitsluitend zelf doen op grond van een
machtiging van de Unie of ter uitvoering van door de Unie vastgestelde handelingen.
CONV 850/03 11
NL
2. In de gevallen waarin in de Grondwet op een bepaald gebied een bevoegdheid aan de Unie
wordt toegedeeld die zij met de lidstaten deelt, zijn de Unie en de lidstaten beide bevoegd, op
dat gebied wetgevend op te treden en juridisch bindende handelingen vast te stellen. De
lidstaten oefenen hun bevoegdheid uit voorzover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend
of besloten heeft deze niet langer uit te oefenen.
3. De Unie is bevoegd om te zorgen voor de bevordering en de coördinatie van het economisch
beleid en het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.
4. De Unie is bevoegd om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en
te voeren, en in het kader daarvan geleidelijk een gemeenschappelijk defensiebeleid vast te
stellen.
5. Op bepaalde gebieden en onder de in de Grondwet gestelde voorwaarden is de Unie bevoegd
om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen, zonder
evenwel afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op die gebieden.
6. De omvang en de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie worden
bepaald door de specifieke bepalingen voor ieder gebied in Deel III.
Artikel 12: De exclusieve bevoegdheden
1. De Unie is exclusief bevoegd om de voor de werking van de interne markt noodzakelijke
mededingingsregels vast te stellen, en is voorts bevoegd op de volgende gebieden:
- het monetair beleid voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd,
- het gemeenschappelijk handelsbeleid,
- de douane-unie,
- de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk
visserijbeleid.
CONV 850/03 12
NL
2. De Unie is exclusief bevoegd, een internationale overeenkomst te sluiten indien een wetgevingshandeling
van de Unie in die sluiting voorziet, indien zulks noodzakelijk is om de Unie
in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen en indien zulks van invloed is op een
interne handeling van de Unie.
Artikel 13: De gedeelde-bevoegdheidsgebieden
1. De Unie heeft een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid in de gevallen waarin in de Grondwet
haar een bevoegdheid wordt toegedeeld die buiten de in de artikelen 12 en 16 bedoelde
gebieden valt.
2. De gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten betreffen de volgende hoofdgebieden:
- de interne markt,
- de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,
- landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biologische
rijkdommen van de zee,
- vervoer en trans-Europese netwerken,
- energie,
- het sociaal beleid, voor in Deel III omschreven aspecten,
- de economische, sociale en territoriale samenhang,
- het milieu,
- consumentenbescherming,
- gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid.
3. Op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimte-onderzoek is de Unie
bevoegd op te treden, met name programma’s vast te stellen en uit te voeren, zonder dat door de
uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten verhinderd wordt hun eigen bevoegdheid uit te
oefenen.
CONV 850/03 13
NL
4. Op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp is de Unie bevoegd op te
treden en een gemeenschappelijk beleid te voeren, zonder dat door de uitoefening van die
bevoegdheid de lidstaten wordt verhinderd hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.
Artikel 14: De coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid
1. De Unie stelt maatregelen vast om te zorgen voor de coördinatie van het economisch beleid van
de lidstaten, met name door de globale richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen. De lidstaten
coördineren hun economisch beleid binnen de Unie.
2. Voor de lidstaten die de euro hebben ingevoerd, gelden specifieke bepalingen.
3. De Unie stelt maatregelen vast om te zorgen voor de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid
van de lidstaten, met name door de richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen.
4. De Unie kan initiatieven nemen om te zorgen voor de coördinatie van het sociaal beleid van de
lidstaten.
Artikel 15: Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
1. De bevoegdheid van de Unie met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
bestrijkt alle gebieden van het buitenlands beleid en alle vraagstukken die verband
houden met de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een
gemeenschappelijk defensiebeleid dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie.
2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en
onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de
Unie en eerbiedigen de handelingen die de Unie op dat gebied vaststelt. Zij onthouden zich
van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen
doen aan de doeltreffendheid ervan.
CONV 850/03 14
NL
Artikel 16: De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden
1. De Unie kan ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden.
2. De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden zijn, wat hun
Europese dimensie betreft:
- industrie,
- bescherming en verbetering van de volksgezondheid,
- onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport,
- cultuur,
- civiele bescherming.
3. De door de Unie op grond van de specifieke bepalingen betreffende deze gebieden in Deel III
vastgestelde juridisch bindende handelingen kunnen generlei harmonisatie van de wettelijke
of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden.
Artikel 17: Flexibiliteit
1. Indien een optreden van de Unie in het kader van de in Deel III omschreven beleidsgebieden
nodig blijkt om een van de in de Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezenlijken zonder
dat de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad van Ministers,
op voorstel van de Europese Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, met
eenparigheid van stemmen de passende maatregelen.
2. In het kader van de in artikel 9, lid 3, bedoelde procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel
vestigt de Europese Commissie de aandacht van de nationale parlementen van de
lidstaten op de voorstellen die op het onderhavige artikel gebaseerd zijn.
3. De op grond van het onderhavige artikel vastgestelde bepalingen mogen geen harmonisatie van
de wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten inhouden in gevallen waarin de
Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.
CONV 850/03 15
NL
TITEL IV: DE INSTELLINGEN VAN DE UNIE
Hoofdstuk I: Het institutioneel kader
Artikel 18: De instellingen van de Unie
1. De Unie beschikt over één enkel institutioneel kader, dat ertoe strekt:
- de doelstellingen van de Unie na te streven,
- de waarden van de Unie te bevorderen,
- de belangen van de Unie, van haar burgers en van haar lidstaten te dienen,
en de samenhang, de doeltreffendheid en de continuïteit van het beleid en van het optreden
van de Unie, dat gericht is op het verwezenlijken van haar doelstellingen, te verzekeren.
2. Dit institutioneel kader omvat:
het Europees Parlement,
de Europese Raad,
de Raad van Ministers,
de Europese Commissie,
het Hof van Justitie.
3. Elke instelling handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de Grondwet
zijn toegekend, volgens de procedures en de voorwaarden die daarin zijn omschreven. De
instellingen werken onderling loyaal samen.
Artikel 19: Het Europees Parlement
1. Het Europees Parlement oefent samen met de Raad van Ministers onder de in de Grondwet
vastgelegde voorwaarden de wetgevings- en de begrotingstaak uit, alsmede de politieke
controle- en raadgevingstaken. Het Parlement kiest de voorzitter van de Europese Commissie.
CONV 850/03 16
NL
2. Het Europees Parlement wordt door de Europese burgers voor een periode van vijf jaar
gekozen door middel van rechtstreekse, algemene, vrije en geheime verkiezingen. Het aantal
leden bedraagt niet meer dan zevenhonderdzesendertig. De Europese burgers zijn degressief
evenredig vertegenwoordigd, met een minimum van vier leden van het Europees Parlement
per lidstaat.
Lang genoeg voor de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 en vervolgens voor
volgende verkiezingen naargelang van de behoefte stelt de Europese Raad met eenparigheid
van stemmen op voorstel van en na goedkeuring door het Europees Parlement een besluit vast
inzake de samenstelling van het Europees Parlement, met inachtneming van de hiervoor
vermelde beginselen.
3. Het Europees Parlement kiest uit zijn leden de voorzitter en het bureau.
Artikel 20: De Europese Raad
1. De Europese Raad geeft aan de Unie de voor haar ontwikkeling nodige impulsen en stelt haar
algemene politieke richtsnoeren en prioriteiten vast. Hij oefent geen wetgevingstaken uit.
2. De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden of regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter
en de voorzitter van de Europese Commissie. De minister van Buitenlandse Zaken van
de Unie neemt deel aan de besprekingen.
3. De Europese Raad komt elk kwartaal na een convocatie door zijn voorzitter bijeen. Indien de
agenda zulks vereist, kunnen de leden van de Europese Raad besluiten zich te laten bijstaan
door een minister en, wat de voorzitter van de Europese Commissie betreft, door een
Europese Commissaris. Indien de situatie zulks vereist, roept de voorzitter een buitengewone
bijeenkomst van de Europese Raad bijeen.
4. Voorzover in de Grondwet niet anders is bepaald, spreekt de Europese Raad zich bij
consensus uit.
CONV 850/03 17
NL
Artikel 21: De voorzitter van de Europese Raad
1. De Europese Raad kiest met gekwalificeerde meerderheid van stemmen zijn voorzitter voor
een periode van tweeëneenhalf jaar. De voorzitter is eenmaal herkiesbaar. Indien de voorzitter
verhinderd is of ernstig tekortschiet, kan de Europese Raad volgens dezelfde procedure een
einde maken aan zijn mandaat.
2. De voorzitter van de Europese Raad:
- leidt en stimuleert de besprekingen van de Europese Raad;
- zorgt, in samenwerking met de voorzitter van de Europese Commissie en op basis van
de besprekingen van de Raad Algemene Zaken, voor de voorbereiding en de continuïteit
van de besprekingen van de Europese Raad;
- streeft ernaar, de samenhang en de consensus binnen de Europese Raad te bevorderen;
- legt na afloop van iedere bijeenkomst van de Europese Raad een verslag voor aan het
Europees Parlement.
De voorzitter van de Europese Raad zorgt op zijn niveau en in die hoedanigheid voor de
externe vertegenwoordiging van de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk
buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, onverminderd de verantwoordelijkheden van de
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
3. De voorzitter van de Europese Raad kan geen nationaal mandaat uitoefenen.
Artikel 22: De Raad van Ministers
1. De Raad van Ministers oefent samen met het Europees Parlement onder de in de Grondwet
vastgelegde voorwaarden de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit, alsmede
beleidsbepalende en coördinerende taken.
2. De Raad van Ministers bestaat voor iedere Raadsformatie uit een vertegenwoordiger van
iedere lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat welke hij
vertegenwoordigt, te binden en het stemrecht uit te oefenen.
3. Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen.
CONV 850/03 18
NL
Artikel 23: De formaties van de Raad van Ministers
1. De Raad Wetgeving en Algemene Zaken zorgt voor de samenhang van de besprekingen van
de Raad van Ministers.
Wanneer de Raad van Ministers in zijn hoedanigheid van Raad Algemene Zaken handelt,
verzorgt hij samen met de Europese Commissie de voorbereiding en de voortgangsbewaking
van de bijeenkomsten van de Europese Raad.
Wanneer de Raad van Ministers in zijn hoedanigheid van wetgever handelt, beraadslaagt hij
en vaardigt hij samen met het Europees Parlement, conform de bepalingen van de Grondwet,
de Europese wetten en de Europese kaderwetten uit. Wanneer hij in deze hoedanigheid
handelt, wordt iedere lidstaat vertegenwoordigd door één of twee andere vertegenwoordigers
op ministerieel niveau die voor de agenda terzake bevoegd zijn.
2. De Raad Buitenlandse Zaken werkt het extern beleid van de Unie uit volgens de door de
Europese Raad bepaalde strategische lijnen en zorgt voor de samenhang in het optreden van
de Unie. Hij wordt voorgezeten door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
3. De Europese Raad stelt een Europees besluit vast over de andere formaties waarin de Raad
van Ministers bijeen kan komen.
4. Het voorzitterschap van de andere formaties van de Raad van Ministers dan de formatie
Buitenlandse Zaken wordt volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid gedurende
perioden van ten minste één jaar uitgeoefend door de vertegenwoordigers van de lidstaten in
de Raad van Ministers. De Europese Raad stelt een Europees besluit betreffende de regels
voor dit toerbeurtsysteem vast, rekening houdend met het Europese politieke en geografische
evenwicht en de verscheidenheid van de lidstaten.
CONV 850/03 19
NL
Artikel 24: De gekwalificeerde meerderheid van stemmen
1. Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en in de Raad van
Ministers wordt verstaan, de meerderheid van de lidstaten welke tevens ten minste drievijfde
van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt.
2. Indien de Grondwet niet vereist dat de Europese Raad of de Raad van Ministers op basis van
een voorstel van de Europese Commissie besluit, of indien de Europese Raad of de Raad van
Ministers niet besluit op initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie,
bestaat de vereiste gekwalificeerde meerderheid uit tweederde van de lidstaten, welke ten
minste drievijfde van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt.
3. De bepalingen van de leden 1 en 2 worden op 1 november 2009 van kracht, nadat
overeenkomstig artikel 19 de verkiezingen voor het Europees Parlement hebben
plaatsgevonden.
4. Met betrekking tot de gevallen waarin volgens Deel III Europese wetten en Europese
kaderwetten door de Raad van Ministers volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden
vastgesteld, kan de Europese Raad op eigen initiatief, en met eenparigheid van stemmen, na
een termijn van behandeling van ten minste zes maanden bij Europees besluit bepalen dat de
Europese wetten of kaderwetten volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen worden
vastgesteld. De Europese Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement en na
informatie van de nationale parlementen te hebben verkregen.
CONV 850/03 20
NL
Met betrekking tot de gebieden waarop volgens Deel III de Raad van Ministers met eenparigheid
van stemmen besluit, kan de Europese Raad op eigen initiatief, en met eenparigheid
van stemmen, bij Europees besluit bepalen dat de Raad van Ministers met gekwalificeerde
meerderheid kan besluiten. Ieder initiatief van de Europese Raad op grond van deze alinea
wordt ten minste vier maanden voordat een beslissing wordt genomen, aan de nationale
parlementen toegezonden.
5. In de Europese Raad nemen de voorzitter en de voorzitter van de Europese Commissie niet
deel aan de stemming.
Artikel 25: De Europese Commissie
1. De Europese Commissie bevordert het Europese algemeen belang en neemt daartoe passende
initiatieven. Zij ziet toe op de toepassing van zowel de bepalingen van de Grondwet als de
bepalingen die de instellingen krachtens de Grondwet vaststellen. Onder de controle van het
Hof van Justitie ziet zij toe op de toepassing van het recht van de Unie. Zij voert de begroting
uit en beheert programma’s. Zij oefent onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden
tevens coördinatie-, uitvoerings- en beheerstaken uit. Zij draagt zorg voor de externe
vertegenwoordiging van de Unie, behalve wat betreft het gemeenschappelijk buitenlands en
veiligheidsbeleid en in andere in de Grondwet genoemde gevallen. Zij neemt de initiatieven
tot de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie met het oog op de
totstandbrenging van interinstitutionele akkoorden.
2. Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, kunnen wetgevingshandelingen van de Unie alleen
op voorstel van de Europese Commissie worden vastgesteld. Andere handelingen worden op
voorstel van de Commissie vastgesteld in de gevallen waarin de Grondwet daarin voorziet.
CONV 850/03 21
NL
3. De Europese Commissie is een college dat bestaat uit een voorzitter, de minister van
Buitenlandse Zaken van de Unie/vice-voorzitter en dertien Europese Commissarissen die
volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid tussen de lidstaten worden gekozen. Dit
systeem wordt door de Europese Raad bij Europees besluit vastgesteld op basis van de
volgende beginselen:
a) de lidstaten worden volstrekt gelijk behandeld wat betreft de bepaling van de volgorde
en de ambtstermijn van hun onderdanen als leden van het college; derhalve kan het
verschil tussen het totale aantal ambtstermijnen van onderdanen van twee willekeurige
lidstaten nooit meer dan één bedragen;
b) onverminderd punt a) weerspiegelt de samenstelling van het college te allen tijde in
voldoende mate de demografische en geografische verscheidenheid van alle lidstaten
van de Unie.
De voorzitter van de Europese Commissie benoemt Commissarissen zonder stemrecht, die
volgens dezelfde criteria worden gekozen als de gewone leden van het college en die
afkomstig zijn uit alle andere lidstaten.
Deze regeling wordt op 1 november 2009 van kracht.
4. De Europese Commissie oefent haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. Bij
de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de Europese Commissarissen en de
Commissarissen instructies van enige regering of enig ander lichaam.
5. De Europese Commissie legt als college verantwoording af aan het Europees Parlement. De
voorzitter van de Commissie legt verantwoording af aan het Europees Parlement over de
activiteiten van de Commissarissen. Het Europees Parlement kan volgens de procedure van
artikel III-243 een motie van afkeuring betreffende de Commissie aannemen. Indien de motie
wordt aangenomen, moeten de Europese Commissarissen en de Commissarissen gezamenlijk
aftreden. De Commissie blijft de lopende zaken behartigen totdat een nieuw college is
benoemd.
CONV 850/03 22
NL
Artikel 26: De voorzitter van de Europese Commissie
1. Rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadplegingen
draagt, de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij het
Europees Parlement een kandidaat voor het ambt van voorzitter van de Europese Commissie
voor. Deze kandidaat wordt door het Europees Parlement bij meerderheid van stemmen van
zijn leden gekozen. Indien de kandidaat geen meerderheid behaalt, draagt de Europese Raad
binnen een maand volgens dezelfde procedure een nieuwe kandidaat bij het Europees
Parlement voor.
2. Iedere lidstaat die volgens het toerbeurtsysteem is aangewezen, stelt een lijst van drie
personen op die hij geschikt acht voor het ambt van Europees Commissaris; in de lijst moeten
beide geslachten vertegenwoordigd zijn. Door uit elk van deze lijsten een persoon te kiezen,
wijst de verkozen voorzitter de dertien Europese Commissarissen aan, op grond van hun
bekwaamheid, Europese inzet en waarborgen voor onafhankelijkheid. De voorzitter en de als
leden van het college aangewezen personen, met inbegrip van de toekomstige minister van
Buitenlandse zaken van de Unie, alsmede de als commissarissen zonder stemrecht
aangewezen personen, worden collectief ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van
het Europees Parlement. De ambtstermijn van de Commissie bedraagt vijf jaar.
3. De voorzitter van de Europese Commissie:
- stelt de richtsnoeren vast met inachtneming waarvan de Commissie haar opdracht
vervult;
- beslist over de interne organisatie van de Commissie, teneinde de samenhang, de doeltreffendheid
en het collegiale karakter van haar optreden te waarborgen;
- benoemt uit de leden van het college de vice-voorzitters.
Een Europees Commissaris of een Commissaris dient zijn ontslag in indien de voorzitter hem
daarom verzoekt.
CONV 850/03 23
NL
Artikel 27: De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie
1. Met instemming van de voorzitter van de Europese Commissie benoemt de Europese Raad
met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de minister van Buitenlandse Zaken van de
Unie. Deze voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. De
Europese Raad kan zijn mandaat volgens dezelfde procedure beëindigen.
2. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie draagt met zijn voorstellen bij tot de uitwerking
van het gemeenschappelijk buitenlands beleid, dat hij als mandataris van de Raad
van Ministers uitvoert. Hij handelt op dezelfde wijze ten aanzien van het gemeenschappelijk
veiligheids- en defensiebeleid.
3. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie is een van de vice-voorzitters van de
Europese Commissie. Hij is belast met de externe betrekkingen en de coördinatie van de
overige aspecten van het externe optreden van de Unie. Bij de uitoefening van zijn verantwoordelijkheden
in de Commissie en alleen binnen het bestek daarvan, is de minister van
Buitenlandse Zaken van de Unie onderworpen aan de procedures tot regeling van de werking
van de Commissie.
CONV 850/03 24
NL
Artikel 28: Het Hof van Justitie
1. Het Hof van Justitie omvat het Europees Hof van Justitie, de Rechtbank van de Europese
Unie en gespecialiseerde rechtbanken. Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de
uitlegging en toepassing van de Grondwet.
De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op het
gebied van het recht van de Unie te waarborgen.
2. Het Europees Hof van Justitie telt één rechter per lidstaat en wordt bijgestaan door advocatengeneraal.
De Rechtbank van de Europese Unie telt ten minste één rechter per lidstaat. Het aantal
rechters wordt in het Statuut van het Hof van Justitie bepaald.
De rechters en de advocaten-generaal van het Europees Hof van Justitie en de rechters van de
Rechtbank van de Europese Unie, die worden gekozen uit personen welke alle waarborgen
voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van de artikelen III-260 en III-
261, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar
benoemd. Zij zijn herbenoembaar.
3. Het Hof van Justitie:
- doet uitspraak inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon
ingesteld beroep overeenkomstig het bepaalde in Deel III;
- geeft, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, prejudiciële beslissingen over
de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van
de instellingen;
- doet uitspraak inzake andere in de Grondwet bepaalde gevallen.
CONV 850/03 25
NL
Hoofdstuk II - Overige instellingen en organen
Artikel 29: De Europese Centrale Bank
1. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken vormen het Europees Stelsel van
Centrale Banken. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten
die de munt van de Unie, de euro, hebben aangenomen, voeren het monetair beleid van de
Unie.
2. Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt geleid door de besluitvormingsorganen van
de Europese Centrale Bank. Het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken is
het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit, ondersteunt het
het algemene economische beleid in de Unie om zodoende bij te dragen tot de
verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Het voert alle andere taken van een
centrale bank uit, in overeenstemming met Deel III en de statuten van het Europees Stelsel
van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.
3. De Europese Centrale Bank is een instelling met rechtspersoonlijkheid. Zij heeft het alleenrecht
machtiging te geven tot uitgifte van de euro. Zij is onafhankelijk, zowel bij de uitvoering
van haar bevoegdheden als met betrekking tot haar financieel beleid. De instellingen en
organen van de Unie en de regeringen van de lidstaten verbinden zich ertoe de
onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank te eerbiedigen.
4. De Europese Centrale Bank neemt alle maatregelen die nodig zijn om haar taken te vervullen
in overeenstemming met de artikelen III-77 tot en met III-83 en artikel III-90 en onder de
voorwaarden van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de
Europese Centrale Bank. Overeenkomstig diezelfde bepalingen behouden niet tot de eurozone
behorende landen en hun centrale banken hun bevoegdheden op monetair gebied.
5. Op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, wordt de Europese Centrale Bank geraadpleegd
over elk voorstel voor een handeling van de Unie, alsmede over elk ontwerp van
regelgeving op nationaal niveau, en kan zij advies uitbrengen.
CONV 850/03 26
NL
6. De besluitvormingsorganen van de Europese Centrale Bank, hun samenstelling en werkwijze
functioneren worden omschreven in de artikelen III-84 tot en met III-87, alsmede in de
statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.
Artikel 30: De Rekenkamer
1. De Rekenkamer is de instelling die de controle van de rekeningen verricht.
2. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie en
gaat na of een goed financieel beheer is gevoerd.
3. In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer
oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit.
Artikel 31: De adviesorganen van de Unie
1. Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie worden
bijgestaan door een Comité van de Regio’s en een Economisch en Sociaal Comité, die een
adviestaak hebben.
2. Het Comité van de Regio’s bestaat uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen
die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd
zijn aan een gekozen vergadering.
3. Het Economisch en Sociaal Comité bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties van
werkgevers, werknemers en andere representanten van het maatschappelijk middenveld, met
name sociaal-economische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties.
4. De leden van het Comité van de Regio’s en van het Economisch en Sociaal Comité mogen
niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk
uit in het algemeen belang van de Unie.
CONV 850/03 27
NL
5. De regels betreffende de samenstelling van deze comités, de benoeming van hun leden, de
bevoegdheden en de werking ervan worden vastgesteld in de artikelen III-292 tot en
met III-298. De regels betreffende de samenstelling worden door de Raad van Ministers op
voorstel van de Europese Commissie op gezette tijden opnieuw bezien, opdat zij in
overeenstemming blijven met de economische, sociale en demografische ontwikkeling van de
Unie.
TITEL V: DE UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE
Hoofdstuk I - Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 32: De rechtshandelingen van de Unie
1. De rechtshandelingen waarvan de Unie overeenkomstig de bepalingen van Deel III gebruik
maakt bij de uitoefening van de haar in de Grondwet toegewezen bevoegdheden, zijn de
Europese wet, de Europese kaderwet, de Europese verordening, het Europees besluit, aanbevelingen
en adviezen.
De Europese wet is een wetgevingshandeling van algemene strekking. Zij is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in iedere lidstaat.
De Europese kaderwet is een wetgevingshandeling die iedere lidstaat waartoe zij is gericht,
bindt ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar die de bevoegdheid omtrent de keuze van
vorm en middelen aan de nationale instanties overlaat.
De Europese verordening is een handeling van algemene strekking, niet zijnde een wetgevingshandeling,
ter uitvoering van een wetgevingshandeling of van bijzondere bepalingen
van de Grondwet. Zij is ofwel verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in
iedere lidstaat, ofwel bindend voor iedere lidstaat waartoe zij is gericht ten aanzien van het te
bereiken resultaat, met dien verstande dat de bevoegdheid omtrent de keuze van vorm en
middelen aan de nationale instanties wordt overgelaten.
CONV 850/03 28
NL
Het Europees besluit is een handeling, niet zijnde een wetgevingshandeling, die verbindend is
in al haar onderdelen. Het besluit is in voorkomend geval alleen verbindend voor degene tot
wie het is gericht.
De aanbevelingen en adviezen van de instellingen hebben geen bindende kracht.
2. Indien bij het Europees Parlement en de Raad van Ministers een voorstel voor een wetgevingshandeling
is ingediend, onthouden zij zich van het vaststellen van handelingen op het
betrokken gebied waarin dit artikel niet voorziet.
Artikel 33: De wetgevingshandelingen
1. De Europese wetten en kaderwetten worden op voorstel van de Europese Commissie door het
Europees Parlement en de Raad van Ministers gezamenlijk vastgesteld volgens de in
artikel III-302 vastgelegde gewone wetgevingsprocedure. Indien deze twee instellingen geen
overeenstemming bereiken, is de wetgevingshandeling niet vastgesteld.
In de in artikel III-165 bepaalde specifieke gevallen kunnen de Europese wetten en kaderwetten
op initiatief van een groep lidstaten worden vastgesteld volgens artikel III-302.
2. In bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen worden de Europese wetten en kaderwetten
volgens bijzondere wetgevingsprocedures vastgesteld door het Europees Parlement met
deelname van de Raad van Ministers, dan wel door de Raad van Ministers met deelname van
het Europees Parlement.
CONV 850/03 29
NL
Artikel 34: Handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen
1. De Raad van Ministers en de Europese Commissie stellen Europese verordeningen en
Europese besluiten vast in de gevallen bedoeld in de artikelen 35 en 36, alsmede in de bij de
Grondwet bepaalde specifieke gevallen. De Europese Raad stelt Europese besluiten vast in de
bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen. De Europese Centrale Bank stelt Europese
verordeningen en Europese besluiten vast in de gevallen waarin de Grondwet dit toestaat.
2. De Raad van Ministers en de Europese Commissie, alsook de Europese Centrale Bank in de
gevallen waarin de Grondwet haar daartoe de mogelijkheid biedt, stellen aanbevelingen vast.
Artikel 35: Gedelegeerde verordeningen
1. Bij Europese wet of kaderwet kan aan de Europese Commissie de bevoegdheid worden
overgedragen gedelegeerde verordeningen uit te vaardigen ter aanvulling of wijziging van
bepaalde niet-wezenlijke onderdelen van de Europese wet of kaderwet.
De Europese wet of kaderwet omschrijft uitdrukkelijk de doelstellingen, de inhoud, de
strekking en de duur van de delegatie. Essentiële beleidsonderdelen kunnen niet het voorwerp
zijn van delegatie. Deze worden uitsluitend bij Europese wet of kaderwet geregeld.
2. De Europese wet of kaderwet bepaalt uitdrukkelijk onder welke voorwaarden de delegatie
wordt toegepast. Deze voorwaarden kunnen in de volgende mogelijkheden bestaan:
- het Europees Parlement of de Raad van Ministers kan besluiten tot intrekking van de
delegatie;
CONV 850/03 30
NL
- de gedelegeerde verordening treedt niet in werking dan nadat het Europees Parlement of
de Raad van Ministers geen bezwaar heeft aangetekend binnen de bij de Europese wet
of kaderwet gestelde termijn.
Voor de toepassing van de eerste alinea besluit het Europees Parlement met meerderheid van
de stemmen van zijn leden en besluit de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid
van stemmen.
Artikel 36: De uitvoeringshandelingen
1. De lidstaten nemen alle maatregelen van intern recht die nodig zijn ter uitvoering van de
juridisch bindende handelingen van de Unie.
2. Indien het nodig is dat bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden
worden uitgevoerd, kunnen bij die handelingen aan de Europese Commissie, of in naar
behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij artikel 39 bepaalde gevallen aan de
Raad van Ministers, uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.
3. Bij Europese wet worden vooraf de voorschriften en algemene beginselen vastgelegd voor de
wijze waarop de lidstaten toezicht uitoefenen op de uitvoeringshandelingen van de Unie.
4. De uitvoeringshandelingen van de Unie hebben de vorm van een Europese uitvoeringsverordening
of een Europees uitvoeringsbesluit.
Artikel 37: Gemeenschappelijke beginselen betreffende de rechtshandelingen van de Unie
1. Tenzij de Grondwet in een specifieke handeling voorziet, besluiten de instellingen, met
inachtneming van de toepasselijke procedures, welk soort van handeling in elk afzonderlijk
geval overeenkomstig het in artikel 9 neergelegde evenredigheidsbeginsel moet worden vastgesteld.
2. De Europese wetten, de Europese kaderwetten, de Europese verordeningen en de Europese
besluiten worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of de adviezen
waarin de Grondwet voorziet.
CONV 850/03 31
NL
Artikel 38: Bekendmaking en inwerkingtreding
1. Europese wetten en kaderwetten die volgens de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld,
worden door de voorzitter van het Europees Parlement en door de voorzitter van de
Raad van Ministers ondertekend. In de overige gevallen worden zij door de voorzitter van het
Europees Parlement of door de voorzitter van de Raad van Ministers ondertekend. De
Europese wetten en kaderwetten worden in het Publicatieblad van de Europese Unie
bekendgemaakt en treden in werking op de daarin bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan,
op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.
2. Europese verordeningen en Europese besluiten die geen adressaat vermelden of die tot alle
lidstaten zijn gericht, worden ondertekend door de voorzitter van de instelling waardoor zij
worden vastgesteld en in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Zij treden
in werking op de daarin bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan, op de twintigste dag
volgende op die van hun bekendmaking.
3. Van de overige besluiten wordt kennisgegeven aan degenen tot wie zij zijn gericht. Zij
worden door deze kennisgeving van kracht.
Hoofdstuk II - Bijzondere bepalingen
Artikel 39: Bijzondere bepalingen inzake de uitvoering van het gemeenschappelijk
buitenlands en veiligheidsbeleid
1. De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat berust op
de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de vaststelling van
aangelegenheden die van algemeen belang zijn en de totstandbrenging van een steeds
toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten.
CONV 850/03 32
NL
2. De Europese Raad bepaalt welke de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen
van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad van
Ministers gaat bij het opstellen van dit beleid te werk in het kader van de door de Europese
Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en volgens het bepaalde in Deel III.
3. De Europese Raad en de Raad van Ministers stellen de nodige Europese besluiten vast.
4. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister
van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de
middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.
5. De lidstaten overleggen in de Europese Raad en in de Raad van Ministers over iedere
aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid
met het oog op het vaststellen van een gemeenschappelijke aanpak. Iedere lidstaat overlegt
met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de Raad van Ministers alvorens internationaal
op te treden of verbintenissen aan te gaan die de belangen van de Unie kunnen
schaden. De lidstaten zorgen er door middel van een onderling afgestemd en convergent
optreden voor dat de Unie haar belangen en waarden op het internationale toneel kan doen
gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.
6. Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de
fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,
en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
7. Europese besluiten op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
worden door de Europese Raad en door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen
vastgesteld, behalve in de in Deel III bedoelde gevallen. Zij spreken zich uit op voorstel van
een lidstaat, van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of van deze minister met
steun van de Commissie. Europese wetten en kaderwetten zijn uitgesloten.
8. De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad van Ministers
ook in andere dan de in Deel III bedoelde gevallen met gekwalificeerde meerderheid besluit.
CONV 850/03 33
NL
Artikel 40: Bijzondere bepalingen inzake de uitvoering van het gemeenschappelijk
veiligheids- en defensiebeleid
1. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid is een integrerend deel van het
gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het voorziet de Unie van een
operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt. De Unie kan deze
gebruiken in het kader van buiten het grondgebied van de Unie uit te voeren missies met het
oog op handhaving van de vrede, conflictpreventie en versterking van de internationale
veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Bij de
uitvoering van deze taken wordt gebruik gemaakt van de door de lidstaten beschikbaar te
stellen vermogens.
2. Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid omvat de geleidelijke bepaling van een
gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie. Dit zal tot een gemeenschappelijke defensie
leiden zodra de Europese Raad met eenparigheid van stemmen daartoe besluit. In dat geval
beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun
onderscheiden grondwettelijke bepalingen.
Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids-
en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-
Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke
defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, en is
verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.
3. De lidstaten stellen civiele en militaire vermogens ter beschikking van de Unie voor de
uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, om zodoende bij te
dragen tot het bereiken van de door de Raad van Ministers bepaalde doelstellingen. De lidstaten
die onderling multinationale strijdkrachten vormen, kunnen deze strijdkrachten tevens
ter beschikking van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid stellen.
CONV 850/03 34
NL
De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren. Er wordt
een Europees Bureau voor bewapening, onderzoek en militaire vermogens opgericht, dat de
operationele behoeften bepaalt, maatregelen bevordert om in die behoeften te voorzien,
bijdraagt tot de vaststelling en, in voorkomend geval, tot de uitvoering van alle nuttige maatregelen
om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken, deelneemt
aan het bepalen van een Europees beleid inzake vermogens en bewapening, en de Raad
van Ministers helpt de verbetering van de militaire vermogens te evalueren.
4. Europese besluiten betreffende de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en
defensiebeleid, waaronder begrepen het opzetten van een missie als bedoeld in dit artikel,
worden op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of op voorstel van
een lidstaat door de Raad van Ministers met eenparigheid van stemmen vastgesteld. De
minister van Buitenlandse Zaken van de Unie kan, in voorkomend geval samen met de
Europese Commissie, voorstellen, gebruik te maken van nationale middelen en van
instrumenten van de Unie.
5. De Raad van Ministers kan de uitvoering van een taak in het kader van de Unie opdragen aan
een groep lidstaten, teneinde de waarden van de Unie te beschermen en haar belangen te
dienen. Voor de uitvoering van een dergelijke taak geldt het bepaalde in artikel III-211.
6. De lidstaten waarvan de militaire vermogens voldoen aan hogere militaire criteria en die op
dit gebied onderling verdergaande verbintenissen zijn aangegaan met het oog op de uitvoering
van de meest veeleisende taken, stellen in het kader van de Unie een gestructureerde
samenwerking in. Voor deze samenwerking geldt het bepaalde in artikel III-213.
CONV 850/03 35
NL
7. Zolang de Europese Raad het besluit overeenkomstig lid 2 niet genomen heeft, wordt in het
kader van de Unie een nauwere samenwerking op het gebied van de wederzijdse defensie
ingesteld. Krachtens deze samenwerking verlenen, indien het grondgebied van een aan deze
samenwerking deelnemende lidstaat gewapenderhand wordt aangevallen, de overige deelnemende
staten deze lidstaat met alle militaire en andere middelen waarover zij beschikken
hulp en bijstand overeenkomstig het bepaalde in artikel 51 van het Handvest van de
Verenigde Naties. Bij de totstandbrenging van een hechtere samenwerking op het gebied van
wederzijdse defensie werken de deelnemende lidstaten nauw samen met de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie. De nadere bepalingen voor de deelneming en de werking, alsook de
besluitvormingsprocedures, met betrekking tot deze samenwerking zijn in artikel III-214
opgenomen.
8. Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de
fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid,
en het wordt op de hoogte gehouden van de ontwikkeling daarvan.
Artikel 41: Bijzondere bepalingen inzake de totstandbrenging van een ruimte van
vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
1. De Unie vormt een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid:
- door de vaststelling van Europese wetten en kaderwetten waarmee, zonodig, de
nationale wetgevingen op de in Deel III opgesomde gebieden onderling worden
aangepast;
- door het onderlinge vertrouwen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te
bevorderen, met name op basis van de wederzijdse erkenning van gerechtelijke en
buitengerechtelijke beslissingen;
- door operationele samenwerking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met
inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde diensten op het gebied van
het voorkomen en opsporen van strafbare feiten.
CONV 850/03 36
NL
2. In deze ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid kunnen de nationale parlementen
deelnemen aan de evaluatiemechanismen van artikel III-161 en worden zij betrokken bij de
politieke controle van Europol en bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust,
overeenkomstig de artikelen III-177 en III-174.
3. Op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken beschikken de lidstaten
over een recht van initiatief overeenkomstig artikel III-165.
Artikel 42: De solidariteitsclausule
1. De Unie en de lidstaten treden solidair tezamen op indien een lidstaat slachtoffer is van een
terreuraanslag, van een natuurramp of van een ramp veroorzaakt door menselijk optreden. De
Unie maakt van alle tot haar beschikking staande instrumenten, waaronder de door de
lidstaten ter beschikking gestelde militaire middelen, gebruik om:
a) - de dreiging van het terrorisme op het grondgebied van de lidstaten te keren;
- de democratische instellingen en de burgerbevolking tegen een eventuele
terroristische aanval te beschermen;
- op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied
bijstand te verlenen in geval van een terroristische aanval;
b) - op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied
bijstand te verlenen in geval van een ramp.
2. De nadere bijzonderheden betreffende de uitvoering van deze bepaling zijn opgenomen in
artikel III-231.
CONV 850/03 37
NL
Hoofdstuk III - Nauwere samenwerking
Artikel 43: Nauwere samenwerking
1. De lidstaten die onderling nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van de
niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie, kunnen gebruik maken van de instellingen van de
Unie en die bevoegdheden uitoefenen op grond van de terzake geldende bepalingen van de
Grondwet, binnen de grenzen van en in overeenstemming met het bepaalde in dit artikel en in
de artikelen III-322 tot en met III-329.
Met nauwere samenwerking wordt beoogd de doelstellingen van de Unie te bevorderen, haar
belangen te beschermen en haar integratieproces te versterken. Nauwere samenwerking staat
open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan, en op ieder ander tijdstip,
overeenkomstig artikel III-324.
2. De machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan wordt in laatste instantie verleend door
de Raad van Ministers, wanneer in de Raad van Ministers is vastgesteld dat de door de
nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de
Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt en mits door ten minste eenderde van de
lidstaten aan de nauwere samenwerking wordt deelgenomen. De Raad van Ministers besluit
volgens de procedure van artikel III-325.
3. Alleen leden van de Raad van Ministers die aan een nauwere samenwerking deelnemende
staten vertegenwoordigen, nemen deel aan de vaststelling van handelingen. Alle lidstaten
kunnen evenwel deelnemen aan de beraadslagingen van de Raad van Ministers.
Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de
deelnemende staten gevormd. Een gekwalificeerde meerderheid wordt gevormd door de
meerderheid van de vertegenwoordigers van de deelnemende staten die ten minste drievijfde
van de bevolking van die staten vertegenwoordigt. Indien de Grondwet niet voorschrijft dat de
Raad van Ministers op basis van een voorstel van de Europese Commissie of op initiatief van
de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie handelt, wordt de vereiste gekwalificeerde
meerderheid gevormd door tweederde van de deelnemende staten, die ten minste drievijfde
van de bevolking van die staten vertegenwoordigt.
CO