Memorie van Toelichting Wet fv BES

Download This Document (.pdf)



  • 1
    Regels met betrekking tot de financiële functie van de openbare
    lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hun bevoegdheid tot
    het heffen van belastingen en hun financiële verhouding met het
    Rijk (Wet financiële verhouding openbare lichamen Bonaire,
    Sint Eustatius en Saba)
    MEMORIE VAN TOELICHTING
    ALGEMEEN
    1. Inleiding nieuwe staatkundige verhoudingen
    p.m. zie WOLBES
    2. Inhoud van de wet
    De Wet financiële verhouding openbare lichamen Bonaire, Sint
    Eustatius en Saba (WfvBES) bevat de belangrijkste regelgeving op
    het gebied van de financiën van de drie openbare lichamen. In de
    notitie uitgangspunten Wet financiële verhouding Bonaire, Sint
    Eustatius en Saba (Kamerstukken II 2007/08, 31 200 IV, nr. 28, blz.
    18 e.v.) zijn de belangrijkste uitgangspunten voor deze wet
    vastgelegd. Het gaat om de drie volgende hoofdonderwerpen:
    a. de financiële functie: totstandkoming en inrichting van begroting en
    rekening, financieel beheer en -controle en het financieel toezicht;
    b. de belastingheffing: bevoegdheid tot het heffen van belastingen,
    en regels met betrekking tot de heffing en invordering van die
    belastingen, en
    c. de financiële verhouding met de centrale overheid.
    Voor de gemeenten zijn die onderwerpen deels geregeld in de
    Gemeentewet (onderdelen a en b) en deels in de Financiëleverhoudingswet
    (onderdeel c). De WfvBES wordt de financiële
    tegenhanger van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
    en Saba (WOLBES). Daarin wordt de bestuurlijke inrichting van de
    drie eilanden geregeld, alsmede de samenstelling en de
    bevoegdheid van hun besturen.
    Met ingang van 1 december 2007 is het Besluit tijdelijk financieel
    toezicht BES in werking getreden (Stb. 2007, 474). Daarin zijn regels
    gesteld voor financieel toezicht op de drie eilandbesturen, uit te
    oefenen door het College financieel toezicht, gedurende de periode
    tot aan het inwerkingtreden van de nieuwe staatkundige
    verhoudingen. Dat toezIcht heeft betrekking op de begroting en de
    rekening, maar ook op het financieel beheer. In de bovenvermelde
    notitie uitgangspunten Wet financiële verhouding Bonaire, Sint
    Eustatius en Saba is al vastgelegd dat de regelgeving in dat besluit
    zal worden geïntegreerd in de WfvBES en dat dit toezicht dus ook in
    2
    de nieuwe staatkundige verhoudingen van kracht zal zijn . Dat is
    gebeurd in hoofdstuk II van het wetsvoorstel: financiële functie.
    Er is wel een belangrijk verschil met de toezichtregeling in het
    genoemde besluit. In bijzondere gevallen wordt in dat besluit een rol
    toegekend aan de Minister van Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijksrelaties. Soms moet het College financieel toezicht in
    contact met hem treden om bepaalde maatregelen te kunnen treffen.
    De minister moet dan steeds handelen in overeenstemming met het
    gevoelen van de raad van ministers van het Koninkrijk. In een
    situatie waarin Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare
    lichamen deel uitmaken van het land Nederland ligt een dergelijke rol
    van de raad van ministers van het Koninkrijk, maar ook van de raad
    van ministers van het land Nederland, niet meer voor de hand.
    3. Financiële functie
    De regeling van de financiële functie omvat regels over de inrichting
    en totstandkoming van de begroting en rekening van de openbare
    lichamen en over de totstandkoming van besluiten met financiële
    gevolgen in het algemeen, de interne en externe controle daarop,
    alsmede het toezicht, zoals dat wordt uitgeoefend door het College
    financieel toezicht. Daarbij zijn de hoofdstukken XII, XIII en XIV van de
    Gemeentewet zo veel mogelijk als uitgangspunt genomen. Echter, bij de
    regeling van het toezicht is uitgegaan van het financieel toezicht zoals dat
    is geregeld in het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES (Stb. 2007, 474).
    Ook bij de regels over financieel beheer en verantwoording is de regeling
    in dat besluit als uitgangspunt genomen. Daarnaast is het in Nederland
    geldende Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten
    daar waar mogelijk ingepast.
    Het doel van de financiële functie is primair de financiële huishouding
    van de eilanden op orde te houden op basis van een democratische
    besluitvorming. Uitgangspunt daarbij is uiteraard de eigen
    verantwoordelijkheid van de openbare lichamen voor het gezond houden
    van hun financiën. De rol van het College financieel toezicht is
    voornamelijk die van een controlerende en indien nodig corrigerende
    instantie. Het toezicht is meer in het algemeen gericht op de beheersing
    van het begrotingsproces en het financieel beheer.
    Besluiten met financiële gevolgen
    Bij het gezond houden van de financiële positie van de openbare
    lichamen is het natuurlijk van groot belang zorgvuldig om te gaan met
    besluiten met financiële gevolgen. Daartoe behoren onder meer het
    deelnemen in privaatrechtelijke rechtspersonen en maatschappen,
    vervreemden van bezittingen van een openbaar lichaam, alsmede
    handelingen betreffende geldleningen en de liquiditeitstekorten. De
    regeling hiervan is afgeleid van het eerder genoemde Besluit tijdelijk
    financieel toezicht BES. Daar waar het gaat om besluitvorming rondom
    deelname in privaatrechtelijke rechtspersonen is daarnaast ook gekeken
    3
    naar artikel 160, tweede lid, van de Gemeentewet. Bestuurlijk is immers
    afgesproken dat de wettelijke bepalingen inzake gemeenten zoveel
    mogelijk van overeenkomstige toepassing zullen zijn op de drie openbare
    lichamen. Daarom is de regeling zoals die op dit punt is vastgelegd in
    artikel 160 van de Gemeentewet in dit voorstel geïntegreerd met de
    regeling in het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES. Dat heeft onder
    meer tot gevolg dat behalve het werken met privaatrechtelijke
    rechtspersonen ook maatschappen onder dit toezicht gaan vallen. Bij al
    deze handelingen heeft het College financieel toezicht een
    toezichthoudende taak.
    Bij de deelname in privaatrechtelijke rechtspersonen en
    maatschappen gaat het om het principe van het uitvoeren van
    overheidstaken via privaatrechtelijke constructies, ook wel aangeduid als
    corporate governance. Het beginsel van een integrale afweging van
    collectieve middelen en de financiële houdbaarheid van de
    overheidsfinanciën versus de financiële situatie van de betreffende
    rechtspersonen is hierbij de leidraad. In beginsel wordt het participeren in
    en het oprichten van privaatrechtelijke rechtspersonen ontmoedigd.
    Daarom staan in artikel 2.1 ook twee belangrijke voorwaarden. Een
    inhoudelijke voorwaarde is dat een dergelijk besluit slechts wordt
    genomen als dit noodzakelijk is voor het verrichten van de beoogde
    activiteit of ten behoeve van vervreemding van bezittingen van het
    eilandgebied. Een procedurele voorwaarde is dat een dergelijk besluit
    door het bestuurscollege ook niet wordt genomen dan nadat de
    eilandsraad een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid is
    gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuurscollege
    te brengen. Dat laatste is ook een gevolg van het integreren van het
    bepaalde in artikel 160 van de Gemeentewet in deze bepaling.
    Overwegingen om toch over te gaan tot het bewandelen van de
    privaatrechtelijke weg kunnen gelegen zijn in de wenselijkheid om als een
    privaatrechtelijk orgaan aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen
    of in het voornemen op termijn over te gaan tot privatisering van
    overheidsactiviteiten. Hiertoe kan het oprichten van een privaatrechtelijke
    rechtspersoon of een maatschap een noodzakelijke tussenstap zijn.
    Bijzondere eisen worden daarbij wel gesteld aan de deskundigheid en
    onafhankelijkheid van vertegenwoordigers van het eiland in besturen van
    vennootschappen; hierbij gelden algemene beginselen van corporate
    governance als leidraad.
    Vanwege het belang van besluiten op dit gebied is er preventief
    toezicht door het College financieel toezicht. Beslissingen tot het
    deelnemen in privaatechtelijke rechtspersonen en maatschappen zijn
    onderworpen aan de goedkeuring van het College financieel toezicht.
    Besluiten tot het benoemen en herbenoemen van vertegenwoordigers
    van een bestuurscollege of een openbaar lichaam in een
    privaatrechtelijke rechtspersoon behoeven een verklaring van geen
    bezwaar van het College financieel toezicht. Voornemens tot
    4
    (her)benoeming moeten dus eerst aan het College financieel toezicht
    worden voorgelegd voordat een besluit daartoe kan worden genomen.
    Het College financieel toezicht kan verder aanwijzingen geven aan
    vertegenwoordigers van het openbaar lichaam om te garanderen dat
    tegemoet wordt gekomen aan beginselen van goed bestuur.
    Bij vervreemding van bezittingen van een openbaar lichaam is het van
    belang zeker te stellen dat geen transacties gesloten worden die
    financieel in zijn nadeel zijn. Besluiten tot vervreemding van onroerende
    zaken, aandelen en concessies, en roerende zaken behoeven daarom de
    goedkeuring van het College financieel toezicht. Uitgangspunt is het
    financieel belang van het openbaar lichaam, waarbij er met name ook op
    toegezien moet worden, in de eerste plaats uiteraard door het openbaar
    lichaam zelf, dat vervreemding van bezittingen alleen plaatsvindt tegen
    marktconforme voorwaarden. Vervreemdingen die in strijd zijn met dit
    uitgangspunt zijn derhalve in strijd met de wet.
    Het betreden van de kapitaalmarkt heeft belangrijke financiële
    implicaties. Op grond van artikel 112 van de Eilandenregeling
    Nederlandse Antillen kunnen de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius
    en Saba geen geldleningen aangaan. Dat blijft zo onder de werking van
    deze wet. Wel hebben de drie openbare lichamen elk een rekeningcourant
    bij het College financieel toezicht ten behoeve van eventuele
    liquiditeitstekorten. Het opnemen van een krediet bij een andere instelling
    is niet toegestaan.
    Voor het doen van investeringen zijn er voor de openbare lichamen drie
    mogelijke vormen van financiering.
    a. De eerste optie is financiering via de eigen eilandsbegroting.
    Hiervoor zal dan tijdig een reservering opgebouwd moeten worden en
    dus zal er een overschot moeten bestaan.
    b. Een tweede optie is dat het eiland een departement bereid vindt de
    investering zelf te financieren, dan wel beschikbaar te stellen via een
    bijzondere uitkering. In dat geval zal dat departement de middelen
    moeten vinden binnen haar eigen begroting. Over bijzondere uitkeringen
    handelt paragraaf 3 van hoofdstuk IV van dit wetsvoorstel.
    c. De laatste optie is dat het openbare lichaam aan het land Nederland
    vraagt de investering te doen. Daarover handelt artikel 4.3. Een minister
    kan een openbaar lichaam een renteloze lening verschaffen voor het
    doen van de investering, die in feite een voorschot is op de vrije uitkering.
    Privaatrechtelijke rechtspersonen waarin de openbare lichamen
    deelnemen zullen over het algemeen wel op de kapitaalmarkt
    kunnen opereren. De financiële gevolgen daarvan zullen als gevolg
    van die deelneming ook kunnen drukken op de begrotingen van de
    betreffende openbare lichamen. Om die gevolgen beheersbaar te
    houden is in artikel 2.3 een “rentelastnorm” gesteld voor de gehele
    collectieve sector.
    5
    De norm voor de rentelast van de collectieve sector is voorshands
    erg strak gesteld: evenals in het Besluit tijdelijk financieel toezicht
    BES op gemiddeld 0 % per begrotingsjaar. Als een dreigende
    overschrijding van de rentelastnorm wordt veroorzaakt door
    uitgaven- en ontvangstenontwikkelingen in de collectieve sector,
    anders dan door een openbaar lichaam, kan het College financieel
    toezicht regels stellen ten aanzien van de betreffende
    rechtspersonen, ter beheersing van de rentelasten van de collectieve
    sector. Dat is een zwaar middel, dat ook niet lichtvaardig ingezet zal
    worden. In ieder geval moet daarvoor eerst overleg worden gevoerd
    met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Het
    college heeft echter een eigen verantwoordelijkheid.
    De rentelastnorm heeft ook betrekking op de rekening-courant bij het
    College financieel toezicht. Die kredietfaciliteit moet derhalve gemiddeld
    over een jaar op nihil uitkomen of een positief saldo te zien geven. Het
    College financieel toezicht heeft hier ook invloed op via enkele
    instrumenten die zijn vastgelegd in artikel 2.4. Om te voorkomen dat de
    rentelastnorm zal worden overschreden kan het College financieel
    toezicht een kredietmaximum en een overschotminimum vaststellen per
    maand, kwartaal of per half jaar (artikel 2.4, derde lid).
    De begroting en de jaarrekening.
    Elk najaar moet de eilandsraad een begroting vaststellen voor het
    komende kalenderjaar. Die begroting moet worden goedgekeurd door het
    College financieel toezicht. Het bestuurscollege mag geen uitgaven doen
    die niet zijn geraamd in een goedgekeurde begroting of een goedgekeurd
    besluit tot wijziging van de begroting. Het financieel beheer moet zodanig
    georganiseerd zijn dat dit ook daadwerkelijk niet gebeurt. Na afloop van
    het begrotingsjaar legt het bestuurscollege verantwoording af aan de
    eilandsraad over het gevoerde beheer en legt in dat verband een
    jaarrekening over. Een of meer door de eilandsraad aangestelde
    accountants controleren die rekening ten behoeve van de eilandsraad.
    Door het vaststellen van de jaarrekening déchargeert de eilandsraad het
    bestuurscollege ten aanzien van het in het betreffende begrotingsjaar
    gevoerde beheer. Dat laat overigens onverlet dat later in rechte
    onregelmatigheden zouden kunnen blijken. Daarover oordeelt dan de
    rechter.
    Terwille van een democratische besluitvorming over het financiële
    beleid en beheer is het essentieel dat de begroting en rekening
    zorgvuldig vormgegeven zijn. De eilandsraad moet een goed inzicht
    hebben in het door het bestuurscollege voorgestelde financiële beleid en
    de consequenties daarvan, om daarover bij het vaststellen van de
    begroting een verantwoord besluit te kunnen nemen. Datzelfde geldt
    natuurlijk in even sterke mate voor de verantwoording achteraf over het
    gevoerde beheer. Bij algemene maatregel van bestuur wordt nader
    bepaald hoe de begroting en rekening moeten zijn ingericht, maar in
    artikel 2.5 zijn al enkele eisen opgenomen waaraan ze in ieder geval
    6
    zullen moeten voldoen. Die zijn erg sober gehouden, maar in de
    bovenbedoelde algemene maatregel van bestuur zullen nadere regels
    gesteld worden.
    De begroting kent vier verplichte onderdelen, te weten een verplichte
    vermelding van de overeenkomstige bedragen over eerdere jaren, een
    post voor onvoorziene uitgaven, een meerjarenraming en een paragraaf
    weerstandsvermogen. Het in Nederland voor de provincies en
    gemeenten geldende Besluit begroting en verantwoording (BBV) kent in
    totaal 7 verplichte paragrafen. Dat zou op dit moment voor de openbare
    lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te ver gaan.
    Voor hen wordt voorgesteld op dit moment alleen een paragraaf
    weerstandsvermogen verplicht te stellen. In die paragraaf
    weerstandsvermogen moet in de eerste plaats in kaart worden gebracht
    over welke middelen en mogelijkheden het openbare lichaam beschikt
    om niet begrote kosten die onverwacht en substantieel zijn te dekken,
    zoals algemene reserves of onbenutte belastingcapaciteit. Daarnaast
    moeten de risico’s in beeld worden gebracht waarvoor geen
    voorzieningen zijn gevormd of die niet hebben geleid tot afwaardering
    van activa. Het gaat daarbij dus niet om reguliere risico’s die zich
    regelmatig voordoen en die veelal vrij goed meetbaar zijn. Daarvoor
    kunnen verzekeringen afgesloten worden of een voorziening gevormd.
    Door die risico’s enerzijds en de bovenbedoelde middelen en
    mogelijkheden anderzijds met elkaar te confronteren ontstaat een beeld
    van de weerstandscapaciteit: hoe robuust is de begroting. Mede door
    deze paragraaf is het voor de eilanden dus beter mogelijk om zicht te
    krijgen en te houden op hun financiële positie. Ook het voorschrift tot het
    opnemen van een meerjarenraming moet natuurlijk mede bezien worden
    in het licht van de behoefte om mogelijke risico’s in kaart te krijgen. Het
    College financieel toezicht beoordeelt in het kader van het financieel
    toezicht trouwens ook onder meer of de in de begroting opgenomen
    financiële verplichtingen en uitgaven geen onaanvaardbare risico’s met
    zich mee brengen voor toekomstige begrotingsjaren (artikel 2.13, tweede
    lid, onder d).
    Een post onvoorzien op de begroting is in feite een voorziening voor
    het geval in de loop van het jaar de noodzaak of wenselijkheid blijkt van
    het doen van uitgaven die niet op de oorspronkelijke begroting waren
    geraamd. De post onvoorzien biedt dan financiële ruimte om die uitgaven
    alsnog te doen. Wel zal dan in een besluit tot wijziging van de begroting
    dat geld de beoogde nieuwe bestemming gegeven moeten worden. Op
    die manier kunnen binnen een sluitende begroting toch nieuwe uitgaven
    gedaan worden.
    Daarnaast kan die post een rol spelen bij het toezicht door het
    College financieel toezicht. Als een openbaar lichaam zou weigeren
    een verplichte uitgave op de begroting te brengen heeft dat tot
    gevolg dat die uitgave ook niet kan worden gedaan. Artikel 2.17
    schrijft voor dat ten laste van het openbare lichaam geen uitgaven
    kunnen worden gedaan die niet bij goedgekeurde begroting of een
    7
    goedgekeurde begrotingswijziging zijn geraamd. Als het gaat om
    verplichte uitgaven kan het College financieel toezicht dan in het
    uiterste geval op grond van artikel 2.9 die uitgaven op de begroting
    brengen en zonodig ook voorzien in de dekking daarvan, door
    vermindering van de post voor onvoorziene uitgaven. Het alternatief
    is dat het College financieel toezicht in zo’n geval overige nietverplichte
    uitgaven vermindert.
    De eilandsraad moet voor alle taken en activiteiten jaarlijks de
    bedragen op de begroting brengen die hij daarvoor beschikbaar stelt, en
    de financiële middelen die hij naar verwachting kan aanwenden. Dat
    betekent dat ook alle verplichte uitgaven op de begroting moeten staan.
    Immers, het bestuurscollege mag alleen uitgaven doen die op een
    goedgekeurde begroting zijn geraamd en dat college mag niet in een
    positie komen te verkeren dat een uitgave moet worden gedaan,
    bijvoorbeeld wegens een wettelijke of contractuele verplichting, maar dat
    het die uitgave niet mag doen, omdat het daarvoor benodigde bedrag niet
    op de begroting is geraamd. Het College financieel toezicht ziet er ook op
    toe dat alle verplichte uitgaven op de begroting voorkomen. In het uiterste
    geval kan het College het benodigde bedrag zelf op de begroting
    plaatsen en zelfs ook een betalingsopdracht verlenen.
    In artikel 2.22 is het uitbrengen van een jaarverslag verplicht gesteld,
    omdat een jaarverslag ook de programmaverantwoording en paragrafen
    behelst. Opgemerkt wordt daarbij dat het een groeitraject is, maar wel
    van belang om direct rekening mee te houden. De onderdelen uit het
    artikel worden als onontbeerlijk gezien voor het op orde brengen van het
    financieel beheer. Het jaarverslag geeft een getrouw beeld van de
    toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en
    de resultaten. Het jaarverslag bevat tevens een beschrijving van de
    voornaamste risico’s en onzekerheden waarmee het eiland wordt
    geconfronteerd. Door de eilandsraad van deze informatie te voorzien,
    wordt het inzicht in de financiële positie van het eiland duidelijker en
    kunnen de risico’s beperkt blijven. In de algemene maatregel van bestuur
    op grond van artikel 2.5, eerste lid, zal nader worden bepaald aan welke
    eisen het jaarverslag zal moeten voldoen en zal ook het bovenbedoelde
    groeitraject worden uitgewerkt.
    Artikel 2.5, derde lid, onderdeel c, geeft aan dat de begroting een
    paragraaf weerstandsvermogen moet bevatten en een post onvoorzien.
    Een paragraaf weerstandvermogen is een middel om de robuustheid van
    de begroting te laten zien en aan te geven hoe robuust deze zou moeten
    zijn. Door aandacht voor het weerstandsvermogen en het opnemen van
    een post onvoorzien kan worden voorkomen dat elke financiële
    tegenvaller dwingt tot bezuinigingen.
    Toezicht op de begroting
    De taak van het College financieel toezicht is in het begrotingsproces
    controlerend en in bepaalde gevallen dwingend. Het College financieel
    toezicht dient een advies te geven over de ontwerpbegroting waarbij hij
    8
    ook aanbevelingen kan doen tot aanpassing van de begroting. Ook over
    voorstellen tot amendering van de begroting moet het College in de
    gelegenheid gesteld worden advies uit te brengen voordat de eilandsraad
    daarover mag beslissen.
    Nadat de eilandsraad de begroting heeft vastgesteld zal het College
    financieel toezicht goedkeuring moeten verlenen aan de vastgestelde
    begroting. In artikel 2.13, tweede lid, staat vermeld op basis van welke
    criteria het College financieel toezicht de begroting beoordeelt.
    Goedkeuring kan alleen worden onthouden wegens strijd met het recht of
    met het financieel belang van het openbaar lichaam. Bij gehele of
    gedeeltelijke onthouding zal er door de eilandsraad een nieuw ontwerp
    van de begroting moeten worden opgesteld. Ook een wijziging van de
    begroting dient goedgekeurd te worden door het College financieel
    toezicht.
    Ter wille van een tijdige besluitvorming voor het begin van het
    begrotingsjaar is voorgeschreven dat de begroting in ieder geval voor 15
    november ter goedkeuring ingezonden moet worden. Als het College
    financieel toezicht een week later nog geen begroting ter goedkeuring
    heeft ontvangen stelt hij zelf de begroting voor het betreffende openbaar
    lichaam vast, in overeenstemming met het gevoelen van de Minister van
    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
    Eerder is al aangegeven dat uitgaven alleen gedaan kunnen worden
    als daar in de goedgekeurde begroting rekening mee is gehouden. Er
    kunnen zich echter situaties voordoen waarin de goedkeuring niet kan
    worden afgewacht. Voor die situaties zijn voorzieningen getroffen zoals
    die ook gelden voor de gemeenten, op grond van de artikelen 208 tot en
    met 210 van de Gemeentewet. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een
    uitgave is geraamd in een begrotingswijziging, terwijl nog geen oordeel is
    gegeven over de primitieve begroting zelf. In dat geval moet aan het
    College financieel toezicht afzonderlijk toestemming gevraagd worden,
    vooruitlopend op de officiële goedkeuring. Als ook daar niet op gewacht
    kan worden, in noodsituaties, dan zal in de eilandsraad hoofdelijk
    gestemd moet worden over het doen van de uitgave. Het besluit moet
    naar het College financieel toezicht worden gezonden, tezamen met de
    betreffende begrotingswijziging, als die nog niet eerder mocht zijn
    toegezonden. Als het College financieel toezicht aan de betreffende
    begrotingswijziging achteraf de goedkeuring onthoudt, kunnen de leden
    die vóór het doen van die uitgave hebben gestemd door het College
    financieel toezicht persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.
    De situatie dat een begroting of begrotingswijziging nog niet is
    goedgekeurd zal zich overigens niet snel voordoen, omdat het College
    financieel toezicht steeds binnen twee weken het besluit omtrent
    goedkeuring bekend moet maken, met de eenmalige mogelijkheid tot
    verdaging met nog eens twee weken. Als het College financieel toezicht
    niet tijdig een besluit bekend maakt wordt de betreffende begroting of
    besluit tot wijziging daarvan geacht te zijn goedgekeurd.
    De jaarrekening
    9
    Na afloop van het begrotingsjaar dient de jaarrekening, samen met
    een jaarverslag, door het bestuurscollege aan de eilandsraad te worden
    aangeboden om verantwoording af te leggen over het gevoerde bestuur.
    Zoals hiervoor al aangegeven controleren een of meer door de
    eilandsraad aangestelde accountants die rekening ten behoeve van de
    eilandsraad. De eilandsraad stelt bij verordening regels vast voor de
    controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële
    organisatie. Die verordening moet waarborgen dat de rechtmatigheid
    daarvan wordt getoetst. Artikel 2.32 van het wetsvoorstel bepaalt meer in
    het algemeen binnen welke randvoorwaarden de betreffende
    accountants moeten opereren.
    Deze jaarlijkse rechtmatigheidscontrole moet de eilandsraad in
    staat stellen het gevoerde financieel beheer te beoordelen. Die
    controle wordt uitgevoerd door een of meer accountants die door de
    eilandsraad worden aangesteld. Die moeten een verklaring
    verstrekken en een verslag van bevindingen uitbrengen.
    De verklaring dient een expliciet oordeel te bevatten over de
    rechtmatigheid van de totstandkoming van de inkomsten en
    uitgaven. In een algemene maatregel van bestuur zullen nadere
    voorschriften worden gegeven over de accountantsverklaring.
    Bij de rechtmatigheid in het kader van de accountantscontrole is
    er een duidelijke relatie met het financiële beheer. Financieel beheer
    bevat naast de beheershandelingen ook de vastlegging daarvan in
    de administraties. Ook de naleving van de verslagleggingregels,
    zoals die opgenomen zullen worden in de algemeen maatregel van
    bestuur, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, is een aspect van
    rechtmatigheid. Het oordeel van de accountant over de
    rechtmatigheid van de jaarrekening geeft de raad een effectief
    instrument in handen voor de controle op het gevoerde financieel
    beheer en de wijze waarop daarover door het bestuurscollege
    verantwoording is afgelegd.
    De eilandsraad stelt de jaarrekening vast. Hij kan echter besluiten tot
    een indemniteitsprocedure als hij onrechtmatigheden constateert. Het
    oordeel dat sprake is van onrechtmatigheden is een verantwoordelijkheid
    van de eilandsraad zelf. De accountant is immers geen orgaan van het
    openbare lichaam en kan dus ook niet een dergelijk formeel besluit
    nemen. De verklaring en het verslag van de accountant spelen natuurlijk
    wel een belangrijke rol, maar de beslissing tot het voeren van een
    indemniteitsprocedure kan dus ook worden genomen bij een
    goedkeurende verklaring van de accountant.
    Het bestuurscollege zal met betrekking tot de uitgaven waar de
    eilandsraad een vraagteken bij zet een voorstel voor een afzonderlijk
    indemniteitsbesluit aan de eilandsraad moeten voorleggen. Door het
    aannemen van dat besluit wordt het bestuurscollege alsnog
    gedéchargeerd voor de betreffende uitgaven. Het gevolg van een
    indemniteitsprocedure kan niet zijn dat bedragen buiten de rekening
    10
    worden gelaten en dat leden van het bestuurscollege persoonlijk
    aansprakelijk gesteld worden.
    Het overleg over het indemniteitsbesluit heeft vooral een politiek
    karakter. Essentie van de procedure is de uitleg van het bestuurscollege
    en de politieke weging daarvan door de eilandsraad. Aan de discussie
    kunnen dus desgewenst wel politieke gevolgen verbonden worden. Na
    vaststelling van de jaarrekening zijn de leden van het bestuurscollege
    zoals gezegd ontlast van het verantwoorde financieel beheer. Hierbij is
    een voorbehoud gemaakt voor later in rechte gebleken
    onregelmatigheden.
    Na vaststelling van de jaarrekening en eventueel het
    indemniteitsbesluit worden deze naar het College financieel toezicht
    gezonden, voor 15 juli van het jaar, volgend op het begrotingsjaar. Het
    College financieel toezicht heeft de mogelijkheid een accountant een
    onderzoek te laten doen naar de jaarrekening en kan, als de jaarrekening
    daar aanleiding toe geeft, aan het bestuurscollege een advies geven over
    wijziging van de lopende begroting naar aanleiding van gebleken tekorten
    op gewone diensten, kapitaaldiensten of overschrijding van de
    rentelastnorm.
    Financieel beheer en de controle
    De uitvoering van het in de begroting aangekondigde beleid met
    financiële gevolgen, zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant,
    moet worden opgenomen in een voorziening. Dat kan zijn een formele
    verordening of regeling, dan wel een intern voorschrift, afhankelijk van
    wat voor soort beleidsmaatregel is voorgeschreven. Als vaststelling of
    invoering van een dergelijke voorziening uitblijft, rapporteert het College
    financieel toezicht hierover aan de ministers van Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijksrelaties en van Financiën. De uitvoering van de begroting kan
    immers in gevaar komen. In het uiterste geval kunnen beide ministers
    gezamenlijk het College financieel toezicht belasten met het treffen en
    uitvoeren van bijzondere maatregelen.
    Deze ingreep acht de regering nodig om er zeker van te zijn dat
    begrotingen ook worden uitgevoerd. Als in de begroting bijvoorbeeld
    belastingmaatregelen zijn aangekondigd, moeten die hun legitimatie
    krijgen in ter zake vastgestelde of gewijzigde belastingverordeningen. Als
    die maatregelen niet getroffen worden, kunnen de geraamde belastingen
    niet geheven worden en dreigt een ontvangstenpost van de begroting
    niet gerealiseerd te worden. Een dergelijke situatie moet naar het oordeel
    van de regering vermeden worden.
    De eilandsraad is primair verantwoordelijk voor een goede
    organisatie van het financieel beheer. Artikel 2.28 legt vast dat de
    eilandsraad bij verordening de uitgangspunten vastlegt voor het
    financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie.
    Die verordening moet waarborgen dat wordt voldaan aan de eisen
    van rechtmatigheid, doelmatigheid, verantwoording en controle.
    11
    Het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES kent het College financieel
    toezicht een belangrijke rol toe bij het toezicht op het financiële
    beheer (artikel 21 van dat besluit). Die rol wordt gehandhaafd in dit
    wetsvoorstel (artikel 2.28). Het College kan te allen tijde een
    onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de
    financiële organisatie, kan daarover afspraken maken met de
    bestuurscolleges en zonodig zelfs aanwijzingen geven. Ook de
    overige bepalingen op het gebied van het financiële beheer in het
    Besluit tijdelijk financieel toezicht BES (artikelen 22 tot en met 24)
    zijn overgenomen in dit wetsvoorstel.
    Artikel 2.29, vijfde lid, bevat een vergaande bevoegdheid voor het
    College financieel toezicht. Ondanks het goedkeuren van de
    begroting en besluiten tot wijzigen daarvan kan het College
    begrotingen of begrotingsartikelen aanwijzen ten laste waarvan
    geen financiële verplichtingen mogen worden aangegaan voordat het
    College daarmee heeft ingestemd. In de praktijk zal dat echter
    beperkt blijven tot de situaties waarbij grote risico’s worden gelopen
    met betrekking tot de budgettaire beheersing. Daarmee wordt
    gedoeld op de realisatie van een sluitende gewone dienst, het niet
    overschrijden van de rentelastnorm of de controle over het financiële
    beheer. Vanwege de zwaarte van dit instrument is voorzien in een
    voorafgaand overleg over de aanwijzing met de minister van
    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Een overlegverplichting
    houdt formeel in dat het College het standpunt van de minister niet
    behoeft over te nemen. Gezien de onderlinge verhoudingen zal het
    College dit standpunt in de praktijk echter niet naast zich neer
    kunnen leggen.
    Rechtsbescherming
    De Nederlands Antilliaanse Landsverordening administratief recht
    (LAR) zal als Wet administratieve rechtspraak Bonaire, Sint Eustatius en
    Saba (WarBES) van toepassing zijn in de openbare lichamen Bonaire,
    Sint Eustatius en Saba. In de Algemene wet bestuursrecht zal een
    bepaling worden opgenomen dat de hoofdstukken 6 tot en met 8 van die
    wet niet van toepassing zijn op besluiten die hoofdzakelijk de rechtsfeer
    van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba betreffen,
    maar de WarBES. Daarmee staat onmiskenbaar vast dat de Nederlandse
    bestuursrechter niet bevoegd is te oordelen over beroepen tegen
    besluiten van het College financieel toezicht ten aanzien van de
    opernbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De WarBES zal ook
    op deze besluiten van toepassing zijn.
    In het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES is beroep op de Kroon
    opengesteld (artikel 28). De reden daarvoor was dat geschillen tussen
    eilandbesturen en het College financieel toezicht, en zeker geschillen
    tussen de eilandbesturen en de minister van Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijkrelaties, het landsniveau overschrijden. Daarom werd het
    verstandig geoordeeld een koninkrijksorgaan te betrekken bij de
    12
    beslechting van het geschil. Nu onder de nieuwe constitutionele
    verhoudingen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
    onderdeel zullen uitmaken van het land Nederland gaat die reden niet
    meer op.
    4. Belastingheffing
    In hoofdstuk III wordt voor de drie openbare lichamen de
    bevoegdheid gecreëerd zelf lokale belastingen op te leggen. De
    opbrengst van deze belastingen die op het openbare lichaam wordt
    gerealiseerd, is – anders dan bij de rijksbelastingen het geval is – in
    beginsel ter vrije besteding van het desbetreffende openbare
    lichaam. Er is echter ook voorzien in de bevoegdheid tot het heffen
    van rechten. In dat geval gaat het om kostenverhaal. In dit deel van
    de toelichting wordt achtereenvolgens ingegaan op: 1) de algemene
    beginselen, 2) de grondbelasting, 3) de overige lokale heffingen en
    4) de formeelrechtelijke inbedding en invordering van de lokale
    heffingen en rechten.
    Algemene beginselen
    De gekozen systematiek in hoofdstuk III van de WfvBES is
    ontleend aan hoofdstuk XV van de Gemeentewet en komt dan ook
    nagenoeg overeen met de voor Nederlandse gemeenten geldende
    systematiek. Deze keuze heeft tot gevolg dat in hoofdstuk III
    allereerst wordt voorzien in een verbod op de heffing van belastingen
    door het openbare lichaam naar inkomen, winst en vermogen.
    Vervolgens verkrijgen de openbare lichamen de bevoegdheid om
    één, meerdere of alle in hoofdstuk III opgesomde lokale belastingen
    in te voeren. Andere belastingen dan die uitdrukkelijk zijn opgesomd
    in hoofdstuk III mogen niet worden opgelegd door het openbare
    lichaam, behalve voor zover de bevoegdheid daartoe in andere
    formele wetten is vastgelegd. Dat laatste zal zich met name kunnen
    voordoen bij vormen van verhaal van kosten die worden veroorzaakt
    door de uitvoering van medebewindstaken die in dezelfde bijzondere
    wet zijn geregeld. Deze systematiek is ontleend aan de
    Gemeentewet, waardoor de openbare lichamen – net zoals de
    gemeenten dat nu al hebben – een duidelijk ingekaderd lokaal
    belastinggebied verkrijgen. Dit is spiegelbeeldig aan de huidige
    situatie, waar juist het belastinggebied van het land Nederlandse
    Antillen duidelijk is ingekaderd. Het eilandelijke belastinggebied kan
    in beginsel alle denkbare belastingen omvatten, tenzij de
    bevoegdheid om deze belastingen te mogen heffen expliciet behoort
    tot de taak van het land zoals bedoeld in artikel 2a van de
    Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA).
    De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zullen
    openbare lichamen zijn als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet.
    Dat artikel bepaalt dat de wet onder meer de taken en bevoegdheid
    van de openbare lichamen regelt. De bevoegdheid met betrekking tot
    de belastingheffing van de openbare lichamen is opgenomen in de
    13
    WfvBES. De voorgestelde wijziging in systematiek van een ‘open
    stelsel’ naar een ‘gesloten stelsel’ komt overeen met wat in artikel
    132, zesde lid, van de Grondwet is geregeld met betrekking tot
    provincies en gemeenten. Die bepaling bevat het gebod dat in de wet
    bepaalt welke belastingen door een gemeente of provincie kunnen
    worden geheven. Met ingang van de nieuwe staatkundige
    verhoudingen zal die systematiek dus ook in de openbare lichamen
    Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing zijn. Als bijkomend
    voordeel voorkomt een gesloten stelsel dat op den duur een keur
    aan ‘kleine heffingen’ ontstaat waarvan de perceptiekosten hoger zijn
    dan de opbrengsten. Overigens heeft de overgang van ‘open stelsel’
    naar ‘gesloten stelsel’ bij aanvang van de nieuwe staatkundige
    verhoudingen materieel niet veel gevolgen. Voor een toelichting
    hierop wordt verwezen naar de hieronder opgenomen subparagraaf
    ‘overige materiële lokale heffingen’.
    De beslissing tot invoering, afschaffing of wijziging van een lokale
    belasting is aan de eilandsraad van het openbare lichaam. Indien
    wordt besloten tot invoering (of wijziging) van een bepaalde lokale
    belasting zal bij de vormgeving van de lokale belastingen moeten
    worden voldaan aan de grenzen die de WfvBES stelt. Immers, voor
    iedere lokale belasting is een bepaling opgenomen met daarin een
    omschrijving van de belastingplichtige, het belastbare feit en het
    belastbare object. Deze elementen moeten terugkomen in de
    betreffende belastingverordening; voor het overige is de invulling aan
    de openbare lichamen zelf.
    Voorts mogen de openbare lichamen – net als Nederlandse
    gemeenten – bepaalde rechten opleggen ter dekking van de kosten
    die door hen worden gemaakt vanwege het gebruik van
    voorzieningen van het openbaar lichaam of ter zake van het genot
    van diensten die door het openbaar lichaam worden verstrekt (denk
    bijvoorbeeld aan paspoortleges). Anders dan bij de eilandbelastingen
    mogen de geraamde opbrengsten van de afzonderlijke rechten niet
    meer bedragen dan de geraamde kosten.
    De openbare lichamen kunnen besluiten bepaalde
    eilandbelastingen of rechten niet op te leggen, mits zij blijven voldoen
    aan de regels die aan hen worden gesteld in het kader van het
    financiële toezicht. Vanwege deze keuzevrijheden voor de drie
    openbare lichamen ligt het voor de hand dat de uiteindelijke omvang
    en invulling van het lokale belastinggebied per openbaar lichaam zal
    verschillen. Op deze wijze kan – net als bij Nederlandse gemeenten
    het geval is – op lokaal niveau het beste worden ingespeeld op
    lokale behoeften.
    Grondbelasting
    Momenteel is de grondbelasting geen eilandbelasting, maar een
    landsbelasting. Vanuit dit oogpunt kan het bevreemding wekken dat
    14
    de grondbelasting toch als lokale belasting is aangemerkt in
    paragraaf 2 van hoofdstuk III van de WfvBES. De reden voor de
    plaatsing van de grondbelasting in de WfvBES is drieledig, namelijk:
    A) De grondbelasting wordt jaarlijks geheven van
    belastingplichtigen die een onroerende zaak in bezit hebben en
    vertoont daarmee overeenkomsten met de Nederlandse onroerendezaakbelasting
    (hierna: OZB). De OZB is opgenomen in de
    Gemeentewet. Door de grondbelasting als lokale belasting aan te
    merken in de WfvBES, ontstaat – net als bij de algemene beginselen,
    de toeristenbelasting, de hondenbelasting, de precariobelasting, de
    ‘rechten’ en zoals nog zal blijken bij de formeelrechtelijke inbedding
    en het invorderingsrecht – een duidelijke parallel met de
    Gemeentewet.
    B) De aanslag grondbelasting wordt momenteel opgelegd door het
    land (de Antilliaanse belastinginspecteur), maar deze wordt
    ingevorderd door het eilandgebied (de eilandontvanger). Het
    eilandgebied mag deze opbrengst vrijelijk aanwenden op de
    begroting van (de eilandgebieden) Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
    De grondbelasting neemt hierdoor een hybride positie in. Door de
    grondbelasting als lokale belasting aan te merken in de WfvBES,
    blijft de opbrengst ook na de ingang van de nieuwe staatkundige
    verhoudingen vrij besteedbaar op de begroting van (de openbare
    lichamen) Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
    C) De grondbelasting is met ingang van 1 januari 1929 afgeschaft
    in onder andere Sint Eustatius en Saba, terwijl de grondbelasting wel
    nog steeds op Bonaire wordt geheven. Door de grondbelasting als
    lokale belasting aan te merken in de WfvBES, krijgen de
    eilandsraden van de openbare lichamen zelf de mogelijkheid om
    desgewenst de huidige situatie te bestendigen.
    Deze drie redenen hebben er toe geleid dat de grondbelasting is
    opgenomen in de WfvBES. Bij de vormgeving van de bepalingen
    betreffende de grondbelasting is – op de heffingsmaatstaf na – zo
    dicht mogelijk gebleven bij de tekst van de thans in de Nederlandse
    Antillen geldende Grondbelastingverordening 1908.
    Overige materiële lokale heffingen
    De opsomming van de overige mogelijke lokale heffingen zoals
    opgenomen in de paragraaf 3 van hoofdstuk III de WfvBES wijkt
    deels af van die in de Gemeentewet, hetgeen rechtstreeks voortvloeit
    uit de Slotverklaring van de Miniconferentie van 10 en 11 oktober
    2006 (bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 30 800 IV, nr. 5). Immers,
    de overeenkomstsluitende partijen hebben zich in punt 5 van de
    Slotverklaring in beginsel uitgesproken voor – in ieder geval een
    aantal jaren – de handhaving van de geldende Nederlands-
    Antilliaanse regelgeving. Dit uitgangspunt is voor wat betreft het
    15
    lokale belastinggebied in grote lijnen geëerbiedigd, door in de
    WfvBES de belangrijkste thans op Bonaire, Sint Eustatius en Saba
    geldende eilandbelastingen op te nemen als lokale belasting. Het
    gaat om de toeristenbelasting (momenteel: de
    logeergastenbelasting), de autoverhuurbelasting, de
    motorrijtuigenbelasting, de kansspelbelasting (momenteel: het
    variabele deel van de loterij- en casinorechten), de hondenbelasting,
    de precariobelasting en de havenbelasting (momenteel: de haven-,
    lig- en loodsgelden). Voorts kunnen de bestaande retributies blijven
    bestaan onder de noemer ‘rechten’ zoals bedoeld in de artikelen 3.22
    tot en met 3.24 van de WfvBES. Hierdoor wordt vooralsnog de
    bestaande praktijk voor zowel lokale overheid, burgers, toeristen en
    bedrijven in grote lijnen gehandhaafd.
    Overigens zijn de toeristenbelasting, hondenbelasting en
    precariobelasting alsmede de ‘rechten’ ook terug te vinden in de
    Gemeentewet, waardoor de autoverhuurbelasting, de
    motorrijtuigenbelasting, de kansspelbelasting en de havenbelasting
    afwijkende lokale heffingen zijn die openbare lichamen wèl en
    Nederlandse gemeenten niet mogen opleggen. Omgekeerd geldt dat
    de roerende ruimtebelasting, de baatbelasting, de forensenbelasting,
    de parkeerbelasting, de reclamebelasting en de rioolheffing wèl door
    Nederlandse gemeenten mogen worden geheven en door de
    openbare lichamen juist niet. Het is de vraag of uiteindelijk de
    omschrijving van de mogelijke lokale belastingen voor de openbare
    lichamen ooit gelijkluidend zal zijn aan die voor Nederlandse
    gemeenten. In dit kader wordt verwezen naar de laatste zin van punt
    5 van de Slotverklaring waaruit volgt dat de mogelijkheid blijft
    bestaan tot invoering van voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
    Eustatius en Saba geldende afwijkingen op het Nederlandse recht.
    Ter illustratie van het voorgaande wordt bij wijze van voorbeeld
    gewezen op de forensenbelasting. De invoering van een dergelijke
    lokale belasting in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
    Saba ligt – vanwege het ontbreken van forensen – niet voor de hand.
    Dit verschil tussen het in Europa gelegen deel van het land
    Nederland enerzijds en deze drie openbare lichamen anderzijds zal
    vrijwel zeker permanent blijken te zijn.
    Daarnaast is de samenstelling van de economieën van de
    openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wezenlijk anders
    dan die in Nederland. Het toerisme is voor Bonaire, Sint Eustatius en
    Saba één van de belangrijkste kurken waarop de lokale economieën
    drijven. Net zoals de plaatselijke bevolking en het lokale bedrijfsleven
    maken de toeristen die op deze eilanden verblijven gebruik van
    (enkele van) de publieke voorzieningen. Het lijkt dan ook niet
    onredelijk om de eigen – niet al te omvangrijke – bevolking en het
    bedrijfsleven deels te ontzien door de belastingdruk gedeeltelijk te
    verschuiven naar toeristen. Overigens zal dit wel met mate moeten
    gebeuren omdat een te hoge belastingdruk uiteindelijk weer
    16
    negatieve gevolgen kan hebben voor de toerismesector op deze drie
    eilanden. Immers, een te hoge belastingdruk kan tot gevolg hebben
    dat een bestemming zich uit de markt prijst en dat (een deel van) de
    toeristenstroom zich verplaatst naar goedkopere naburige eilanden
    hetgeen weer negatieve gevolgen kan hebben voor de opbrengsten
    uit toerisme gerelateerde heffingen. Het vinden van een evenwicht is
    weliswaar een delicaat proces maar de verschillende eilandgebieden
    van de Nederlandse Antillen lijken dit evenwicht in ieder geval niet
    nadelig te hebben verstoord door niet alleen de overnachtingen in
    hotels te belasten (de toeristenbelasting), maar door ook bepaalde
    specifieke bestedingen van met name toeristen in de heffing te
    betrekken. Zolang het toerisme een belangrijke pijler blijft van de
    economie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
    Saba is er geen noodzaak de autoverhuurbelasting en (ten dele) de
    havenbelasting te laten verdwijnen.
    Formeelrechtelijke inbedding en invordering
    De bepalingen betreffende de formeelrechtelijke inbedding van de
    lokale belastingen alsmede de invordering van de lokale belastingen
    zoals neergelegd in paragraaf 4 van hoofdstuk III van de WfvBES
    komen in hoofdlijnen overeen met de bepalingen in paragraaf 4 van
    Hoofdstuk XV van de Gemeentewet. Het voorgaande betekent dat
    de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet
    1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen door middel van
    een schakelbepaling in artikel 3.27 van de WfvBES in beginsel van
    toepassing zijn op de lokale belastingen en rechten zoals opgesomd
    in de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk III van de WfvBES.
    Deze vormgeving heeft als groot voordeel dat de huidige situatie
    waarin iedere eilandbelastingverordening zelfstandige formele en
    invorderingsbepalingen bevat tot het verleden kan gaat behoren. De
    huidige versnippering heeft tevens tot gevolg dat van eenduidigheid
    geen sprake is. De gekozen vormgeving in de WfvBES heft deze
    nadelen op, waardoor een doelmatiger en eenvoudiger systeem
    ontstaat.
    Daarnaast wordt – zoals reeds opgemerkt – een duidelijke parallel
    getrokken met de Gemeentewet. Immers, de bepaling in artikel 3.27,
    eerste lid, van de WfvBES is gelijkluidend aan de schakelbepaling in
    artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet. Dit laatste is vooral
    mogelijk omdat voor de rijksbelastingen die gaan gelden in de
    openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in beginsel ook
    de AWR, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering
    rijksbelastingen van toepassing worden verklaard. Het voorgaande
    vanwege het feit dat de Belastingdienst na de inwerkingtreding van
    de nieuwe staatkundige verhoudingen de uitvoering (lees: heffing,
    inning en controle) van de rijksbelastingen in deze openbare
    lichamen ter hand zal nemen. Vermoedelijk zullen overigens voor de
    heffing en invordering van rijksbelastingen op Bonaire, Sint Eustatius
    17
    en Saba sommige artikelen van de genoemde wetten buiten
    toepassing worden verklaard. Diezelfde artikelen zullen dan in
    beginsel ook niet van toepassing zijn op de heffing en invordering
    van eilandbelastingen.
    De uitvoering van de lokale belastingen wordt niet verricht door de
    Belastingdienst, maar door de eilandambtenaren die ingevolge artikel
    3.27 van WfvBES zijn belast met de heffing of de invordering van de
    eilandbelastingen. Dit is vergelijkbaar met de uitvoering van de
    gemeentelijke belastingen, die in handen is van
    gemeenteambtenaren belast met de heffing en invordering van
    gemeentelijke belastingen. De politieke verantwoordelijkheid voor de
    uitvoering van de lokale belastingen ligt dan ook bij de bestuurders
    van het openbare lichaam, zoals die in de gemeenten bij het college
    van burgemeester en wethouders ligt. Zij zijn verantwoording
    verschuldigd aan de eilandsraad respectievelijk de gemeenteraad.
    Het voorgaande leidt ertoe dat op alle burgers en bedrijven in
    zowel het in Europa gelegen deel van het land Nederland
    (Nederland) als in het in het Caribische gebied gelegen deel van het
    land Nederland (de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en
    Saba) voor alle rijksbelastingen (in Nederland en op Bonaire, Sint
    Eustatius en Saba), lokale belastingen (op Bonaire, Sint Eustatius en
    Saba) en gemeentelijke en andere decentrale belastingen (in
    Nederland) dezelfde regels betreffende rechtsbescherming,
    rechtshandhaving en invorderingsrecht van toepassing zijn.
    5. Financiële verhouding
    Voor het voorzieningenniveau in de openbare lichamen Bonaire, Sint
    Eustatius en Saba is gekozen voor een regionale invalshoek, aansluitend
    bij de leidraad voor de commissie Havermans die het niveau van Curaçao
    als ‘benchmark’ heeft genomen. Dit “Havermanskader” is het
    uitgangspunt bij aanvang van de nieuwe staatkundige verhoudingen ten
    behoeve van alle activiteiten die uitgevoerd moeten worden ten behoeve
    van de drie openbare lichamen variërend van het eigen bestuursapparaat
    tot aan de uitgaven die Nederlandse departementen gaan uitvoeren voor
    de drie openbare lichamen (zowel in de apparaats- als in de
    programmasfeer).
    Het is wenselijk het overheidsingrijpen en de daarbij behorende
    geldstromen bij de start van de nieuwe situatie te richten op het op
    niveau houden van dit voorzieningenniveau. Als dat immers niet
    gebeurt, zal er in de drie openbare lichamen een
    welvaartsontwikkeling op gang komen die sterk afwijkt van de rest
    van het Caribische gebied, zonder dat er een economische
    ontwikkeling aan ten grondslag heeft gelegen die een dergelijk
    voorzieningenniveau rechtvaardigt. Een kunstmatige invoering van
    het Nederlandse voorzieningenniveau betekent dat er een
    ontwikkeling op gang komt die niet gerechtvaardigd wordt door de
    18
    draagkracht van de eilandgebieden. Doordat de
    immigratiebewegingen groot zijn en slechts tegen hoge kosten
    controleerbaar, de concurrentie tussen de eilanden op het terrein van
    toerisme en financiële dienstverlening groot is en de onderlinge
    afhankelijkheden ook, wordt hierdoor het economische potentieel
    uitgehold en zullen ongewenste maatschappelijke effecten optreden.
    Gestreefd moet worden naar een economische ontwikkeling op de
    eilanden die een goede basis vormt voor een verdere toename van het
    voorzieningenniveau en daarmee gepaard gaande werkgelegenheid.
    Hierdoor zal het absorptievermogen van de eilanden toe kunnen nemen.
    De middelen die beschikbaar zijn zullen verdeeld worden over de
    eilanden conform een systematiek lijkend op de Financiëleverhoudingswet.
    Dat wil niet zeggen dat de openbare lichamen
    geïntegreerd zullen worden in het Gemeente- en Provinciefonds.
    Hoofdkenmerken zullen echter wel te herkennen zijn zoals een eigen
    belastinggebied, algemene uitkeringen (voor de openbare lichamen:
    vrije uitkeringen) en specifieke uitkeringen (voor de openbare
    lichamen: bijzondere uitkeringen) waar dat vanuit
    beleidsoverwegingen voor de hand liggend is. Taken die direct door
    het Rijk uitgevoerd worden leiden tot een financiële stroom richting
    de betreffende departementen. Taken die door de eilandgebieden
    zelf uitgevoerd worden zullen worden bekostigd via
    eilandsbelastingen, de vrije uitkering of bijzondere uitkeringen.
    Centraal blijft echter staan dat middelen de taken volgen, waarbij het
    totale voorzieningenniveau het niveau Havermans bij aanvang van
    de nieuwe situatie niet zal overschrijden. Bij de ontmanteling van het
    Land en de opbouw van de nieuwe openbare lichamen moet een
    keuze gemaakt worden wie er verantwoordelijk wordt voor de taken.
    Ook voor wat betreft de taken die het eilandgebied nu zelfstandig
    uitvoert geldt dat maatwerk geboden is. Voor sommige taken kan
    Nederland een rol krijgen, andere kunnen beter door de openbare
    lichamen worden uitgevoerd.
    De financiële verhouding met de openbare lichamen Bonaire, Sint
    Eustatius en Saba sluit zoveel mogelijk aan bij de systematiek van
    de financiële verhouding van het Rijk met de Nederlandse
    gemeenten. Wel is er bewust voor gekozen om een andere
    terminologie te hanteren, juist om ook het verschil te benadrukken.
    Waar in de verhouding Rijk-gemeenten wordt gesproken van een
    algemene uitkering wordt in de verhouding Rijk-openbare lichamen
    de term: “vrije uitkering” gehanteerd. Het verschil ten opzichte van de
    situatie van gemeenten is dat er op grond van de WfvBES drie
    aparte geldstromen zijn voor de drie eilanden (drie “BES-fondsen”).
    Er is hier dus geen sprake van een fonds zoals we dat kennen voor
    gemeenten met verdeelmaatstaven en de solidariteitsgedachte.
    Waar in de verhouding Rijk-gemeenten wordt gesproken van een
    specifieke uitkering wordt in de verhouding Rijk-openbare lichamen
    de term: “bijzondere uitkering” gehanteerd. Ten aanzien van de
    19
    bijzondere uitkeringen is met name het verschil de wijze van
    verantwoording en informatievoorziening. De regels zoals we die
    kennen voor specifieke uitkeringen aan gemeenten (o.a. SISA) zijn
    niet van toepassing op de bijzondere uitkeringen.
    Het startbedrag van de drie vrije uitkeringen en de indexering
    zullen worden geregeld in een algemene maatregel van bestuur op
    grond van artikel 4.9. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe de
    verdeling precies zal gaan plaatsvinden. De vaststelling van de
    hoogte is een resultante van:
    Het "eilandelijk financieel kader",
    minus de eigen inkomsten van het eiland uit belastingen, heffingen en
    retributies
    minus bijzondere uitkeringen aan de eilanden ten behoeve van uitvoering
    rijkstaken
    minus de bedragen die aan de begrotingen van de departementen
    worden toegevoegd voor de uitvoering van rijkstaken. Deze som wordt
    vervolgens per eiland nader bepaald. Zodra de taakverdeling in gang is
    gezet zal hier meer duidelijkheid over zijn.
    ARTIKELSGEWIJS
    HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
    Artikel 1.1
    In dit artikel worden enkele begrippen gedefinieerd die in de wet
    regelmatig gebruikt worden.
    Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden openbare lichamen op
    grond van artikel 134 van de Grondwet. Het begrip openbaar lichaam
    dat in deze wet wordt gebruikt kan zowel betrekking hebben op de
    rechtspersoon als op het grondgebied van het betreffende eiland.
    Volledigheidshalve is ook een definitie opgenomen van het begrip
    Rijksvertegenwoordiger. Die definitie is gelijk aan die in artikel 1 van
    de WOLBES.
    Voor een gezonde financiële positie van de openbare lichamen
    zijn ook de financiën van de collectieve sector in zijn geheel van
    belang. Zie met name artikel 2.3 van deze wet. Voor de definitie van
    de collectieve sector wordt gebruik gemaakt van de definities die de
    Verenigde Naties hanteren voor de internationale statistieken (het
    zogenaamde System of National Accounts). Deze definitie wordt in
    Europa ook gehanteerd voor het bepalen van de EMU-schuld en het
    EMU-tekort. In de kern komt de definitie erop neer dat een instelling
    tot de collectieve sector gerekend wordt als de ontvangsten
    voornamelijk afkomstig zijn uit collectieve heffingen zoals belastingen
    en premies. Als de ontvangsten voor meer dan de helft afkomstig zijn
    van de markt, dan is sprake van een marktpartij en niet van een
    onderdeel van de collectieve sector. Deze benaderingswijze is
    20
    gevolgd omdat normering pas zin heeft als onomstotelijk vaststaat
    waarop de normering betrekking heeft; de definities moeten duidelijk
    zijn.
    Bij het beoordelen van de financiële positie van de collectieve
    sector speelt de rentelast een belangrijke rol. De definitie van
    rentelast wordt weergegeven door de verhouding (breuk) tussen
    enerzijds de rente-uitgaven in het begrotingsjaar over de
    geconsolideerde schuld van de collectieve sector (teller) en
    anderzijds de gemiddelde ontvangsten van de collectieve sector over
    de drie jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de begroting wordt
    ingediend (noemer). Om praktische redenen wordt uitgegaan van de
    drie jaren (t-4 t/m t-2) die voorafgaan aan het jaar (t-1) waarin de
    begroting wordt ingediend en niet over de drie jaren (t-3 t/m t-1)
    direct voorafgaande aan het begrotingsjaar (t). Immers, het jaar
    voorafgaande aan het begrotingsjaar is nog niet afgesloten op het
    moment waarop de begroting wordt ingediend, waardoor de
    gegevens over de ontvangsten van de collectieve sector
    ontbreken.
    De definitie van geconsolideerde schuld is zodanig gekozen dat
    de onderlinge schulden van zelfstandige entiteiten (overheid,
    bedrijven, instellingen, organisaties) op een eilandgebied, die tot de
    collectieve sector van dat eilandgebied worden gerekend, niet
    meetellen. Bij consolidatie vallen die onderlinge schulden tegen
    elkaar weg. Bij de consolidatie van de schulden van een
    eilandgebied aan onderdelen van de collectieve sector van een
    ander eilandgebied of van het land gelden deze schulden als externe
    schuld. Een voorbeeld van dat laatste is de schuld van een
    eilandgebied aan de Sociale Verzekeringsbank.
    Tot schulden worden zowel gerekend schuldtitels in de vorm van
    bijvoorbeeld obligatieleningen als onderhandse lening- en
    kredietovereenkomsten. Ook (formeel en feitelijk) leverancierskrediet
    (openstaande crediteuren), indien de duur daarvan langer is dan in
    het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is, valt onder het begrip
    schuld. Aangenomen mag worden dat in het algemeen
    leverancierskrediet langer dan een maand niet gebruikelijk is.
    Het tweede lid komt overeen met het tweede lid van artikel 1 van
    de WOLBES en is ontleend aan artikel 4 van de Gemeentewet.
    HOOFDSTUK II FINANCIËLE FUNCTIE
    Afdeling 1 Besluiten met financiële gevolgen
    Artikel 2.1
    21
    Dit artikel is ontleend aan artikel 26 van het Besluit tijdelijk financieel
    toezicht BES. Het regelt de deelname in privaatrechtelijke
    rechtspersonen, hetzij door middel van aandelenbezit, hetzij door middel
    van deelname aan het bestuur (b.v. vennootschappen en stichtingen),
    alsmede de deelname in maatschappen. Het gaat hier niet om het begrip
    collectieve sector, die ook van belang is voor de financiën van de
    openbare lichamen. De afbakening, bedoeld in het vigerende System of
    National Accounts die wordt genoemd in de definitie van collectieve
    sector in artikel 1 is hier dus niet relevant. In paragraaf 3 van het
    algemeen deel van deze toelichting wordt dit toezicht nader toegelicht.
    Artikel 2.2
    Dit artikel bepaalt dat besluiten tot vervreemding van onroerende
    zaken, aandelen en concessies, en roerende zaken de goedkeuring
    behoeven van het College financieel toezicht. In paragraaf 3 van het
    algemeen deel van deze toelichting is dat al toegelicht, onder besluiten
    met financiële gevolgen.
    Voorkomen moet worden dat voor elke kleinigheid de goedkeuring is
    vereist. Het noemen van een bedrag waarbeneden de goedkeuring niet is
    vereist is echter lastig, omdat daarmee, door het verkopen tegen een te
    lage prijs, juist ontduiking van het goedkeuringsvereiste mogelijk zou zijn.
    In het Besluit tijdelijk financieel toezicht BES is dat nog iets anders
    geregeld (artikel 26, zesde lid). Daar staat dat dergelijke besluiten de
    instemming van het College behoeven als met toepassing van
    marktconforme voorwaarden voorzien kan worden dat met de
    vervreemding een geldelijk bedrag is gemoeid van meer dan Naf 10.000,-
    Het probleem daarmee is dat dit een subjectief criterium is, zodat niet van
    te voren vaststaat of een besluit al dan niet de instemming behoeft om
    rechtsgeldig te zijn.
    In plaats daarvan is in het vierde lid aangegeven dat het College
    financieel toezicht ten aanzien van door hem aan te geven soorten
    besluiten kan aangeven dat die de in het derde lid bedoelde goedkeuring
    niet behoeven. Op die manier kan voor elk openbaar lichaam een
    regeling op maat gemaakt worden ten aanzien van besluiten die al dan
    niet aan goedkeuring worden onderworpen.
    Artikel 2.3
    Dit artikel heeft betrekking op het kapitaalmarktgedrag van het
    openbaar lichaam en meer in het algemeen de collectieve sector
    waarvan het openbaar lichaam deel uitmaakt. In paragraaf 3 van het
    algemeen deel van deze toelichting, onder het hoofd “besluiten met
    financiële gevolgen” is al aangegeven dat de openbare lichamen zelf
    de kapitaalmarkt niet mogen betreden, maar dat ze wel een
    rekening-courantkrediet hebben bij het College financieel toezicht.
    Daarover handelt artikel 2.4.
    22
    Op die plaats is ook toegelicht dat voor de gehele collectieve
    sector een rentelastnorm geldt van 0% gemiddeld per jaar. Om te
    kunnen beoordelen of er al dan niet een overschrijding dreigt van die
    rentelastnorm ontvangt het College financieel toezicht jaarlijks van
    het Centraal Bureau voor de Statistiek van de Nederlandse Antillen,
    dat daarvoor samenwerkt met de Bank Nederlandse Antillen en het
    Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek, een overzicht van
    de voorlopige uitgaven-, ontvangsten-, tekort- en schuldcijfers van de
    collectieve sector van de openbare lichamen.
    In artikel 6.2 van het voorstel is een overgangsregeling
    opgenomen voor de eerste twee jaren na inwerkingtreding van de
    wet. In de praktijk gaat het over de periode waarbinnen een sluitende
    begroting tot stand zal moeten komen. Het streven is dat de Minister
    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van
    Financiën overeenstemming bereiken met de bestuurscolleges over
    het tijdpad en de tekortreeks, teneinde te komen tot een sluitende
    gewone dienst. Als die overeenstemming wordt bereikt dan geldt die
    rentelastnorm niet gedurende de aangegeven periode van twee jaar.
    De financiering van de t




0.8452 // 32