‘Indianenverhalen’ Het kwetsbare verleden van de Antillen

Download This Document (.pdf)



  • 1
    ‘Indianenverhalen’
    Het kwetsbare verleden van de Antillen
    Mijnheer de Rector Magnificus,
    geliefde studenten,
    zeer gewaardeerde toehoorders.
    Toen ik op een ochtend in de jaren negentig op het Franse eiland
    Guadeloupe de stokbroden ging halen voor onze veldploeg, zei de
    verkoopster, van Afrikaanse afkomst, tegen mij: “Ik heb jullie gisteren
    je vondsten op de televisie zien presenteren en jullie hebben mij blij
    gemaakt. Nu weet ik wie mijn voorouders zijn, dat zijn de indianen en
    niet de Galliërs (‘mes ancêtres ne sont pas les Gaulois’) zoals ze mij op
    school hebben wijsgemaakt”.
    ‘Indianenverhalen’1 bepalen de westerse beeldvorming van de
    oorspronkelijke indiaanse bewoners van de Caraïbische eilanden en de
    Amerika’s in het algemeen. Die ‘indianenverhalen’ zijn gebaseerd op
    vooroordelen uit laat-middeleeuws Europa en hebben vanaf het begin
    van de kolonisatie van de Nieuwe Wereld door Columbus een scheef
    historisch beeld neergezet. Hoewel Charles Mann in zijn bestseller
    14912 overtuigende voorbeelden geeft van de hoge beschavingen in
    voor-koloniaal Amerika, blijven de indianenverhalen hardnekkig de
    ronde doen. U kent waarschijnlijk allemaal de geruchtmakende film
    Apocalypto, een sterk staaltje van massavermaak dat weinig respect
    toont voor de Maya van nu en het door wetenschappers zorgvuldig
    opgebouwde beeld van hun verleden. Ook zal een groot aantal onder U
    de potsierlijke filmtrilogie Pirates of the Caribbean gezien hebben,
    2


    waarin Johnny Depp als kapitein Sparrow op één van de eilanden
    gevangen wordt genomen door een stam inboorlingen. Deze
    inboorlingen, die een wonderlijk mengsel vertonen van Maya-, Papua-,
    en Yoruba- invloeden, willen hem offeren en opeten.
    Ons onderzoek tracht die ‘indianenverhalen’ te demystificeren. Het
    richt zich op de studie van de materiële resten uit de voor-koloniale of
    prehistorische periode in het Caraïbisch gebied. Empirisch
    archeologisch onderzoek is nodig om de scheefgegroeide historische
    constructie recht te zetten en een waarheidsgetrouw beeld te schetsen
    van de leefgewoonten en gebruiken van de indiaanse samenlevingen
    die al zo’n 8000 jaar de Antillen kenmerkten voordat Columbus daar
    aankwam. Een diversiteit aan inheemse culturen heeft het Caraïbische
    landschap ingericht en sociale netwerken opgebouwd waarvan de
    Spanjaarden meteen na de kolonisatie gebruik maakten. Voorts hebben
    de oorspronkelijke bewoners hun stempel gedrukt op de taal en
    gewoonten die tot vandaag de dag voortleven onder de multiculturele
    Caraïbische bevolking.
    Ons onderzoek slaat de brug tussen de voor-koloniale en koloniale
    geschiedenis. Het zal U dadelijk duidelijk worden dat het noodzakelijk
    is het koloniale canon bij te stellen. Archeologie draagt bij uitstek bij
    aan een genuanceerd beeld van de geschiedenis van het Caraïbisch
    gebied in het algemeen en de identiteit van de Caraïbische
    eilandbewoners in verleden en heden in het bijzonder.
    Wilden en kannibalen
    Over de precieze aantallen bewoners van de eilanden ten tijde van
    Columbus’ ‘landfall’ in 1492 bestaat nog steeds geen overeenstemming.
    3
    De schattingen lopen uiteen van 100.000 tot 8 miljoen indianen. De
    Spaanse geestelijken die met de eerste schepen mee waren gekomen
    en in opdracht schreven van de Spaanse koningen Ferdinand van Aragon
    en Isabella van Castilië, spraken aanvankelijk over één volk in het
    Caraïbisch gebied: de ‘Indios’. Spoedig echter maakten zij onderscheid
    tussen verschillende ‘volken’, ieder met een eigen cultuur, taal en
    niveau van beschaving.3 Tegenwoordig staan zij in de literatuur bekend
    als de Taíno of Guatiao, die een groot deel van de Grote Antillen
    bewoonden, namelijk de eilanden Puerto Rico, Hispaniola
    [tegenwoordig Haïti en de Dominicaanse Republiek], Jamaica, Oostelijk
    Cuba en de Maagdeneilanden. Op westelijk Cuba woonden de
    Guanahatabey, op de Bahamas de Lucayo en in het noordoosten van de
    Dominicaanse Republiek de Ciguayo. Op de zuidelijke Kleine Antillen,
    dit zijn de eilanden tussen Trinidad en Dominica, woonden de Caribe.
    Wie er precies op de noordelijke Kleine Antillen woonden, dat wil
    zeggen de eilanden tussen Guadeloupe en de Bovenwindse eilanden van
    de Nederlandse Antillen, Saba, St. Eustatius en St. Maarten, is
    onbekend. De zogenoemde Caquetio woonden in het westelijk deel van
    Venezuela en op de zuidelijke Caraïbische eilanden (waaronder ook de
    ABC-eilanden, Aruba, Bonaire en Curaçao). Volgens de Spanjaarden
    woonden er reuzen op Curaçao, ze noemden dit eiland het ‘Isla de los
    gigantes’.
    Ze bestempelden de Taíno of Guatiao als vredelievend en nobel, de
    Caribe als wilde, kannibalistische ‘indios flecheros’, indianen
    bewapend met pijl en boog. De Kleine Antillen vonden zij ‘islas
    inútiles’, onbruikbare eilanden, omdat er geen kostbare metalen zoals
    goud en andere waardevolle zaken te vinden waren. Bovendien zouden
    er kannibalen, menseneters, wonen.
    4
    Wist U overigens dat de term kannibaal is geïntroduceerd in deze tijd?
    Columbus, die via een westelijke route Azië wilde bereiken en zijn hele
    leven volhield dat hij daar aangekomen was, vernam dat de Taíno in
    oorlog waren met de wilde, mensenetende Caribe van de Kleine
    Antillen. Hij veronderstelde dat dit de Caniba waren, de strijders van
    de Mongoolse veroveraar de Grote Khan, die de eilanden voor de kust
    van Azië moesten aanvallen. Deze zogenaamd éénogige mensen met
    hondenkoppen waren in laat-middeleeuws Europa alom bekend uit de
    verhalen van Marco Polo en De Mandeville.4 Columbus verwarde de
    term caniba met canibal en caribe.5 Op 26 december 1492 gebruikte hij
    voor de eerste keer de term Caribe om de verondersteld mensenetende
    indianen aan te duiden. De inhoudelijke strekking van ‘mensenetende
    wilde’, afgeleid van De Mandeville’s verhalen over Azië, is één van de
    vele ‘indianenverhalen’.
    Columbus mag dan wel op zijn reizen schedels en botten in mandjes
    aan dakbalken in huizen hebben zien hangen, maar de interpretatie van
    de Spanjaarden was waarschijnlijk een misconceptie van het gebruik
    van ‘rituele antropofagie’: de manipulatie en het offeren van
    menselijke lichaamsdelen om de kracht van de overledene te laten
    voortleven in zijn nakomelingen. De Spanjaarden hadden wellicht
    politieke en economische redenen om de indios als niet humane
    wezens te beschouwen. Archeologisch is kannibalisme nooit aangetoond
    in het Caraïbisch gebied.
    Door oorlog, besmettelijke ziekten en slavernij nam het aantal
    indianen binnen zeer korte tijd drastisch af. De Spaanse kolonisatoren
    wilden dat ze zich zouden onderwerpen aan hun gezag en stelden ze te
    werk binnen het ‘encomienda’-systeem. Dit was een verkapte vorm van
    5
    slavernij waarbij de indianen onder het juk kwamen te zitten van
    Spaanse grootgrondbezitters. Ze werden meedogenloos uitgebuit,
    moesten tribuut betalen en zich bekeren tot het katholieke geloof.6
    De overlevende indiaanse bevolking heeft zich in de 16e eeuw gemengd
    met de ‘nieuwkomers’ uit Europa en zwarte slaven van de westkust van
    Afrika die de verzwakte of uitgemoorde indiaanse slaven moesten
    vervangen. Slechts een klein aantal wist aan de Spaanse onderdrukking
    te ontkomen en stand te houden op de zuidelijke Kleine Antillen waar
    momenteel zo’n 3000 Cariben of ‘Kalinago’, zoals ze zichzelf noemen,
    wonen op de eilanden Dominica, St. Vincent en Trinidad. In de 17e
    eeuw is er veel over hen geschreven door Franse missionarissen, die
    een aantal jaren tussen de indianen woonden. Ze beschreven hun
    dagelijks leven en gebruiken vanuit een meer verlichte visie, maar het
    uiteindelijk doel bleef het bekeren tot het katholieke geloof.7
    De kolonisatie van de Nieuwe Wereld heeft uiteindelijk geleid tot de
    verdeeldheid van het Caraïbisch gebied zoals wij die vandaag de dag
    kennen. Spanjaarden, Fransen, Engelsen, Nederlanders, Koerlanders,
    Denen, Zweden en later ook Noord-Amerikanen eigenden zich delen
    van het gebied toe. Veel later kwamen er ook contractarbeiders uit
    Azië. Zo is door de tijd heen een nieuw mozaïek aan culturen ontstaan
    met gemengde identiteiten en een eigen geschiedenis. Men voelt zich
    boven alles Trini, Saban, Statian, Arubiano, Dominicano of Cubano,
    maar men ontleent zijn/haar afkomst aan de geschiedenisboeken die
    geschreven zijn door de koloniserende mogendheden. Hierin komt de
    geschiedenis van het eigen eiland en de oorspronkelijke bewoners
    nauwelijks of niet aan bod. Op die eilanden waar men wel over de
    6
    eigen geschiedenis leert, begint deze pas zo’n 500 jaar geleden en
    voert de slavernij de boventoon.
    Het indiaanse verleden van de eilanden is ook in Europa, zoals
    bijvoorbeeld in Nederland, slecht bekend. En dat terwijl het cultureel
    erfgoed van de Nederlandse Antillen en Aruba deel is van het Koninkrijk
    der Nederlanden.
    Leiden in het Caraïbisch gebied
    Leiden stond aan de wieg van de archeologiebeoefening in het
    Caraïbisch gebied. Reeds in 1923 maakte de antropoloog J.P.B. de
    Josselin de Jong, destijds conservator van het Leidse Museum voor
    Volkenkunde, als eerste Leidenaar deel uit van een archeologische
    expeditie naar de Nederlandse Antillen.8 Op Saba verhaalt men nog
    steeds dat De Josselin de Jong op een draagstoel de 800 treden van de
    Ladder Bay besteeg op weg naar zijn opgravingen in The Bottom.
    In de 60er en 70er jaren hebben Dr. P. Glazema9 van de Rijksdienst
    voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (R.O.B.) en Prof. P.J.R.
    Modderman van het Instituut voor Prehistorie te Leiden contacten
    gelegd met de Nederlandse Antillen (met name Curaçao en Aruba) en
    Suriname om archeologisch onderzoek op gang te brengen. Een aantal
    expedities naar de West werd ondernomen. De eerste Leidse
    dissertaties over dit gebied zijn van de hand van Cees Dubelaar en Aad
    Versteeg.10
    Het is echter pas vanaf midden jaren ’80 dat de archeologie van het
    Caraïbisch gebied een structurele plaats kreeg binnen Leiden onder de
    opvolger van Modderman, Leendert Louwe Kooijmans. Opgravingen
    werden uitgevoerd door Aad Versteeg, Jay Haviser, Menno Hoogland en
    7
    mijzelf op St. Eustatius, Saba, St. Maarten, Aruba en Curaçao in
    samenwerking met het Archeologisch en Antropologisch Instituut van de
    Nederlandse Antillen (AAINA) en het Archeologisch Museum Aruba
    (AMA).11 De opgravingsmethoden waren duidelijk beïnvloed door
    Nederlandse prehistorici: ze werden gekenmerkt door grootschalig
    nederzettingsonderzoek.
    Sinds de jaren ’90 hebben we het Leidse onderzoek weten uit te
    breiden over de geopolitieke grenzen van de eilanden. Door
    toenemende internationale samenwerkingsverbanden en met financiële
    steun van onder anderen de Nederlandse Organisatie voor
    Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) hebben we archeologisch
    onderzoek verricht op vele eilanden tussen Trinidad en Cuba.
    De geopolitieke verdeling van de eilanden heeft de ontwikkeling van
    het archeologisch onderzoek lang beïnvloed. Ondanks een in de jaren
    ’60 opgerichte overkoepelende organisatie voor de archeologie van het
    Caraïbisch gebied, werkten Fransen uitsluitend op de Franse eilanden,
    Engelsen op de voormalig Engelse eilanden, Nederlanders op de
    Nederlandse Antillen en Amerikanen op Puerto Rico en de Amerikaanse
    Maagdeneilanden. Alleen op Cuba en in de Dominicaanse Republiek
    werkten lokaal opgeleide archeologen. Ieder gebruikte zijn eigen
    methoden en de onderlinge taalverschillen vormden een barrière voor
    de verspreiding van de onderzoeksresultaten. Deze insulaire aanpak
    heeft geleid tot een eilandcentrische visie van archeologische culturen
    die niet of nauwelijks met elkaar in contact zouden staan.
    De basis van het huidig onderzoek in Leiden vormt de idee dat de
    Caraïbische Zee geen barrière vormde maar juist een verbindingsweg
    8
    tussen de honderden eilanden en de landen die hieraan grenzen.12 Het
    bestuderen van de mobiliteitspatronen en uitwisselingsnetwerken van
    goederen en ideeën tussen de voor-koloniale samenlevingen is hierbij
    het uitgangspunt. We gaan ervan uit dat uitwisseling niet alleen
    voortkomt uit een ongelijke verdeling van natuurlijke bronnen in het
    gebied maar dat ook biologische aspecten zoals overleving en ‘fitness’
    van de populatie erbij een belangrijke rol spelen.
    Ons onderzoek beweegt zich op het snijvlak van de alpha-, bèta- en
    gammawetenschappen en is daarmee exemplarisch voor het onderwijsen
    onderzoeksprofiel van de Faculteit der Archeologie. We bestuderen
    de menselijke samenleving in het verleden met behulp van methodes
    uit de sociale en historische wetenschappen, alsook uit de aard- en
    natuurwetenschappen.13


    Kolonisatie, migratie, activiteits- en seizoensgebonden mobiliteit of
    mobiliteit tussen gemeenschappen door huwelijken, feesten, oorlog en
    uitwisseling worden deels bepaald door omgevingsfactoren en sociaal
    gedrag, maar ook door socio-politieke en ideologische factoren.
    Hierdoor ontstaan ingewikkelde netwerken waarin mensen, goederen
    en ideeën circuleren. Tegenwoordig ontstaan dit soort netwerken
    vliegensvlug met behulp van internet, gsm en satellieten. De
    Caraïbische indianen daarentegen communiceerden met elkaar over
    grote afstanden door kanotochten en vervolgens door de overdracht
    van mond-tot-mond nieuws en verhalen naast het uitvoeren van rituele
    dansen.
    In de archeologie vinden deze netwerken hun neerslag in menselijk
    skeletmateriaal, dier– en plantenresten en voorwerpen van aardewerk,
    steen, goud, schelp, bot en koraal.
    9
    De mobiliteit van mensen is deels vastgelegd in regels voor
    huwelijksuitwisseling en huwelijksvestiging. Deze kunnen we door
    middel van de studie van het grafritueel, DNA en isotopenonderzoek op
    skeletresten achterhalen. Zo hebben Menno Hoogland en Raphael
    Panhuysen met behulp van strontium-isotopenonderzoek kunnen
    aantonen dat er onderscheid te maken is tussen lokale en niet-lokale
    individuen in een grafassemblage. Bij dit onderzoek wordt de
    verhouding tussen de strontiumelementen in het bot en de tanden
    gemeten en wordt dit vergeleken met de verhouding waarin strontium
    van nature voorkomt op de eilanden. Dit onderzoek is ontwikkeld in het
    kader van het door NWO gefinancierde VIDI-project in samenwerking
    met Prof. dr. Gareth Davies van de Faculteit der Aard- en
    Levenswetenschappen aan de VU. Uit een studie naar de prehistorische
    gemeenschap op de vindplaats Anse à la Gourde op het eiland
    Guadeloupe blijkt dat 25% van de 93 begraven individuen niet lokaal
    geboren is en pas op latere leeftijd door huwelijk of een andere vorm
    van mobiliteit in het dorp is komen wonen.
    Aan de hand van bioantropologisch onderzoek hebben Hoogland en
    Panhuysen inzicht verkregen in de manier van leven, de
    gezondheidstoestand en de verspreiding van ziekten voordat Columbus
    in het Caraïbisch gebied aankwam. Zo hebben ze kunnen vaststellen
    dat een groot deel van de laat-prehistorische populaties op Guadeloupe
    en Saba besmet waren met de Treponema pallidum pertenue bacterie
    oftewel ‘yaws’, een door huidcontact overdraagbare ziekte.14 Onlangs
    stonden de kranten nog vol met verslagen van een recent DNAonderzoek
    waarin de relatie tussen yaws en de seksueel overdraagbare
    syfilis werd gelegd. De Treponema bacterie zou met zeelui
    meegekomen zijn van Amerika naar Europa. Twee jaar nadat Columbus
    10
    teruggekeerd was van zijn eerste reis, brak syfilis uit onder Franse
    troepen bij het beleg van Napels.
    Dat er goederen en ideeën werden uitgewisseld, leiden we af uit de
    verspreiding van iconografische voorstellingen en exotische materialen.
    Deze worden bestudeerd aan de hand van versieringsmotieven op de
    materiële cultuur en herkomstbepalingen van materiaalcategorieën.
    Door functioneel, technologisch en geochemisch onderzoek te
    combineren, hebben promovendi Daan Isendoorn, Sebastiaan
    Knippenberg en Yvonne Lammers-Keijsers kunnen aantonen waar en
    hoe de bewoners van de Kleine Antillen grondstoffen bemachtigden
    voor het vervaardigen van hun stenen en schelpen werktuigen en
    aardewerken potten.15 Opmerkelijk is dat niet-lokale individuen op
    Anse à la Gourde ook begraven zijn met voorwerpen van niet-lokale
    herkomst.
    Alistair Bright en Maaike de Waal hebben met hun promotieonderzoek
    over de verspreiding van aardewerktypen en versieringsmotieven in
    combinatie met nederzettingspatronen het beeld van de intra- en
    interinsulaire relaties op de Kleine Antillen verscherpt.16 Alice Samson,
    Roberto Valcárcel en Jorge Ulloa doen gelijksoortig onderzoek voor de
    Grote Antillen.
    Door deze informatie te combineren met etnohistorische gegevens uit
    de vroeg-koloniale Europese bronnen en cultureel antropologisch
    onderzoek onder huidige indiaanse gemeenschappen kunnen we de
    empirisch verkregen archeologische gegevens interpreteren vanuit een
    levende context. Zo verrichten Arie Boomert, Adriana Churampi, Jimmy
    Mans en Eva Paulsen in samenwerking met linguiste Eithne Carlin
    11
    onderzoek naar de ideeënwereld en sociale relaties van de vroegkoloniale
    en hedendaagse indiaanse gemeenschappen op de eilanden
    en in Suriname en de andere twee Guiana’s. Zij onderstrepen met hun
    onderzoek het belang van de vergankelijke materiële cultuur die naar
    alle waarschijnlijkheid ook in de voor-koloniale periode het grootste
    deel van het huisraad vormde en werd uitgewisseld binnen de
    bestaande contactnetwerken. Materialen zoals hout, kalebas, vezels,
    boombast en veren overleven de tand des tijds in een tropische
    omgeving als het Caraïbisch gebied niet of nauwelijks en zijn dus
    archeologisch amper traceerbaar.
    De Caraïbische zee: toneel van 8000 jaar netwerken
    Bij het eerste contact in 1492 waren de Europeanen verbaasd over de
    maritieme vaardigheden van de indiaanse eilandbewoners en hoe
    succesvol ze grootschalige interactienetwerken onderhielden. Ze waren
    ook zeer onder de indruk van de snelheid waarmee
    uitwisselingsgoederen, ook Spaanse goederen, geïntroduceerd en
    binnen deze netwerken getransporteerd werden. Fray Bartolomé de las
    Casas, een Spaanse priester van de orde der Dominicanen citeert
    Columbus die in zijn dagboek op 15 oktober 1492, enkele dagen na zijn
    aankomst in de Bahamas, schreef17:
    “en terwijl ik tussen deze twee eilanden was, nl. Santa Maria (Rum
    Cay) en dat grotere dat ik Fernandina (Long Island) heb genoemd,
    ontmoette ik een man in een kano die van Santa Maria naar Fernandina
    ging. Hij had bij zich een klein brood, de maat van zijn vuist, een
    kalebas met water, wat rode aarde tot poeder gemalen en tot een
    pasta gemaakt, en enkele gedroogde bladeren, die deze mensen erg
    12
    moesten waarderen, want op San Salvador kreeg ik er wat van
    aangeboden. Hij had ook een mand bij zich, gemaakt op hun inheemse
    manier waarin hij een klein snoer van glaskralen had en twee ‘blancas’
    (Spaanse munten). Hieruit kon ik opmaken dat hij uit San Salvador
    kwam, Santa Maria had aangedaan en nu op weg was naar
    Fernandina.”
    Dit Caraïbische interactienetwerk ontstond zo’n 8000 jaar geleden,
    toen de eerste rondtrekkende jagers-vissers-verzamelaars met kano’s
    vanuit Zuid- en Centraal-Amerika de Antilliaanse archipel kwamen
    verkennen om zich er uiteindelijk permanent te vestigen.18 Eilanden
    dicht bij de continentale kusten zoals Trinidad, Curaçao, en Cuba
    verkenden zij het eerst, en in de eeuwen daarna geleidelijk aan ook de
    rest van de archipel.
    Vanaf het moment dat zij de eilanden bevolkten, veranderden zij het
    landschap, manipuleerden gewassen en experimenteerden enige tijd
    later met het vervaardigen van potten uit klei.
    In de eerste eeuwen leefden ze van het jagen op hagedissen,
    knaagdieren en herten, door planten en vruchten te verzamelen en
    door het vangen van vissen en schildpadden naast het verzamelen van
    schelpdieren. Hun werktuigen maakten zij uit steen en schelp. Grote
    vuurstenen klingen, gevonden in de Dominicaanse Republiek, werden
    vermoedelijk gebruikt bij de slachten van reuzenluiaards. Die waren
    dan ook snel daarna uitgestorven.
    In het tropisch bos van Saba ligt op 400 m boven zeeniveau het
    kampement Plum Piece. Archeologische resten aangetroffen tijdens
    onderzoek door ons verricht in de afgelopen jaren wijzen op
    13
    seizoensgebonden gebruik van het kampement door jagers-vissersverzamelaars
    rond 1500 v. Chr., dus zo’n 3500 jaar geleden gebaseerd
    op C14-dateringen19. Deze resten bestaan uit de sporen van een paar
    kleine houten hutten en een afvalhoop met grote hoeveelheden
    voedselresten. Deze vroege Sabanen aten vooral landkrabben en
    zeevogels. Met name de pijlstormvogel was voor hen klaarblijkelijk een
    delicatesse. Zowel landkrabben als zeevogels zijn het beste te vangen
    wanneer de krabben jaarlijks naar de zee lopen om eieren te leggen en
    de zeevogels op het eiland komen broeden, dit is tussen februari en
    juli. Dit seizoensgebonden dieet vulde de Sabanen aan met vis die
    ruimschoots voorhanden was op het rif voor Saba en in de open zee.
    Verder aten ze zaden, noten, vruchten en in het wild groeiende
    knollen. Tussen de voedselresten bevonden zich ook afgedankte
    werktuigen uit steen, vuursteen, schelp en koraal. Uit steen werden
    maal- en klopstenen gemaakt voor het verpulveren van zaden en noten.
    Vuursteen werd gebruikt voor het snijden van planten en schelpen
    dissels voor het bewerken van hout. Deze dissels maakten ze uit de
    grote Strombus gigas schelp of ‘conch shell’ zoals hij tegenwoordig
    lokaal bekend staat.
    Die dissels werden gebruikt bij het uithakken van verbrande
    boomstammen om zogenoemde ‘dugout canoes’ te maken,
    boomstamkano’s. Kano’s speelden een cruciale rol in de communicatie
    en geschikte boomsoorten waren niet op alle eilanden aanwezig.
    Het lijkt erop dat men in één bepaald seizoen van het jaar speciaal
    naar het tropisch bos van Saba kwam om planten te verzamelen maar
    vooral ook om hout te kappen voor het maken van kano’s.
    Vuursteen was niet voorradig op Saba zelf, dus dat gingen de indianen
    van Plum Piece, ofwel zelf halen bij de belangrijkste bron in het
    14
    gebied, gelegen op het eiland Antigua, op een paar dagen varen, of ze
    verkregen het van andere groepen. Alles wijst erop dat deze eerste
    eilandbewoners al opereerden binnen het netwerk van een aantal
    eilanden om aan hun dagelijkse levensbehoeften te voldoen. Ze
    wisselden materialen uit en naargelang het seizoen en de activiteit
    peddelden ze met hun kano’s heen en weer.
    Door toenemende wederzijdse expedities, contacten en uitwisseling
    tussen groepen uit de kuststreken van Zuid- en Centraal-Amerika en op
    de eilanden gevestigde gemeenschappen van jagers-vissersverzamelaars
    werden steeds meer eilanden bewoond. Men leefde voor
    lange perioden op één plek en richtte dorpen op. De
    dorpsgemeenschappen maakten deel uit van een egalitaire samenleving
    die verbonden was door huwelijksbanden. Er werd nog altijd gejaagd
    op klein wild (het grootste zoogdier was op de oceanische eilanden de
    inheemse rijstrat die met de komst van de schepen uit Europa
    vervangen is door de scheepsrat). Men leefde nog steeds van de
    visvangst en het verzamelen van schelpdieren, maar dit eiwitrijke dieet
    werd nu steeds meer aangevuld met zetmeel. Het domesticeren en
    verbouwen van gewassen, onder anderen maniok, zoete aardappel,
    yams en tayer, was inmiddels een belangrijke economische bezigheid
    geworden. Het aanleggen van kostgronden en het beter ‘managen’ van
    de natuurlijke omgeving was één van de redenen waarom mensen nu
    langer op één plek bleven wonen.
    In de dorpen werden aardewerken potten gebakken en voorwerpen uit
    hout, steen, schelp en bot minutieus bewerkt. Ook werden ze
    bemachtigd door uitwisseling over korte of lange afstanden. Er
    bestonden tussen de eilanden uitgestrekte interactienetwerken voor de
    15
    uitwisseling van goederen en ideeën. Zo werden onder anderen jadeit,
    lapis lazuli en amethist uitgewisseld. Het herkomstgebied in Zuid- en
    Centraal-Amerika werd een soort ‘lifeline’, een sociaal vangnet.20
    Herinneringen aan het land van de voorouders werden vermoedelijk via
    mythen en verhalen overgedragen en uitgebeeld door middel van
    iconografische voorstellingen. Zo circuleerde bijvoorbeeld de
    uitsluitend op het vasteland voorkomende koningsgier op stenen
    amuletten in de eilanden.21
    In de laatste eeuwen voor de kolonisatie namen de activiteiten op de
    eilanden sterk toe omdat het culturele, ideologische en sociaal–
    politieke klimaat veranderde.22 Uit de vroeg-koloniale bronnen blijkt
    dat tijdens het eerste contact op de Grote Antillen en langs de kusten
    van Centraal- en Zuid-Amerika hiërarchische samenlevingen bestonden
    met complexe sociaal-politieke organisatiestructuren. Deze
    hoofdmanschappen of cacicazgos (dit is de term waarmee de
    Spanjaarden ze aanduidden) waren van verschillende aard en grootte.
    In de archeologie zien we de opkomst hiervan terug in de constructie
    van ceremoniële centra met balspeelplaatsen en een uitzonderlijk rijke
    elite-gebonden materiële cultuur.23 Ons huidige onderzoek op de
    Dominicaanse Republiek richt zich op de archeologische resten van een
    Taíno dorp uit ongeveer 1400 na Christus. Dorpen tot 1000 mensen
    stonden onder leiderschap van een hoofdman of cacique. Een gebied
    met een aantal dorpen vormde een hoofdmanschap, bestuurd door een
    hoofd-cacique. Zijn/haar leiderschap was erfelijk.24 Hispaniola was
    opgedeeld in vijf van deze cacicazgos. De grenzen ervan werden
    bepaald door de cacique middels oorlogvoering, het sluiten van
    allianties en andere vormen van politieke manipulatie. Vooroudercultus
    16
    vormde de basis van de politiek-religieuze ideologie. Goede relaties
    met de bovennatuurlijke wereld waren van levensbelang voor de macht
    van de cacique en met behulp van geestverruimende middelen, zoals
    de zaden van de Anadenanthera peregrina25, konden de cacique en de
    behique of sjamaan in contact treden met de goden.26 In de
    archeologie vinden we hier de rituele parafernalia van terug zoals
    braakspatels en snuifpijpjes.
    Alhoewel uit het archeologisch beeld duidelijk wordt dat de
    gemeenschappen op de kleinere eilanden nooit politieke centralisatie
    hebben gekend, onderhielden ze relaties met de hoofdmanschappen
    van de Grote Antillen en de Centraal- en Zuid-Amerikaanse
    kustgebieden. Uit ons archeologisch onderzoek op Saba blijkt dat
    althans een deel van de bewoners van de Kleine Antillen onder invloed
    kwam van de Taíno hoofdmanschappen. De ABC-eilanden maakten deel
    uit van de hoofdmanschappen van de Caquetío van west Venezuela.
    De verschillende hoofdmanschappen bestierden complexe
    netwerksystemen rond de Caraïbische Zee. Colombiaans goud werd
    verhandeld langs de kusten van Centraal-America, en voorts met Cuba
    en Hispaniola. Aardewerken potten en rituele voorwerpen uit bot,
    steen en schelp circuleerden tussen de Grote en Kleine Antillen. De
    bevolking op Curaçao, Aruba en Bonaire was betrokken in netwerken
    met het binnenland van Venezuela voor de uitwisseling van onder
    anderen tabak, zout, en kralen van steen en schelp.
    Het eiland Saba vormde wellicht door zijn ligging een noodzakelijk
    scharnier binnen het netwerk tussen de hoofdmanschappen op de Grote
    Antillen en die op het Zuid-Amerikaanse vasteland.27 Het ligt op het
    17
    noordelijkste deel van de Kleine Antillen en niet ver van de rijke
    visgronden van de Saba Bank, een 2200 km2 groot onderzees plateau.
    Onze opgravingen op de vindplaats Kelbey’s Ridge hebben de sporen
    van een aantal kleine, ronde houten huizen blootgelegd. De doden
    werden onder de huisvloeren begraven. Er zijn aanduidingen dat de
    grafkuil na de bijzetting van de dode een tijd openbleef, er botstukken
    uitgehaald werden als de weke delen waren vergaan. Deze botstukken
    deden vermoedelijk dienst als orakels en onderschrijven de bijzondere
    band die de eilandbewoners onderhielden met hun voorouders zoals in
    die tijd gebruikelijk was. Het was dan ook waarschijnlijk dit gebruik
    dat Columbus beschreef toen hij op Cuba botten en schedels in
    mandjes aan de dakbalken van huizen zag hangen.
    Strontium-isotopenonderzoek laat een heterogene herkomst zien van
    de begraven individuen. We gaan er dus van uit, dat de meeste
    bewoners pas op latere leeftijd naar Saba gekomen zijn om een dorp te
    stichten. De enorme hoeveelheid visafval in het dorp, bewaard
    gebleven in een aantal grote haardplaatsen, doet vermoeden dat de
    bewoners van Kelbey’s Ridge betrokken waren bij intensieve visserij.
    Mogelijk gaat het om de exploitatie van de Saba Bank, en de
    verwerking (drogen en roken) van de vissen voor hun
    uitwisselingsnetwerk. Uit ons antropologisch onderzoek bij indiaanse
    groepen in de Guianas blijkt ook dat voedsel een belangrijke
    component vormt binnen de netwerken.
    Ook de exotische herkomst van bijvoorbeeld steen en klei, gebruiks- en
    rituele voorwerpen alsook de versieringsmotieven op aardewerk wijzen
    op de veelzijdige contacten die de bewoners van Kelbey’s Ridge
    onderhielden met hun buren en verwanten. Soms woonden die
    18


    honderden kilometers, dus dagen of soms weken varen, van hen
    vandaan.
    Kortom, de Caraïbische Zee was al lang vóór 1492 het toneel van
    intensief netwerken. Het was een dynamisch landschap waarin relaties
    en contacten door de tijd heen verschoven. Het zijn deze netwerken
    die aan de basis liggen van de U zeker welbekende ‘Columbian
    Exchange’28, een proces dat wereldwijd zijn impact heeft gehad, maar
    voor de inheemse bevolking van de Amerika’s dramatische gevolgen
    heeft gehad.
    Op grote schaal werden na 1492 planten, dieren, voedsel, mensen,
    goederen en ideeën, maar ook epidemische ziektes tussen het
    Oostelijk en Westelijk halfrond uitgewisseld en verspreid.
    Wist U dat U dagelijks woorden in de mond neemt die ontleend zijn aan
    de talen van de oorspronkelijke bewoners van de Amerika’s? Woorden
    als tabak, cacao, barbecue, kano en tomaat zijn er maar enkele van.
    De Amerikaanse, Europese, Afrikaanse en Aziatische leefgewoonten
    zijn na 1492 voorgoed veranderd en sindsdien is door de globalisering
    het uitwisselingsproces in een stroomversnelling geraakt.
    Vóór 1492 waren er geen sinaasappels in Florida, geen bananen in
    Ecuador, geen paprika’s in Hongarije, geen rubberbomen in Afrika en
    was er geen chocola in Zwitserland, geen chili in India en geen gele
    koorts in de Amerika’s. Twintig procent van het goud in 16e-eeuws
    Europa kwam van de Caraïbische eilanden.
    Toekomst van het onderzoek
    Met de recent verkregen VICI subsidie van NWO gaan we in de komende
    jaren met een internationaal en interdisciplinair team van twaalf
    19
    onderzoekers de dynamiek en achterliggende mechanismen van de
    mobiliteitspatronen en uitwisselingsnetwerken van de Caraïbische
    indianen verder ontrafelen en in kaart brengen. Hierbij zullen
    bestaande collecties uit een groot geografisch gebied worden
    onderzocht op herkomst en iconografie. Centraal bij het onderzoek
    staat het verder ontwikkelen en verfijnen van natuurwetenschappelijke
    methoden voor de analyse en herkomstbepaling van materialen en
    menselijke skeletresten. Hierbij zullen we samenwerken met
    ecologen, moleculair biologen en geochemici. Het onderzoek naar de
    epidemiologie van de ziekte ‘yaws’ in het Caraïbisch gebied wordt
    uitgebreid met oud-DNA en kan een bijdrage leveren aan het
    zogenoemde ‘syfilis’-debat.
    Samenwerking met diverse specialisten en laboratoria binnen wat nu de
    Faculteit der Archeologie is zal ook in de toekomst voor ons onderzoek
    van groot belang blijven. Hier wil ik speciaal Bram van As, Raymond
    Corbey, Annelou van Gijn, Thijs van Kolfschoten, Joanne Mol, Loe
    Jacobs, Erick van Driel en Medy Oberendorff noemen voor hun
    betrokkenheid bij ons onderzoek in de afgelopen jaren.
    Voorts is het ons voornemen om in de toekomst de koloniale
    archeologie een voornamer plaats te geven binnen ons onderzoek en zo
    de brug te slaan tussen het onlosmakelijk verbonden voor-koloniale en
    koloniale verleden van het Caraïbisch gebied. In het najaar sprak Prof.
    Gert Oostindie zijn inaugurale rede uit als hoogleraar Caraïbische
    geschiedenis. Met mijn benoeming bestrijkt de Universiteit Leiden nu
    de volledige geschiedenis van het gebied vanaf haar eerste bewoning
    tot op heden.
    De integratie van onderzoek en onderwijs is voor ons altijd van hoge
    grote prioriteit geweest. De afgelopen 20 jaar hebben ruw geschat
    20
    tussen de 200 en 300 studenten archeologie hun praktijkonderwijs op
    één van de Caraïbische eilanden genoten. Velen hebben scripties
    geschreven over deelonderwerpen van ons onderzoek. We hopen de
    komende jaren onze ‘graduate community’ verder uit te breiden;
    interactie met studenten is voor ons een enorme stimulans.
    Kwetsbaar verleden
    Het indiaanse verleden van de Antillen ligt besloten in een zeer
    kwetsbaar bodemarchief. Natuurlijke factoren zoals kusterosie door
    zeespiegelstijging en orkanen (trouwens nog een inheems woord) vagen
    gestaag de veelal aan de kust gelegen resten van de indiaanse dorpen
    weg. Eeuwenoude voorwerpen liggen te grabbel op de stranden als
    ware het een uitverkoop van een ‘supermarché de l’archéologie’, zoals
    privé-verzamelaars op Guadeloupe het fenomeen noemen.
    Ook worden deze archeologische vindplaatsen bedreigd door recente
    ontwikkelingen in de economie; de bouwactiviteiten op de eilanden
    zijn namelijk in een stroomversnelling geraakt, grootschalige
    hotelcomplexen worden gebouwd op plaatsen van prehistorische
    dorpsresten. Toen wij in 2005 in de Dominicaanse Republiek de
    vindplaats Punta Cana zouden opgraven, konden wij ternauwernood de
    vondsten uit een storthoop redden. De vindplaats was enkele dagen
    voor onze aankomst door een bulldozer weggeschoven in verband met
    de aanleg van een golfbaan.
    Moedwillige vernietiging of vandalisme zoals het aanbrengen van
    graffíti op prehistorische rotstekeningen en artefactenroof voor de
    kunsthandel zijn andere facetten die bijdragen aan de teloorgang van
    de prehistorische culturele erfenis van de regio. De aantrekkelijke
    indiaanse voorwerpen verschijnen regelmatig bij veilingen van
    21
    Sotheby’s, Christy’s en via het web bij Ebay. Time Magazine tipte
    onlangs tot afgrijzen van de archeologische gemeenschap het
    verzamelen van archeologica als een klinkende investering.
    Wetgeving aangaande het behoud van het cultureel erfgoed van het
    Caraïbisch gebied is door de geopolitieke verdeeldheid in het gebied
    niet eenduidig. Op de Franse eilanden geldt het verdrag van Valetta
    zoals in Europa, wat inhoudt dat de ‘verstoorder’ betaalt. Het schrijft
    voor dat voorafgaand aan iedere bouwactiviteit een afweging van
    archeologische belangen plaats heeft. De projectontwikkelaar moet
    dan rekening houden met archeologisch onderzoek voorafgaand aan de
    bouw. Op de andere eilanden bestaat zo’n wetgeving niet. Het is onze
    intentie om de komende jaren onze internationale samenwerking in het
    gebied uit te breiden en met lokale instanties en musea ernaar te
    streven om gemeenschappelijk zorg te dragen voor het beheer van het
    cultureel erfgoed, publieksgerichte presentatie ervan te bevorderen en
    de opleiding van lokaal kader te bewerkstelligen.
    Ook op de Nederlandse Antillen is het Verdrag van Valetta nog niet
    geïmplementeerd. Dit tot grote frustratie van instanties op de Antillen
    als het Nationaal Archeologisch Antropologisch Museum, St. Maarten
    Archaeological Center, St. Eustatius Center for Archaeological Research
    en het Archeologisch Museum Aruba, die zorgdragen voor het erfgoed
    op de eilanden. Op eigen initiatief hebben de Santa Barbara Plantation
    op Curaçao en de familie Plantz op St. Maarten archeologisch
    onderzoek op deze twee eilanden financieel ondersteunt. Ook hebben
    zij ervoor gezorgd dat het erfgoed wordt opgenomen in hun
    ontwikkelingsplannen. Een initiatief dat toegejuicht mag worden en als
    voorbeeld moge dienen voor de vele projectontwikkelaars die tot op
    22
    heden weinig oog hebben voor het kwetsbaar verleden van de Antillen
    en wier oren niet staan naar de echte verhalen over de indianen.
    Dankwoord
    Aan het einde gekomen van mijn rede, wil ik graag een aantal mensen
    en instanties bedanken die er in de afgelopen jaren aan hebben
    bijgedragen dat ik hier deze rede heb mogen uitspreken.
    In de eerste plaats dank ik het vorige en huidige College van Bestuur
    voor het vertrouwen dat U heeft getoond door mij te benoemen tot
    persoonlijk hoogleraar in de archeologie van het Caraïbisch gebied.
    Sticusa en Oksna wil ik bedanken voor hun financiële steun in de eerste
    jaren van ons onderzoek op Saba. NWO ben ik zeer erkentelijk voor
    haar financiële ondersteuning van ons promotieonderzoek en daarna
    van twee kleine programma’s, een ASPASIA, een VIDI en recentelijk ook
    een VICI. Het Leids Universiteits Fonds wil ik danken voor haar steun
    aan het project voor de Campagne voor Leiden en de Bijvanck subsidies
    die de afgelopen jaren aan leden van onze onderzoeksgroep zijn
    toegekend. En tenslotte de Stichting Nederlands Museum voor
    Antropologie en Praehistorie voor haar steun aan onze projecten.
    In het bijzonder wil ik de verschillende mensen en instanties op de
    eilanden noemen die ons toestemming hebben verleend om onderzoek
    te doen. In het bijzonder het Bestuurscollege van het Eilandgebied
    Saba. André Delpuech, die in de jaren negentig vanuit het Franse
    Ministerie van Cultuur belast was met de archeologie op Guadeloupe.
    André merci à toi pour nous avoir accueilli en Guadeloupe et avoir
    entamé une coopération internationale, modèle pour la Caraïbe.
    23
    Marcio Veloz Maggiolo, directeur van het Museo del Hombre Dominicano
    in Santo Domingo. Estimado Marcio, muchas gracias por el recibimiento
    y por la cooperación internacional entre nuestras instituciones en las
    investigaciones de la Republica Dominicana.
    Hooggeleerde Louwe Kooijmans, Jansen en Willems, beste Leendert,
    Maarten en Willem, jullie hebben mij op vele manieren gesteund
    tijdens mijn loopbaan aan de Faculteit der Archeologie. Leendert, ik
    ben je dankbaar voor je harde maar zeer positieve feedback die je
    gedurende heel mijn carrière bent blijven geven. Je vond het graven in
    de Caraïben zwaar, maar interessant en inspirerend denk ik, want je
    bleef ons volgen.
    Maarten en Willem wil ik speciaal bedanken voor de voordracht van
    mijn benoeming tot persoonlijk hoogleraar.
    Maarten, helaas op dit moment in Mexico, is vanaf de beginjaren in
    Leiden mijn belangrijkste tutor geweest. Hij heeft mij bewust gemaakt
    van het belang van cultureel antropologisch onderzoek bij de studie
    van de archeologie van de Amerika’s.
    Willem, sinds vorig najaar vormen wij samen met Jochem Koopman het
    bestuur van de Faculteit. Onze eerste maanden samen zijn intensief
    geweest, we zitten op één lijn en ik hoop dat we onze samenwerking
    de komende jaren op dezelfde manier zullen voortzetten. Jouw inbreng
    van wereld erfgoedstudies binnen de Faculteit betekent voor ons
    onderzoek een grote verrijking, temeer als duidelijk moge zijn uit mijn
    rede dat op het gebied van de wetgeving de komende jaren nog heel
    veel te doen is met de nieuwe status van Saba, St. Eustatius en Bonaire
    als openbare lichamen van Nederland.
    24




0.3567 // 33