‘Onrust Financiële Sector’ Info aan Tweede Kamer.
Downlaod This Document (.pdf)
-
Gevolgen onrust voor het toezicht, de financiële
sector en de economie
Sinds de zomer van 2007 heerst onrust op de financiële markten. Uw Kamer heeft
aangegeven geïnformeerd te willen worden over de gevolgen hiervan voor het financiële
toezicht, de financiële sector en de reële economie in Nederland.
Alvorens hierop in te gaan wil ik twee opmerkingen plaatsten. Ten eerste wordt gezien de
grote mate van internationale integratie van financiële markten op dit moment op
internationaal en Europees niveau gekeken naar welke lessen er getrokken kunnen worden.
Eventuele besluitvorming dient ook op deze niveaus plaats te vinden. De eerste uitkomsten
van de verschillende trajecten worden in april van dit jaar verwacht. In deze brief licht ik zo
concreet mogelijk toe waar de discussies en het onderzoek zich op richten, zonder op de
uitkomsten hiervan vooruit te willen lopen. Ten tweede, marktpartijen hebben bij veel
knelpunten die zich nu voordoen zelf een sterke prikkel om tot een oplossing te komen. Het
is de taak van de autoriteiten om te zorgen dat de prikkels hierbij op de juiste plek liggen en
het toezicht adequaat is. Een goede balans is gewenst. Tevens is het van belang te waken
voor een overreactie in de vorm van te rigide additionele regelgeving.
Deze brief bestaat uit drie delen: de gevolgen voor het toezicht, de gevolgen voor de
Nederlandse financiële sector en de gevolgen voor de reële economie in Nederland. Bij de
gevolgen voor het toezicht ga ik nader in op het raamwerk voor het prudentieel toezicht
(Bazel II), transparantie, liquiditeitsrisicobeheer, waardingsstandaarden, het gebruik van
kredietbeoordelingen en de integriteit van credit rating agencies.
1. Gevolgen voor het toezicht
Raamwerk prudentieel toezicht
Het op grote schaal verpakken en doorverkopen van vorderingen en afgeleide producten,
gecombineerd met een gebrek aan transparantie, heeft ertoe geleid dat professionele
marktpartijen moeite hebben met het lokaliseren van risico’s en waarderen tegen
marktwaarde van deze complexe kredietproducten. Het is belangrijk dat - de veelal
professionele – investeerders volledig op de hoogte zijn van de achterliggende risico’s van
deze producten. Daarom wordt gekeken naar verbeterpunten in het kapitaaleisenraamwerk
onder Basel II. Ideeën hierover concentreren zich op het vergroten van de transparantie,
aanpassingen in het securitisatieraamwerk en het actualiseren van principes voor
liquiditeitsrisicobeheer. Het is van belang om op te merken dat het nieuwe kapitaalakkoord (
Basel II), dat per 1 januari 2008 volledig in werking is getreden, op verschillende punten
aanscherpingen bevat ten opzichte van het oude kapitaalakkoord (Basel I).
De derde pijler van het Basel II kapitaalakkoord vereist dat banken bepaalde informatie
periodiek openbaar maken. Het verstrekken van informatie aan het publiek, over
bijvoorbeeld de samenstelling en toereikendheid van het kapitaal, de gesecuritiseerde
posities en de toepassing van risicomanagement activiteiten, versterkt de werking van
marktdiscipline. De komende tijd, zal worden bezien of verdere verbeteringen noodzakelijk
zijn.
Het Basel I bevat geen specifieke bepalingen ten aanzien van gesecuritiseerde posities van
banken. Onder Basel II mag een bank gesecuritiseerde posities uitsluitend buiten de
berekening van de solvabiliteitseis voor kredietrisico houden, als er daadwerkelijk risico’s
worden overgedragen en deze overdracht door de toezichthouder wordt erkend. Dit is een
verbetering ten opzichte van Basel I.
Het opdrogen van segmenten van de wereldwijde geldmarkt heeft ertoe geleid dat enkele
financiële instellingen in de problemen zijn geraakt. Deze problemen werden vooral
veroorzaakt doordat korte termijn financiering niet meer opnieuw kon worden aangetrokken.
Dit risico - het liquiditeitsrisico - wordt in het solvabiliteitsraamwerk van Basel II beperkt
geadresseerd. Het liquiditeitstoezicht wordt uitgeoefend op basis van nationale regelgeving,
die per land verschilt. De financiële onrust, en de versterkende rol die het opdrogen van de
geldmarkt hierin heeft gespeeld, heeft aangetoond dat meer aandacht voor liquiditeitsbeheer
nodig is. In verschillende internationale fora, zoals het Bazels Comité en Committee of
European Banking Supervisors (CEBS), wordt nu gewerkt aan een actualisering van de
principes voor liquiditeitsrisicobeheer.
Waarderingsgrondslagen
De moeite die marktpartijen hadden om tot een waardering van complexe kredietproducten
tegen marktwaarde te komen bracht nog een ander knelpunt naar voren. Onder normale
omstandigheden is men onder de huidige financiële rapportage regels (IFRS) verplicht te
waarderen tegen marktwaarde. IFRS bevat echter ook uitzonderingsregels voor situaties
waarbij een markt illiquide wordt, zodat men toch tot een waardering kan komen (IAS39).
Aanpassing van deze regels is niet nodig, wel is duidelijk geworden dat deze regels een
nadere toelichting nodig hebben. Hier aan wordt onder het Bazels-comité gewerkt. Het
illiquide worden van bepaalde markten ontstond door onvoldoende transparantie over de
vraag wie welke verliezen te verwerken zou krijgen. IFRS heeft met ingang van 2007 een
standaard uitgevaardigd (IFRS 7) om dit te verbeteren. De effecten hiervan worden in
voorjaar 2008 duidelijk.
Credit rating agencies en het gebruik van kredietbeoordelingen
Mede in het licht van de financiële onrust is er discussie ontstaan over het gebruik van
kredietbeoordelingen. Er lijkt te veel waarde te zijn gehecht aan de kredietbeoordeling door
zowel uitgevers van schuldpapier als beleggers zonder dat daarbij, in het geval van de
complexe kredietproducten, de onderliggende waarden werden gecontroleerd. Ook geven
veel beleggers hun asset managers een mandaat waarin ze hen enkel toestaan in activa
vanaf een bepaalde minimumkredietbeoordeling te investeren. Bij een neerwaartse
bijstellingen van kredietbeoordelingen kan dit leiden tot een verkoopgolf omdat de
neerwaarts bijgestelde assets uit de portefeuille worden gehaald. Beleggers vertrouwen
soms ook (te) sterk op kredietbeoordelingen omdat zij deze beschouwen als een indicatie
van alle risico’s. Terwijl het risico dat liquiditeit in de markt opdroogt niet wordt meegenomen
in de kredietbeoordelingen.
Ten aanzien van het gebruik van kredietbeoordelingen hebben beleggers duidelijk een eigen
rol. Beleggers zouden kredietbeoordelingen slechts moeten gebruiken als input bij hun
afwegingen. Zij moeten niet blind varen op een kredietbeoordeling, maar zij moeten hier wel
toe in staat worden gesteld. Credit Rating Agencies (CRA’s) moeten daarom meer informatie
verstrekken over de beoordelingen en de onzekerheden die horen bij hun werkwijze. CRA’s
hebben aangekondigd maatregelen te zullen nemen. Ook moet worden opgemerkt dat de
prikkel van het reputatierisico voor CRA’s mogelijk onvoldoende werkt omdat er te weinig
aanbieders zijn.
Ook de integriteit van CRA’s staat door de kredietcrisis extra in de belangstelling. Er kunnen
zich bij CRA’s verschillende risico’s voordoen op het gebied van belangenverstrengelingen.
Ten eerste wordt de CRA betaald door de verkrijger van de kredietbeoordeling, die belang
heeft bij een zo gunstig mogelijke beoordeling. Ten tweede ontplooien CRA’s ook andere
activiteiten zoals adviesdiensten. Dit risico is bij het beoordelen van complexe
kredietproducten mogelijk groter. Hier bestaat een nauwere band tussen de uitgever van het
schuldpapier en de CRA’s dan bij het verstrekken van een kredietbeoordeling van
ondernemingen. Door de gelaagdheid en intransparantie van deze complexe
kredietproducten vertrouwen beleggers ook meer op kredietbeoordelingen. Dit vergroot de
invloed van CRA’s op de vraag naar deze producten, terwijl het beoordelen een
inkomstenbron voor CRA’s is. Ten derde wordt de markt voor kredietbeoordelingen beheerst
door slechts drie spelers. Hierdoor is weinig ruimte om te wisselen van CRA en kan de markt
mogelijk niet goed functioneren. Ten slotte kunnen er problemen zijn bij de methodologie, de
doorlopende controle op de juistheid van de kredietbeoordeling en de wijze waarop CRA’s
deze uitleggen.
Eventuele belangenverstrengeling moet worden tegengegaan door strikte naleving van de
IOSCO gedragscode (de wereldwijde organisatie van effectentoezichthouders). Indien blijkt
dat de gedragscode tekort schiet, moet deze worden aangescherpt. De IOSCO gedragscode
wordt in het algemeen goed toegepast en tot nu toe vonden ook de Europese Commissie en
het Comité van Europese Effectentoezichthouders (CESR), aanvullende regelgeving niet
nodig.
Vooralsnog ben ik terughoudend ten aanzien van internationaal toezicht op CRA’s. Temeer
omdat het onder toezicht brengen van CRA’s mogelijk met zich brengt dat beleggers nog
meer zullen vertrouwen op de kwaliteit van de kredietbeoordelingen. Dit is onwenselijk. Ook
leidt toezicht tot een toename van de toetredingsdrempels in de markt terwijl juist meer
aanbieders gewenst zijn. Ik wil eigen initiatieven van CRA’s, de uitkomsten van de
discussies in internationale fora zoals het Bazels Comité en het Financial Stability Forum en
de uitkomsten van het meest recente onderzoek van CESR, dat in maart verschijnt,
afwachten voor ik een definitief standpunt inneem.
Toezicht in de Europese Unie
De financiële onrust maakt duidelijk dat de convergentie en samenwerking op het gebied van
financieel toezicht een flinke duw in de rug moeten krijgen. Er is vooruitgang geboekt, maar
er is nog een lange weg te gaan. De huidige inrichting van het toezicht kent namelijk een
primaire nationale oriëntatie. De afspraken over convergentie van toezicht tussen
verschillende toezichthouders op Europees niveau hebben ook een te vrijblijvend karakter.
De nationale toezichthouders hebben bijvoorbeeld geen EU-breed mandaat en zouden
derhalve geen rekening hoeven te houden met belangen van andere EU lidstaten wanneer
zij besluiten nemen over financiële instellingen. Het belang van een Europees mandaat
wordt naar mijn mening steeds groter, gelet op de toename in grensoverschrijdende
activiteiten en de uitdagingen voor toezicht die daarmee samenhangen. De Ecofin heeft in
december afgesproken dat serieus moet worden gekeken naar de mogelijkheid van een
Europees mandaat.
Ook de samenwerking tussen toezichthouders is niet van bindende aard.
Grensoverschrijdende financiële instellingen hebben bij het reguliere toezicht te maken met
meerdere toezichthouders uit verschillende landen. In colleges van toezichthouders zouden
de meest relevante toezichthouders bijeen kunnen komen om in goed vertrouwen afspraken
te maken. Dit kan het toezicht effectiever en efficiënter maken. Een grensoverschrijdende
financiële instelling heeft immers in dat geval maar één aanspreekpunt. De precieze invulling
van deze colleges en de wijze waarop afspraken worden gemaakt is echter cruciaal. De
noodzaak voor samenwerking tussen toezichthouders en andere autoriteiten is misschien
wel het duidelijkst op het gebied van financieel crisismanagement. Slechte samenwerking
kan hier tot grote kosten in de sector en de samenleving leiden. Deze samenwerking neemt
steeds intensievere vormen aan. Zo worden nog voor de zomer nieuwe afspraken van kracht
op het gebied van samenwerking en informatie-uitwisseling bij een financiële crisis.
Een ontwikkeling waarbij colleges of supervisors een centrale rol krijgen in het Europese
toezicht is wenselijk. De colleges dienen gemeengoed te worden en dienen heldere en
transparante regels te krijgen. Tevens zou de toezichthouder die toezicht houdt op de
moeder van een grensoverschrijdende instelling (de ‘ consolidated supervisor’) een leidende
rol kunnen krijgen en het college kunnen voorzitten.
De institutionele structuur van Lamfalussy is de spil op bovenstaande gebieden, met name
de Niveau 3 Comités. Hierin zijn de toezichthouders van de EU verenigd. Ik zie graag een
aantal aanpassingen in de institutionele structuur van Lamfalussy om het convergentie
proces te stimuleren en te bespoedigen. Zo is Nederland voorstander van het versterken van
de juridische status van de Niveau 3 Comités, omdat nu niet officieel naar deze Comités
verwezen kan worden in Europese richtlijnen. Daarnaast komen de taken van de Niveau 3
Comités op het gebied van samenwerking en convergentie in het Europees toezicht op dit
moment niet geheel overeen met hun wettelijke verantwoordelijkheden. Hier zal ik
verandering stimuleren.
2. Gevolgen voor financiële sector in Nederland
De turbulentie op de financiële markten raakt financiële instellingen wereldwijd in de vorm
van toegenomen liquiditeitsrisico en afboekingen op subprime-gerelateerde gestructureerde
kredietproducten. Een bron van liquiditeitsrisico is dat banken minder gemakkelijk door hen
verstrekte leningen kunnen overdragen aan geïnteresseerde beleggers, omdat de
betreffende markten niet goed werken. Tegelijkertijd worden ze geconfronteerd met
trekkingen op liquiditeitsfaciliteiten door speciale off-balance entiteiten (zoals Conduits en
Structured Investment Vehicles) die door de turbulentie zijn geraakt.
De liquiditeitsproblemen kwamen het duidelijkst aan de oppervlakte toen in augustus 2007
de interbancaire geldmarkt vastliep. Door tijdelijke liquiditeitsinjecties en enkele
aanpassingen in het geldmarktbeleid zijn centrale banken erin geslaagd acute problemen te
voorkomen. Ook Nederlandse banken hebben te maken met verhoogde
liquiditeitsspanningen. In het liquiditeitsbeheer bij Nederlandse banken en het prudentiële
toezicht door DNB is rekening gehouden met genoemde off-balance exposures. Hiermee
onderscheidt Nederland zich positief ten opzichte van andere landen.
De directe subprime-gerelateerde exposures van Nederlandse banken zijn beperkt, zeker in
vergelijking met de grote buitenlandse zakenbanken. Niettemin moet ook het Nederlandse
bankwezen hier verliezen incasseren: over het derde kwartaal van 2007 is in totaal voor
circa EUR 1 miljard aan verliezen gerapporteerd. Afgaande op de eerste rapportages van
buitenlandse banken zijn de verliezen de afgelopen maanden opgelopen. De Nederlandse
grootbanken zijn bezig met het afsluiten van de jaarrekeningen over 2007 en komen hiermee
rond de publicatie van deze brief naar buiten. Gerapporteerde verliezen bij financiële
instellingen zijn momentopnamen. Nieuwe marktontwikkelingen kunnen zich vertalen in
aanpassingen van geschatte verliezen.
3. Gevolgen voor de reële economie van Nederland
De Nederlandse economie blijkt, ondanks de financiële turbulentie, in volle vaart het jaar
2007 te hebben afgesloten. Het Centraal Bureau van de Statistiek rapporteerde dat in het
vierde kwartaal van vorig jaar een recordgroei werd behaald van 4,4 procent (jaar-op-jaar).
Het bruto binnenlands product is in het gehele afgelopen jaar met 3,5% toegenomen. Vooral
de export was in de tweede helft van vorig jaar de motor van de economische groei. Het
handelsoverschot kwam uit op 41,4 miljard euro, het hoogste ooit. De werkloosheid daalde
dankzij de uitstekende groei tot 4% van de beroepsbevolking. Het EMU-saldo van de
overheid komt in 2007 waarschijnlijk uit op 0,4% BBP. Nederland heeft het vorig jaar een
stuk beter gedaan dan andere Europese landen en beschikt dus over een relatief gunstige
uitgangspositie om mogelijke effecten van de financiële turbulentie op te vangen.
Het momentum, dat de economie eind vorig jaar bleek te bezitten, heeft ook gevolgen voor
het lopende jaar. Statistische effecten (zogeheten overloo peffecten) zorgen ervoor dat, zelfs
als in 2008 de groei van kwartaal op kwartaal minimaal zou zijn, er nog een zeer behoorlijke
expansie uit de bus komt. De gunstige cijfers over het laatste kwartaal van 2007 en de
gunstige doorwerking in de groei van 2008 waren nog niet verwerkt in de uitgelekte raming
van het CPB (die overigens door het CPB niet is bevestigd). Jongste cijfers wijzen op een
record aantal vacatures en de omzet in de detailhandel neemt met een gezond tempo toe.
De Europese Commissie heeft op 21 februari jl. haar tussentijdse voorspellingen
gepubliceerd. Voor Nederland heeft de Europese Commissie de economische groei met 0,3
procentpunt naar boven bijgesteld sinds de voorjaarsvoorspelling van 2,6% naar 2,9% in
2008. Dit is aanmerkelijk hoger dan de uitgelekte CPB raming.
Dit neemt niet weg dat Nederland een bijzonder open economie heeft die gevoelig is voor
internationale ontwikkelingen. De export is afhankelijk van de ontwikkelingen op
buitenlandse markten. Nu de groei van deze exportmarkten onder andere als gevolg van de
financiële turbulentie matigt, mag worden verwacht dat in Nederland zich een groeivertraging
kan voordoen. Daarnaast heeft de kredietcrisis geleid tot dalende aandelenkoersen.
Hierdoor kunnen de bestedingen van consumenten dalen. De dalende aandelenkoersen
hebben eveneens een drukkend effect op het consumentenvertrouwen. Tot slot kan de
kredietcrisis leiden tot een groter bewustzijn van de kosten van risico’s. Hierdoor wordt lenen
duurder voor bedrijven en consumenten en dat zet een rem op investeringen en
consumptieve bestedingen. Op basis van kennis van deze transmissiemechanismen heeft
het CPB in de Macro Economische Verkenningen 2008 op basis van een aantal
veronderstellingen een onzekerheidsvariant doorgerekend, waaruit blijkt dat de kredietcrisis
mogelijk zou kunnen leiden tot een afzwakking van de economische groei in 2008 van 1
procentpunt ten opzichte van de toenmalige BBP-raming. Een soortgelijke exercitie van DNB
in het laatste kwartaalbericht van 2007 levert een vergelijkbaar beeld van de mogelijke
gevolgen. Tegelijkertijd duiden toenemende personeelstekorten, opgeschroefde looneisen
en stijgende inflatie op een mogelijke oververhitting van de Nederlandse economie. Enige
afkoeling is daarom zelfs welkom.
Welke effecten de kredietcrisis zal hebben op de Nederlandse economie is dus vooralsnog
onduidelijk. Wel is duidelijk dat de uitgangspositie van Nederland gunstig is, zeker in
internationaal perspectief. Met een economische groei van 3,5% in 2007, een zeer lage
werkloosheid, een begrotingsoverschot in 2007 en verstandige begrotingsregels is de
Nederlandse economie weerbaar.
Hoogachtend,
de minister van Financiën,
Wouter Bos 27feb08