Rutsel Martha: Van je fouten moet je leren
Download This Document (.pdf)
-
Van je fouten moet je leren,
Anders, betere en eigentijds staatsrecht voor een betere sociale en economische toekomst voor de Antillen
Rede gehouden op 1 oktober 2007 door Dr. Rutsel Silvestre.J.Martha, LL.M General Counsel and Director of Legal Affairs van INTERPOL (Lyon, Frankrijk), Visiting Professor of Law in het "New York University School of Law Singapore Programme at the National University of Singapore Faculty of Law" (NYU@NUS) (Singapore) (2007), en oud-minister van Justitie van de Nederlandse Antillen (1998-2002) aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen
Dr Rutsel Silvestre J. Martha, LLM Current occupations:
General Counsel and Director of Legal Affairs, International Criminal Police Organization (INTERPOL), Lyon, France (Since 2004) Adjunct professor of Law, New York University Law School (New York) and Visiting
professor of Law, National University of Singapore, Singapore (Summer 2007)
Previous occupations Minister of Justice of the Netherlands Antilles (1998-2002) Minister Plenipotentiary, Netherlands Permanent Representation to the European Union
(1990-1998) Counsellor at law, International Monetary Fund (1987-1989) Adjunct Professor of Law, Washington College of Law of the American University,
Washington D.C. (1988-1989) Legal Advisor, Bank van de Nederlandse Antillen (Central Bank), Curaçao (1985-1987) Lecturer in Law, University of the Netherlands Antilles (1983-1985)
Education 1977-1982, University of Leiden Law School (The Netherlands) 1982-1983, Master of Laws, International Legal Studies Programme, Washington College of
Law of the American University (Washington D.C) 1989, Doctor of Laws, University of Leiden Law School (The Netherlands) Honours and awards
Rio de Janeiro (Brazil) 1989: The 1989 Mitchell B. Carroll Prize of the International Fiscal Association. The Hague (The Netherlands) 2004: Officer in the Royal Order of Orange Nassau of the
Kingdom of the Netherlands Publications Numerous academic publications on public international law, international economic law, European Union Law, including the book titled "The Jurisdiction to Tax in International Law", which was awarded the 1989 Mitchell B. Carroll Prize of the International Fiscal Association (Rio de Janeiro, 1989)
"The March of the Folly"
1 Van de hand van de gezaghebbende Amerikaanse historica, professor Barbara Tuchman (1912 -1989) verscheen in 1984 de studie getiteld "The March of the Folly - from Troy to Vietnam", waarin zij op onweerlegbare wijze vastlegt hoe overheden beleid nastreven die regelrecht in strijd zijn met hun eigen belang; nog meer, in strijd met het belang van hun volk.
2 Wie bekend is met de staatkundige geschiedenis van de Nederlandse Antillen kan beamen dat Barbara Tuchman's hypothese zonder moeite bevestigd kan worden.
3 Zo zucht Van Aller in haar dissertatie getiteld "Van Kolonie tot Koninkrijksdeel" (1994) dat het "lijkt of de staatkundige geschiedenis van de Nederlandse Antillen en Aruba een aaneenschakeling is geweest van gemiste kansen door Nederland"1. Zich concentrerend op de Nederlandse ontwikkelingshulp over de periode 1969 tot 1995 concludeert Edo Haan - in navolging van de in 1978 verschenen studie van de Nationale Advies Raad voor 0ntwikkelingssamenwerking - dat "de Nederlandse ontwikkelingshulp in het bijzonder de improductieve Curaçaose institutionele structuur heeft ondersteund"2. Ook Luiten beschrijft in zijn diësrede van 1981 onder de titel "Teleurgestelde verwachtingen" hoe de methode van bevoegdheidsafbakening tussen land en eilandgebieden aan de wortel ligt van het falen van het Nederlands-Antilliaanse staatsverband3. Dip voegt aan dit geheel de door hem met Cola Debrot gedeelde constatering dat vrijwel alle conferenties op de tegenstrijdigheid stuit dat, hoewel de deelnemers in beginsel naar streven om een akkoord te bereiken, zij tot hun verbazing in antagonistische verhoudingen terechtkomen. Dip en Debrot wijten dit aan het feit dat de mensen met de beste bedoelingen met ficties beginnen en pas later met de realiteit rekening houden4.
4 Aan dit rijtje zou ik nog vele voorbeelden kunnen toevoegen, waaronder mijn bijdragen aan het vriendenboek voor Papy Jesurun waarin ik stilsta bij het feit dat het een aantoonbare staatsrechtelijke weeffout was om het parlementairstelsel, oftewel het coalitiesysteem, in de Nederlandse Antillen in te voeren5.
5 Laat mij voorop stellen dat het geenszins mijn bedoeling is om the zeggen dat het akkoord dat aan het einde bestuurlijke overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en Sint Maarten, in het Spaanse Hof te Den Haag op 2 november 2006 is bereikt, tot de rij van gemiste kansen in de Antilliaanse staatkundige geschiedenis moet worden toegevoegd.
1 H.B van Aller, Van Kolonie tot Koninkrijksdeel - de staatkundige geschiednis van de Nederlandse Antillen en Aruba (van 1634 tot 1994), diss. Maastricht, 1994, blz. 5162 T.J. Haan, Antilliaanse Instituties - de economische ontwikkeling van de Nederlandse Antillen en Aruba, 19691995, diss. Groningen, 1998, blz. 269 3 W.A. Luiten, Teleurgestelde verwachtingen - enige kanttekeingen bij de metohede van bevoegdheidsafbakening tussen land en eilandgebieden; rede gehouden bij de gelegenheid van de opening van het academisch jaar 1981-1982, Uitg. UNA XII, 1981, blz. 14 4 Cola Debrot,"Realiteit en fictie inde Nederlandse Antillen", Trouw 26 augustus 1977, opgenomen in Cola Debrot, Verzameld Werk Deel I, 1985 en C.E. Dip, "Realiteit en fictie in het proces van staatskundige herstructurering van de Nederlandse Antillen" in: Uní ku UNA, opstellen aangeboden aan prof. mr. W.C.L. van der Grinten, 1991 5 R. Martha, "Naar een gekozen minister president voor de Antillen van de Vijf", opgenomen in: Caraïbische Cadens - Liber Amicorum Edsel A.V. (Papy) Jesurun, 1995
1 Wel verdiend te worden vermeld dat reeds toen de intellectuele voorloper van dat akkoord - namelijk het rapport van Commissie-Jesurun van 2004- het licht zag, Aart Broek en Jan Wijenberg erop hebben gewezen dat het vernieuwde Koninkrijk met de realisatie van dergelijke plannen gekenmerkt zal worden door een bestuurlijke doolhof6.
2 Reden dus om oplettend te zijn.
De realiteit: niet de schuldenproblematiek maar het onderwijs
8. Geen enkele beschouwing kan zich aan het risico van subjectiviteit ontrekken. Dat geldt dus ook voor mijn beschouwingen. Teneinde zoveel mogelijke objectiviteit na te streven, heb ik ervoor gekozen om als vertrekpunt te nemen de situatie van het onderwijs in de Nederlandse Antillen. Daarbij zal ik dankbaar gebruik maken van de studie van Sarah Blom en Ann Welvaart die is opgenomen in de bundel getiteld "Antia 2000 - Met hoop, moed en vertrouwen in een betere toekomst de drempel over"7.
9. Hiermee neem ik dus bewust afstand van de benadering waar de vooringenomenheid met de beheersbaarheid van de financiële situatie van de Nederlandse Antillen, vooral de schuldenproblematiek, predominant is.
10. Ik meen dat mijn keuze van het onderwijs systeem als vertrekpunt niet alleen dwingend voortvloeit uit het recht op zelfbeschikking zoals voorzien in artikel 73 van het Handvest van de Verenigde Naties en de overige internationale instrumenten die daarop voortborduren, maar vooraal aantoonbaar juister overkomt wanneer men de Antillen vergelijkt andere met succesvolle samenlevingen, vooral Singapore.
11. Maar, zoals bevestigd door Commissie-Van Lennep in het rapport "Schuld of Toekomst" van 19968, zelfs wanneer men de beheersbaarheid van de financiële situatie als vertrekpunt zou willen nemen, dan nog zal geen duurzame oplossing kunnen worden gevonden zonder een dramatische verbetering van de output van het Antilliaanse onderwijssysteem.
12. Voorts bevindt ik mij in dit opzichte in de goede gezelschap van de leermeester van John Maynard Keynes, namelijk Alfred Marshall die in zijn in 1890 verschenen handboek van economie het volgende schreef:
"There is no extravagance more prejudicial to growth of national health than the wasteful negligence which allows genius that happens to be born of lowly parentage to expend itself in lowly work. No change would conduce so much a rapid increase in the
6 Aart G. Broek en Jan J. Wijenberg, "Naar een grenzeloos Koninkrijk: ongedeeld Nederlanderschap voor Antillianen en Arubanen", in: Bestuurswetenschappen, jrg. 59, 2005, nr. 5, pp. 453-457.7 S.Blom & A. Welvaart, "Antilliaans onderwijs in toekomst perspectief" in: V.F. Marcha (red.), Antia 2000 - Met hoop, moet en vertrouwen in een betere toekomst de drempel over (2000). 8 Schuld of Toekomst, rapport van de tripartiete Commissie Schuldenproblematiek Nederlandse Antillen en Aruba, januari 1996.
material wealth as an improvement in our schools, and especially those of the middle grades, provided it be combined with an extensive system of scholarships, which will enable the clever son of a working man to rise gradually from school to school till he has the best theoretical and practical education the age can give"9
13. In hun zo even genoemde studie betrekken en onderbouwen Blom en Welvaart de stelling dat het relatieve falen van het onderwijssysteem tot vicieuze cirkels leidt waarin niet alleen de kansarme kinderen gevangen blijven maar die ook gevolgen hebben voor de niet-kansarme leerlingen, en uiteindelijk voor de Antilliaanse samenleving als geheel.
14. Hun beschrijving van het buitengewoon lage rendement van het onderwijssysteem levert een beeld op waarin overduidelijk de verklaring ligt voor het feit dat de Nederlandse Antillen niet in staat is gebleken om de sociale-, culturele- en economische ontwikkeling van de bevolking te waarborgen. De daaruit voortvloeiende economische malaise en slechte overheidsfinanciën en de onmogelijkheid om daarvoor duurzame oplossingen aan te dragen hoeft niemand te verbazen. Deze visie wordt gedeeld door voormalig Antilliaanse premier Miguel Pourier die in 1995 zich als volgt uitlied in het Nederlandse NRC/Handelsblad:
"Het onderwijs is nooit structureel aangepakt. Dat is een enorme handicap. Het leidt niet alleen tot werkloosheid en criminaliteit, maar werkt remmend op onze ontwikkeling"10
15. Ook het Nederlands Economisch Instituut heeft hetzelfde geconstateerd in een studie uit 1990 getiteld: "Arbeidsmarkt en onderwijs op Curaçao: problemen, oorzaken en beleidsaanbevelingen".
16. Bekijk voor uzelf en vraagt u zich af of met dit rendement het mogelijk zou zijn om een succesvolle samenleving, inclusief deugdelijke overheidsfinanciën, te verwezenlijken.
17. Bekijk ten eerste het rendement van het basisonderwijs:
- Veel leerlingen blijven zitten in het basis onderwijs systeem zonder dat dit voor deze leerlingen tot prestatie verbetering leidt;
- De deelname aan het speciaal onderwijs is op het niveau van basis onderwijs relatief hoog (6% op Curaçao alleen) en er zijn zelfs voor deze type scholen.
-
18. Met deze gegevens over het basis onderwijs hoeft het rendement van het voortgezet onderwijs niet te verbazen dat:
- Slechts een kleine groep leerlingen leert door na het 1e jaar in de hogere vormen voortgezet onderwijs (HAVO, VWO) waardoor de kweekvijver voor een eigen Antilliaanse kadervorming klein is;
- Er bestaat een hoge drop-out al vanaf de lagere klassen van het voortgezet onderwijs. Het is zelfs zo dat 18% van basisschool leerlingen niet terug te vinden zijn in het voortgezet onderwijs;
- Ongeveer slechts 40% van een generatie verlaat de school met een diploma waardoor er sprake is van onderbenutting van potentieel talent;
- Het onderwijssysteem levert een geringe bijdrage aan productieve arbeidskrachten en werkt een situatie in de hand die ik met "Sandwich di Yu di Korsou" zou willen aanduiden. Voor hoger kader importeert men arbeidskrachten uit Nederland en de lager geschoolde arbeidskrachten worden in toenemende mate gerecruteerd uit het Caribische gebied. Het gevolg? Onder de lagergeschoolde Antilianen heerst dan ook een hoge werkloosheid; op Curaçao alleen is dat 40%.
19. Zoals ik later zal uitleggen, het resultaat van dit geheel raakt de kern van het recht op zelfbeschikking. Ik laat Blom en Welvaart aan het woord:
9 A. Marshall, Principles of Economics, 8th edition (London, 1920), blz. 176 10 NRC/Handelsblad, 28 februari 1997
"In de Nederlandse Antillen is de ongelijkheid traditioneel groot. Oude, in de tijd van koloniale overheersing ontstane ongelijkheden zijn getransformeerd in nieuwe. ... Mede doordat, met name op Curaçao, de groep met veel kansen klein is en de groep met beperkte tot weinig kansen groot, is weinig mobiliteit. Daardoor wordt weinig potentieel ontwikkeld"11
Essentie van het zelfbeschikkingsrecht
20. Wanneer men bedenkt dat het zelfbeschikkingsrecht bedacht is om juist een einde te brengen aan de cirkel van ongelijkheid en ongelijke kansen die inherent is aan koloniale overheersing of andere vormen van vreemde overheersing, dan is het "intolerable" dat 53 jaar na het verkrijgen van de autonomie de oude, in de tijd van koloniale overheersing ontstane ongelijkheden zijn getransformeerd in nieuwe.
21. Immers, wat koloniale overheersing of andere vormen van vreemde overheersing kenmerkt is de misallocatie van de maatschappelijke middelen waardoor slechts een kleine groep de voordelen geniet terwijl de massa autochtonen in achterstand wordt gehouden.
22. Vandaar dat ingevolge artikel 73 van het Handvest van de Verenigde Naties er sprake is van een "heilige opdracht" ("sacred trust") om "het welzijn van de inwoners" van de niet zelfbesturende gebieden te bevorderen. Te dien einde schrijft artikel 73 o.a. het volgende voor:
- het verzekeren, met inachtneming van de nodige eerbied van hun cultuur, de politieke, economische en sociale vooruitgang van deze volken, alsmede hun vooruitgang op het gebied van het onderwijs, hun rechtvaardige behandeling en hun bescherming tegen misbruiken; en,
- het ontwikkelen van zelfbestuur.
-
23. De veronderstelling is dat deze twee componenten wederzijds wederkering en bestendigend zijn. Echter, te vaak ligt de nadruk op onderdeel b) van artikel 73, welke betrekking heeft op de staatkundige dimensie van het zelfbeschikkingsrecht. Er wordt doorgaans weinig aandacht besteed aan de sociaal economische dimensie van dat recht, zoals voorgeschreven in onderdeel a) van artikel 73. Er wordt over het hoofd gezien dat indien aan de sociaal economische dimensie niet de juiste aandacht wordt besteed teneinde de in de koloniale fase ontstane cirkel van ongelijkheid en ongelijke kansen te doorbreken, dit uiteindelijk zal uitmonden in een desillusie met het zelfbestuur.
24. De Britse historicus en Afrika-kenner Basil Davidson vat dit als volgt samen in zijn boek met de veelzeggende titel "The Black Man's Burden - Africa and the curse of the Nation-State" (1992):
"If the post colonial nation state had become a shackle on progress, as more and more critics of Africa seemed to agree by the end of the 1980's, the prime reason could appear in little doubt. The state was not liberating and protective of its citizens, no matter what its propaganda claimed: on the contrary, its gross effect was constricting and exploitative. Or else it simply failed to operate in any social sense at all. Its overall consequences were in any case disastrous"12
25. Wat Basil Davidson te zeggen heeft over de oorzaken hiervan is des te interessanter. Anders dan wat menigeen beweert, meent hij -samen met Nigeriaanse romanschrijver Chinua Achebe13 - dat de oorzaak niet gezocht moet worden in corruptie en andere populaire verklaringen. Dat zijn volgens hem slechts de gevolgen van een andere oorzaak. Ik laat hem nogmaals aan het woord:
"The cause was to be found elsewhere. It lays in the "failure of our rulers to establish vital inner links with the poor and dispossessed .... It was the failure of the post colonial communities to find and insist upon means of living together by strategies less primitives and destructive than rival kinship networks, whether of "ethnic clientelism or its camouflage in no less clientelist "multiparty systems".14
26. Dit probleem is niet beperkt tot Afrika maar komt voor in nagenoeg alle postkoloniale samenlevingen, zoals de Yale hoogleraar internationaal ondernemingsrecht Amy Chua dat overuigend laat zien in haar boek "World on Fire". De ondertitel van dat boek spreekt voor zich: "How exporting freemarket democracy breeds ethnic hatred and global instability". Zij bestudeert in het bijzonder de situatie van ongelijkheid en ongelijke kansen die de combinatie van algemene kiesrecht en vrijmarkt produceert in samenlevingen waarin etnische minderheden het ondernemerschap domineren15.
11 Blom & Welvaart, t.a.p., blz. 101
12 Basil Davidson, The Black Man's Burden - Africa and the curse of the Nation-State (1992), blz. 290. 13 Zie Chinua Achebe, Antills of the Savannah (1988), blz. 130 -131 14 Basil Davidson, t.a.p. 290-291 15 Amy Chua, World on Fire - How exporting freemarket democracy breeds ethnic hatred and global instability"(2003).
27. Wie bekend is met de verscheidende studies van voormalig UNA-docent Peter Verton zal zowel in de studie van Davidson als in die van Chua opmerkelijke analogieën met de Nederlandse Antillen herkennen, in het bijzonder met Curaçao. Ik verwijs ter bekorting naar Verton's proefschrift16 en naar een bijdrage van zijn hand aan de Revista InterAmericana van 197717.
28. De volgende passage uit de studie van de IJslandse onderzoeker Gylfason acht ik zeer toepasselijk voor de vraagstelling van vanavond. Tijdens de 15e jaarvergadering van de European Economic Association te Bolzano in 2000 hield hij zijn gehoor het volgende voor:
"More and better education is a prerequisite for rapid economic development around the world. Education stimulates economic growth and improves people's lives through many channels: by increasing the efficiency of the labor force, by fostering democracy and thus creating better conditions for good governance, by improving health, by enhancing equality, and so on. But what determines a nation's commitment to education?"18
29. Als het zo evident is dat meer en beter onderwijs inderdaad dergelijke onmiddellijke, vergaande en duurzame positieve gevolgen heeft voor de samenleving als geheel, dan moet men zich inderdaad afvragen hoe het komt dat niet alle postkoloniale overheden en vooral die van onze eilanden het verzekeren van meer en beter onderwijs niet als allerbelangrijkste bezigheid hebben.
30. Deze vraag is des te legitiem omdat andere postkoloniale samenlevingen die zich wel hebben toegelegd op meer en beter onderwijs, buitengewoon succesvol zijn gebleken. In het bijzonder Singapore steekt daarbij af, niet alleen omdat het eiland even groot is als Curaçao, maar ook omdat het net als Curaçao het uitsluitend moet hebben van het menselijke potentieel en de strategische geografische ligging.
31. Mede naar aanleiding van het succes van Singapore bestaat er inmiddels onder de economen en ook de centra voor strategische studies een consensus over de noodzaak van scholing en vorming teneinde armoede op zo kort mogelijke tijd te overkomen en duurzame economische ontwikkeling te waarborgen.
32. Om de vraag te betantwoorden hoe het komt in de Nederlandse Antillen de scholing en vorming van de bevolking niet de omvang en kwaliteit heeft genoten die noodzakelijk is om het succes van Singapore te evenaren, wil ik een reeks staatsrechtelijke ontwerpfouten en hun effecten kort bespreken en tegelijk ook
16 P. Verton, Politieke Dynamiek en Dekolonisatie - de Nederlandse Antillen tussen autonomie en onafhankelijkheid (Alphen a/d Rijn, 1977). 17 P. Verton, "Modernization in Twentieth Century Curacao - New elites and their followers", Revista/Review InterAmericana, Vol. VII, No. 2, 1977 18 Th. Gylfason, Natural Resources, Education, and Economic Development, 15th Annual Congress of the European Economic Association, Bolzano, 30 August - 2 September 2000, http://www.hi.is/~gylfason/pdf/eea2000k.pdf; Hij baseert deze stelling op de bevindingen van de volgende studies: R.J. Barro, The Determinants of Economic Growth (Cambridge, Massachusetts, 1997), Ph. Aghion, E. Caroli, & C. Garcia-Peñalosa, "Inequality and Economic Growth: Perspective of the New Growth Theories",37 Journal of Economic Literature, 1999
aangeven hoe die voorkomen moeten worden in de geherstructureerde Nederlandse Antillen, en met name Curaçao.
Weeffout 1: het primaat van de politiek
33. In het jaar 2000 verschenen twee boeken die ogenschijnlijk niets met elkaar de maken hebben, doch die bij nader inzien alles met elkaar te maken hebben en die de staatkundige architecten van de nieuwe Antillen niet zouden moeten missen.
34. Het ene boek betreft het door Harvard Business School Press Book uitgegeven studie van de hand van de hoogleraren Robert S. Kaplan en David P. Norton, onder de titel "The Strategy-Focused Organization: How Balanced Scorecard Companies Thrive in the New Business Environment"19
35. Bij het formuleren van strategische doelstellingen gaat het in de eerste plaats om beperking, om het aanscher-pen van de focus. Achterliggende gedachte is dat het op strategische niveau geen zin heeft om aan alles aan-dacht te besteden. Dat zou veel te complex zijn. Bovendien zou overlap optreden met andere besturingsniveaus.
36. Maar waaraan moeten we dan wel aandacht besteden? Kaplan & Norton introduceren hiervoor het begrip "Critical Succes Factor": in het Nederlands Kritieke Succesfactor of Succesbepalende factor genoemd.
37. Een Succesbepalende factor is een kenmerk van de organisatie of van de omgeving, dat essentieel is voor de levensvatbaarheid en het succes van die organisatie. Dat kan zowel positief als negatief zijn. In hoofdzaak gaat het erom dat iets zo belangrijk is dat men er extra aandacht aan moeten besteden: lees het moeten besturen op strategisch niveau.
38. Kaplan & Norton stellen dat een strategie een beperkt aantal Succesbepalende factoren moeten bevatten. Zeven tot tien. Anders is besturing ervan al snel onoverzichtelijk en verwatert de aandacht teveel. Bovendien moeten de Succesbepalende factor in balans zijn, evenredig verspreid over de verschillende aandachtsgebieden bij het besturen van een organisatie. Men onderscheidt hierbij vier perspectieven die in onderstaande figuur zijn afgebeeld. Dit concept is bekend geworden als de Business Balanced Scorecard.
39. Kaplan and Norton formuleren vijf principes die noodzakelijk zijn voor het opzetten van strategisch georiënteerde organisaties. Ik noem ze op in het Engels:
(1) translate the strategy to operational terms,
(2) align the organization to the strategy,
(3) make strategy everyone's everyday job,
(4) make strategy a continual process, and
(5) mobilize change through strong, effective leadership.
40. Het tweede boek betreft de memoire's van de architekt van de Singaporese succes Dr. Lee Kuan Yew onder de titel "From Third World to First - The Singapore Story: 1965-2000"
41. Deel I van dat boek draagt de titel "Getting the Basics Right" bestaande uit twaalf hoofdstukken. Hoewel Lee Kuan Yew in zijn voorwoord ervoor waarschuwt om zijn boek niet op te vatten als een handleiding voor het opzetten van een economie of natievorming, blijkt uit het eerste deel van het boek dat dat Lee Kuan Yew Singapore als een strategisch georiënteerde organisatie heeft opgezet, met als strategische doel duurzame sociale-, economische- en culturele ontwikkeling van de bevolking.
42. Strategie is niets anders dan het praktisch aanwenden van de beschikbare middelen om een doel te bereiken.
43. Het strategische doel duurzame sociale-, economische- en culturele ontwikkeling van de bevolking is inherent het dynamisch waardoor de overheid in staat moet zijn om zich steeds aan te passen aan de inwendige en externe veranderingen. Echter, er zijn vijf kernwaarden die het institutionele cultuur funderen:
- Eerlijkheid en integriteit
- De mens als de belangrijkste hulpbron
- Resultaatgerichtheid
- Zelfredzaamheid, and
- Binnenlandse stabiliteit.
-
44. Uitsluitend vanwege het feit dat in Singapore de staat als een strategisch georiënteerde organisatie heeft opgezet kon het strategische doel in minder dan 40 jaren worden gerealiseerd. Het realiseren van dat doel is zelfbestendigend en lijkt welhaast op een perpetuum mobile. Zoals Boon Siong NEO en Geraldine CHEN bevestigen in hun boek "Dynamic Governance"20, is Singapore hierin gelukt omdat Lee Kuan Yew "the basics" op orde had en hield, zoals hij dat in Deel I van zijn memoires beschrijft.
45. Daarentegen, het Antilliaanse staatsorde en politiek bestel die wij op 15 december 1954 mee hebben gekregen faalde juist op het punt van "getting the basics right", en kan men met rust spreken van een "defective procreation".
46. Om dit uit te leggen wil ik van voormalige UNA docent Wim Luiten aan het woord laten uit zijn boek "Een inleiding tot het Antilliaanse staatsrecht":
19 Robert S. Kaplan, David P. Norton, The Strategy-Focused Organization: How Balanced Scorecard Companies Thrive in the New Business Environment (HBS Press Book, 2000)
"Één betekenis die erop neerkomt dat een democratische staat is wanneer de organisatie gericht is op het verwezenlijken van de belangrijke basiswaarden van de samenleving. Niet de wijze waarop
20 Boon Siong NEO & Geraldine CHEN, Dynamic Governance - Embedding culture, capabilities and change in Singapore (World Scientific, 2007)
besluiten genomen worden is belangrijk, maar de gerichtheid op de uitkomst van dat beslissingssysteem...Democratie niet als middel maar als doel ... De andere betekenis, waar wij meer vertrouwd mee zijn, is dat een staat democratisch is naarmate de burgers van die staat meer invloed kunnen uitoefenen op de selectie van de bestuurders en de inhoud van het door hen te voeren beleid. Het democratie begrip heeft hier betrekking niet op de doeleinden die de staat dient te verwezenlijken, maar ziet op de wijze waarop besluiten tot stand komen. Democratie als middel dus, niet als doel"21
47. Dus waar er sprake is van een democratie als middel, zoals het geval is in de Antillen en de rest van het Koninkrijk, het primaat van de politiek overheerst. Alle beslissingen, ongeacht hun uitkomst, zijn geldig als ze maar volgens de voorgeschreven democratische procedure tot stand zijn gekomen. De staatsorde kent geen strategische doel en is niet opgezet als een strategisch georiënteerde organisatie.
48. Naar de Nederlandse traditie - die overigens nergens in de Staatsregeling staat opgenomen - stelt de rechterlijke macht stelt zich terughoudend op door te verkiezen om landswetten niet te toetsen 22 aan de weinig beginselen in de Staatsregeling en huldigt het beginsel van primaat van de politiek aan23.
49. Doordat geen strategische doel kent en de rechtelijke macht zich zo opstelt is het derhalve aan de politiek om telkens doelen te stellen aan daaraan invulling te geven. Met andere worden het lot van het land wordt bepaald door de waan of wijsheid van de politieke dag.
50. Ik sluit mij aan bij de conclusie van Schrils in zijn boek "Een Democratie in Gevaar" dat de Antilliaanse staatsinrichting mankeert aan een aantal de fundamentele rechten van de mens, te weten de sociale-, economische-, en culturele rechten. Schrils heeft gelijk wanneer hij constateert dat de ontwerpers van het huidige Antilliaanse staatsorde zich blijkbaar niet geroepen voelden om de grote maatschappelijke tegenstellingen op Curaçao principieel te bestrijden24. Met name heeft het bestuur zich hierdoor kunnen ontrekken aan de heilige opdracht van artikel 73 van het Handvest van de Verenigde Naties om het welzijn van de inwoners van de Nederlandse Antillen te bevorderen.
51. Ook de aansluiting bij het Internationale Verdrag inzake Sociale-, Economische-, en Culturele Rechten heeft hierin geen verbetering in gebracht omdat uitvoerende maatregelen zijn uitgebleven en de rechtelijke macht van oordeel is dat de bepalingen van dat verdrag zich niet lenen voor rechterlijke toepassing.
52. Het resultaat van deze opvatting van de democratie in de Antillen is een failliete boedel en buitensporige sociale-, culturele- en economische achterstanden die even groot zijn als in de koloniale tijd.
21 W.A. Luiten, Een Inleiding tot het Antilliaanse Staatsrecht (UNA uitgave, 1983) 22 Zie R.S.J. Martha, De Schendbaarheid van Landsverordeningen (UNA uitgave, 1987) 23 Zie A.W.M. Bijloos, Begrensde Rechtsmacht, AJV Nieuwsbrief, nr. 1, 2000 24 J.M.R. Schrils, Een Democratie in Gevaar - Een verslag van de situatie op Curacao tot 1987 (Gorcum/Assen/Maastricht, 1990), blz. 72-75 en 205
53. Wil men derhalve voorkomen dat in de nieuwe Antillen dan moet deze opvatting van de democratie bijgesteld worden.
54. De Slotverklaring gaat evenwel nog steeds uit van dezelfde opvatting van de democratie die de ruimte heeft geboden voor de veronachtzaming de opdracht van artikel 73 van het Handvest van de Verenigde Naties.
55. Mijn aanbeveling is daarom om dit in de Staatsregeling te corrigeren. Het strategische doel van sociale-, culturele- en economische ontwikkeling van de bevolking zou als volgt geformuleerd kunnen worden in het eerste artikel van de Staats:
"De doelstellingen van het Land
De bevoegdheden die de wetgevende-, uitvoerende-, en de rechtsprekende organen aan deze Staatsregeling ontlenen dienen om de volgende doelstellingen na te streven:
1. Het Land heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van de bevolking te bevorderen.
2. Het Land zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Curaçao, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu.
3. Het Land bevordert wetenschappelijke en technische vooruitgang.
4. Het Land bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie, en bevordert sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind.
5. Het Land eerbiedigt de rijke verscheidenheid van cultuur en taal in Curaçao en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het culturele erfgoed van Curaçao.
6. In de betrekkingen met de rest van het Koninkrijk en met de wereld handhaaft het Land haar waarden en belangen en zet zich ervoor in. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.
56. Een dergelijke bepaling legt een resultaatsgerichtheid op aan alle drie staatsmachten en maakt een einde aan het primaat van de politiek voor wat betreft het strategische doel van het staat. Het vervult de functie van het eerste grondbeginsel van een strategisch georiënteerde organisatie.
57. Dat een dergelijke bepaling noodzakelijk is in de nieuwe Staatsregeling wordt bevestigd door het lot dat het sociale-, economische- , en culturele ontwikkelingsplan van kabinet-Everstz (1973-1977) heeft ondergaan.
58. Deze integrale ontwikkelingsplan werd door kabinet-Everstz geoppered in een brief van 10 januari 1975 aan de Nederlandse premier Den-Uyl25. In die brief die een aantwoord was op het Nederlandse aandringen voor het noemen van een datum voor de Antilliaanse onafhankelijkheid opperde premier Evertsz de gedachte van een integraal sociaal-economisch plan dat op wetenschappelijke basis alle verzorgingsgebieden en alle eilanden zou omvatten. Het koste premier Den-Uyl niet minder dan acht maanden om de brief van Evertsz instemmend te beantwoorden26, waarvan gezegd moet dat het ontegenzeggelijk dat Evertsz niet onder deed voor Lee Kuan Yew.
59. Het rapport van de Commissie van Deskundigen die uit deze briefwisseling ontstond verscheen in juli 1979 onder de titel, Aanzet tot een beleidskader voor de Nederlandse Antillen in de jaren tachtig.
60. Evertsz opvolger, Rozendaal heeft de visie van Evertsz overgenomen en zou vermoedelijk uitvoering hebben gegeven aan de aanbevelingen van het rapport. Echter, zijn kabinet sneuvelde in juli 1979 en na de daarop volgende regeringswisseling in Willemstad is er uiteindelijk weinig met dat rapport gebeurd.
61. Juist het feit dat het traject van integrale ontwikkeling op een dergelijke wijze op een dood spoor kon geraken bevestigd de noodzaak van een constitutionele verankering van het strategische doel in een nieuwe Staatsregeling. Het strategische doel van sociaal-economische en culturele ontwikkeling van de bevolking moet veilig worden gesteld en politiek moet daaraan worden gebonden.
Ontwerpfout 2: De rechterlijke toetsingsangst
62. De uitdaging die een dergelijke bepaling met zich brengt is om de staatsinrichting af te stemmen op het strategische doel van de staat en de strategie een taak voor een ieder te maken.
63. Hiermee beland ik bij de tweede ontwerpfout in de postkoloniale staatsinrichting van de Antillen. Ik doel in de eerste plaats op het feit dat de rechterlijke macht, vanwege haar opvatting over de rechterlijke toetsingsbevoegheid, zichzelf feitelijk een toeschouwer heeft gemaakt in plaats van een controlerende en bijsturende medespeler.
25 Brief van 10 januari 1975 (224/JAZ) met als onderwerp: Integraal sociaal-economische plan en bijzondere financiële en technische bijstand i.v.mm. planmatige voorbereiding onafhankelijkheid Nederlandse Antillen.
26 Zie Gert Oostindië & Inge Klinkers, Knellende Koninkrijksbanden - Het Nederlandse dekolonisatiebeleid in de Caraiben, 1940-2000 - Deel II, 1954-1975 (Amsterdam University Press, 2001), blz.170-177
64. En dat is jammer, omdat zoals Verton herhaaldelijk heeft aangegeven, het politiek bestel dat in de huidige Antilliaanse staatsrecht is verankerd heeft de bevolking feitelijk buitenspel gezet. Doordat de rechter zich ook nog terughoudend opstelt is de sociaal-economische en culturele ontwikkeling van de bevolking, in plaats van een zaak van iedereen, uitsluitend een zaak van de politiek geworden.
65. De pijlers van de volledige macht bij de politiek, en nog wel de heersende coalitie zijn de volgenden:
- Het coalitiesysteem, waardoor besturen een kwestie wordt van het vinden van het laagste gemene deler tussen de samenwerkende partijen;
- De lijstenstelsel met een enkelvoudige voorkeursstem voor de volksvertegenwoordiging, waardoor men alleen via een politieke partij tot volksvertegenwoordiger kan worden gekozen
- Het beginsel van vrije mandaat, waardoor de individuele volksvertegenwoordiger baas wordt van zijn zetel en die niet noodzakelijk voor de behartiging van de belangen van de kiezers hoeft aan te wenden
-
66. Voeg hieraan toe de rechterlijke terughoudendheid, en dan hoeft men niet te verbazen dat Verton bij de gelegenheid van de 50ste verjaardag van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen tot de volgende vaststelling kwam:
"Echter, op dit moment, bij dit "halfeeuwse' ijkpunt, legt minder de minder goede verandering veel gewicht in de schaal. Want, het democratische bestuursstelsel leverde politici die besturen naar het tweede plan schoven, die geen besluiten namen, die geen bestuurscontrole uitoefenden, die gemeenschapsgeld uitgaven zonder zich te verantwoorden. ..... Te Curacao wordt anno 2002 een groot deel van de jeugd en jongeren aan zijn lot overgelaten, daardoor komen veel van hen in het goot terecht. De zorg voor ouderen en zwakkeren is ondergraven door geldgebrek"27.
67. U moet zich intussen afvragen wat de rechterlijke terughoudendheid hiermee heeft te maken. Het antwoord wil ik inleiden met het volgende voorval van minder dan twee jaar geleden.
68. Curaçao had een fiscale meevaller van 15 miljoen. De vraag was waaraan deze meevaller moest worden besteed. Er werd niet besloten om het geld te besteden om de noodlijdende scholen aan schoolmateriaal helpen, noch om de eveneens noodlijdende internaten bij te staan. De keuze viel op het financieren van golfbaan ten behoeve van een luxe hotel in aanbouw.
69. Stel nou dat een van de ouders van de kinderen op een van de belabberde lage scholen deze beslissing zouden hebben willen bestrijden voor de rechter. Die ouders zouden dezelfde antwoord hebben gekregen die het vakbond ABVO kreeg op 23 december 1999.
70. ABVO vond het niet juist dat de overheid had geweigerd om de kerstbonus uit te betalen aan zijn ambtenaren maar wel voldeed aan de aflossing van een schuld die ontstond uit een overheidsgarantie afgeven voor een hotel op Bonaire.
71. Het gerecht wees de vordering af o.a. met de volgende rechtsoverweging:
"Het antwoord op de vraag of een behoorlijk handelend bestuur aan laagbestaalden een uitkering kan weigeren terwijl beterbedeelden wel geld van overheid krijgen .... is een vraag die het gerecht in het geheel niet kan beantwoorden. De antwoorden op dergelijke (begroting)vragen zijn namelijk geheel voorbehouden aan de politiek, waarbij het gerecht nog opmerkt dat vast staat dat het Land en het eilandgebied grote financiële tekorten hebben"28
72. Ik laat in het midden of ABVO inhoudelijk gelijk had. Wat ik met dit voorbeeld wil laten zien is dat de rechter zich niet wil in laten met de keuzes die de politiek maakt, waardoor "de politiek" het bijna alleen voor het zeggen heeft.
73. Zou het anders kunnen? Het bewijs dat het anders kan wordt geleverd door de reeks rechtszaken in de Verenigde Staten over het gelijkheidsbeginsel en hoe die zich moet vertalen in de waarborging van adequate onderwijs voor alle kinderen. De Amerikaanse rechter heeft niet alleen uit dat beginsel een definitie van "adequate onderwijs"ontwikkeld, maar heeft ook de overheid opgedragen om haar financiële middelen zodanig aan te wenden om onderwijs in overeenstemming met deze definitie te verzekeren29.
74. Ik verwijs in het bijzonder naar het arrest uit 1989 van het opperste gerecht van de staat Kentucky in de zaak Rose v. Council for Better Education 30 waarin de overheid werd opgedragen om het onderwijs systeem te hervormen en deze te doen beantwoorden aan 7 door het gerechtshof geformuleerde criteria.
75. Ook verwijs ik naar het arrest uit 1998 van het opperste gerecht van New Jersey in de zaak Abbot v. Burke waarin dat gerechtshof overwoog dat "an educational system that precluded the students of poorer districts from competing in the same market and society as their peers could not, by definition, be providing an adequate education"31
76. Tenslotte de opmerkelijke uitspraak van de Court of Appeals van New York uit 2003 in de zaak Campaign for Fiscal Equity v. New York (State)32 . Daarin
27 P.C. Verton, One man one vote - vijftig jaar poltiek en bestuur te Curacao, TAR-Jusiticia, 2002, nr. 1, blz. 54
28 GEA 23 december 1999, KG-99/603, r.o. 12. 29 Zie Goodwin Liu, Education, Equality, and National Citizenship, 116 Yale Law Journal 2006. 30 Rose v. Council for Better Education, 790 S.W. 2d 186(Ky.1989) 31 Abbot v. Burke, 710 A.2d 450 (N.J. 1998) 32 Campaign for Fiscal Equity v. New York (State), 100 N.Y. 2d 893 (NY 2003). Daarmee bevestigde de Acourt Appeals een uitspraak in eerste instantie (2001) waarin het volgende werd overwogen: "An engaged, capable voter needs the intellectual tools to evaluate complex issues, such as campaign finance reform, tax policy, and global warming, to name only a few. Ballot propositions in New York City, such as the charter reform proposal that was on the ballot in November 1999, can require a close reading and a familiarity with the structure of local government.... Similarly . . . jurors may be called on to decide complex matters that require the verbal, reasoning, math, science, and socialization skills that should be imparted in public schools. Jurors today must determine
oordeelt de rechter dat van productieve burgerschap geen sprake is indien de burger niet adequaat geschoold en gevormd is en de bekwaamheden wordt bijgebracht die nodig zijn in de 21ste eeuw.
77. Een dergelijke betrokkenheid van de rechterlijke macht acht ik onontbeerlijk in een postkoloniale samenleving die nog steeds voor de opdracht staat om de cirkel van ongelijkheid en ongelijke kansen die inherent is aan koloniale overheersing of andere vormen van vreemde overheersing te doorbreken.
78. Reden waarom in het nieuwe staatsrecht voorkomen moet worden dat de rechter op de publiekstribune blijft zitten wanneer het gaat om beleidskeuzes die investering in scholing en vorming van de bevolking raken. Daarvoor acht ik ten eerste nodig dat uitdrukkelijk tbepaalt wordt dat het tot de taak van de rechter is om de Staatsregeling te helpen onderhouden. Daartoe moet de volgende bepaling in de Staatsregeling moeten worden opgenomen:
"De rechterlijke macht is belast met het verzekeren van de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van deze Staatsregeling."
79. Daarnaast moet het recht op onderwijs uitdrukkelijk worden opgenomen in de Staatsregeling. Dat zou als volgt geformuleerd kunnen worden:
"1. Eenieder heeft recht op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing.
2. Dit recht houdt de mogelijkheid in, verplicht onderwijs kosteloos te volgen. 33
3. Het verzekeren van adequaat onderwijs, beroepsopleiding en bijscholing is een voorwerp van aanhoudende zorg van de wetgevende-, de uitvoerende- en de rechterlijke macht."
Ontwerpfout 3: De overheidsfinancien
80. U zal het met mij eens zijn dat zelfs als de strategische ortientatie van de staatsorde in de Staatregeling zou worden opgenomen en de rechterlijke macht uitdrukkelijk wordt opgedragen om dienaangaande als waakhond op te treden, daarvan niets terecht zal komen als de misallocatie van de maatschappelijke middelen die wij de afgelopen 53 jaren hebben gezien, zich zouden herhalen.
81. De Staatsregeling waarmee de Antillen in 1954 het post-koloniale tijdperk zijn ingegaan, heeft als vanzelfsprekend aangenomen dat deugelijke overheidsfinancien met de zeven bepalingen van het Negende Hoofdstuk kon worden gewaarborgd.
82. Dat dit niet vanzelfsprekend is blijkt uit de onstporingen in overheidsfinancien die zijn opgetreden.
questions of fact concerning DNA evidence, statistical analyses, and convoluted financial fraud, to name only three topics." Campaign for Fiscal Equity v. New York (State), 719 N.Y.S. 2d 474, 487, 550 (2001) 33 Geinspreerd door Artikel II-74 Europees Grondwet.
83. Drie van die ontsporingen hebben vergaande gevolgen gehad voor de de sociale- en economische vooruitgang van de Nederlandse Antillen; of beter gezegd het gebrek daarvan.
84. Als eerst wil ik noemen de kwestie van overheidsleningen. Er bestaat een onbetwiste economische wijsheid dat zegt dat een overheid nimmer geld mag lenen om zijn lopende uitgaven te financieren. Tot de lopende uitgaven behoren bij uitstek salarissen en onderhoud. Dergelijke uitgaven behoren uit de belastingopbrengsten te worden gefinancieerd. Volgens deze zelfde economische wijsheid mag de overheid slechts het kapitaal markt opgaan om kapitaal investeringen te financieren die niet uit de reguliere belastingopbrengsten kunnen worden bekostogd.
85. De Staatsregeling van de Nederlandse Antillen zegt niets over deze regel dat bekend staat als het "gulden financieringsregel".
86. Aanhangers van de gulden financieringsregel maken een onderscheid tussen de lopende overheidsuitgaven en de kapitaalsuitgaven. Kenmerk van de lopende uitgaven is dat betaling en behoeftebevrediging in dezelfde inkomensperiode plaatsvinden. Bijvoorbeeld: de overheid betaalt salarissen uit aan het overheids- en het onderwijspersoneel in 2007. Daarvoor leveren die werknemers in datzelfde arbeid. Bij de kapitaalsuitgaven ligt dat anders. Uitgaven die in deze inkomensperiode worden gedaan leiden tot behoeftebevrediging in een reeks van komende jaren. Ook hier een voorbeeld: de aanleg van wegen kost nu geld, maar bevredigt onze transportbehoeften tot (hopelijk) ver in de eenentwintigste eeuw. Vanuit die gedachte wordt gesteld dat voor de financiering van zulke overheidsinvesteringen wel gebruik mag worden gemaakt van leningen. De aflossing en rentebetaling over de kredieten komt ten laste van toekomstige belastingbetalers. Maar dat is terecht, want zij profiteren ook van de voorziening.
87. Het ontbreken van deze regel in de Staatsregeling heeft niet alleen mogelijk gemaakt dat de overheid op grote schaal geldt is gaan lenen voor het bekostigen van de lopende uitgaven, maar ook dat de rente waartegen geleend wordt buitensporig is.
88. De Haan zegt hierover dat terwijl de rente in het buitenland terugliep, steeg in de Nederlandse Antillen de rente op overheidsobligaties, bij een afnemende looptijd. Dit, gekoppelt aan een liquide bankwezen dat te maken had met kredietmaatregelen die leningen aan particulieren beperkte, leidde tot een nagenoeg ongelimiteerde bron voor de overheid om zijn tekorten te financieren. Aldus kwam een groot deel van de lokale besparingen ter beschikking van de overheid, die deze niet productief investeerde om de economische structuur te verstrekken, maar de opgenomen middelen feitelijk gebruikte om salarissen te betalen34. De Staatsregeling kende geen bepaling die dit heeft kunnen voorkomen.
34 Haan, Antilliaanse Instituties, op. cit., blz. 253
89. Maar ook waar de huidige Staatsregeling ogenschijnlijk een duidelijke voorschrift bevat, is in de praktijk een zodanige interpretatie daaraan gegeven wardoor het beoogde effect niet is bewerkstelligd.
90. Ik doel hier op artikel 83 van de Staatsregeling waarin staat dat alle uitgaven en middelen ter dekking van die uitgaven aangegeven moeten worden op de begroting.
91. In de praktijk heeft dit betekend dat de hulp die de Nederlandse Antillen van Nederland ontvangt niet als inkomens op de wordt opgevoerd. Dus de personele bijstand, bijvoorbeeld de uitgezonden rechters en andere technische bijstanders is niet te vinden in de begroting. Evenmin treft men in de begroting de kapitaal uitgaven die worden verricht met middelen verkregen van Nederland.
92. Is dat nou echt zo'n probleem? Het antwoord is ja en de Nederlandse Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking heeft reeds in 1978 dit als volgt verwoord:
"De omvangrijke Nederlandse hulpverlening heeft de problemen voor de Antillen niet opgelost maar versluierd. Dankzij de hulp kon een hoog bestedingsniveau op de Antillen worden gehandhaafd en behoefde de Antilliaanse regering niet over te gaan tot ingrijpende maatregelen zoals belastinghervorming en reorganisatie van het slecht functionerende, buiten proportie gegroeide ambtenarenapparaat. De hulp heeft het op de Antillen bestaande patronagesysteem versterkt en heeft mede in de hand gewerkt dat de economische mogelijkheden, hoe beperkt ook, niet tot het uiterste zijn benut omdat de noodzaak daartoe, gezien de gestage hulpstroom, niet dwingend aanwezig was"35
93. Twintig jaar later, en nog ettelijke miljoenen hulp verder bleek weinig te zijn veranderd en voegde de Commissie-Wawoe het volgende toe aan deze trieste constatering. Nog een citaat:
"Het is gebleken dat de steun van Nederland beleidsmatig noch in de praktijk voldoende gericht is geweest op vergroting van het eigen vermogen van de Antillen om zelf te voorzien in de voor de ontwikkeling noodzakelijke capaciteiten en middelen. De steunverlening heeft hierdoor een structureel karakter gekregen zonder duidelijk perspectief. De Antillen zullen van de steun afhankelijk blijven, zolang niet wordt gewerkt in een perspectief van beëindiging van steunverlening, zodat de Antillen financieel op eigen benen kunnen staan. Naar de mening van de Commissie komt deze afhankelijkheid niet overeen met het in het Statuut neergelegde beginsel dat de landen in het Koninkrijk zelfstandig zijn in ‘eigen aangelegenheden'. De verantwoordelijkheid voor deze situatie ligt zowel bij Nederland als bij de Nederlandse Antillen. De Antillen hebben verzuimd een samenhangend ontwikkelingsbeleid op te zetten en te voeren, dat gericht is op het inhalen van achterstanden en op
35 Nederlandse Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking, Advies over de Nederlandse Antillen (1978), blz. 32
verwezenlijking van de financiele voorwaarden om zelfstandigheid tot stand te brengen36".
94. Het contrast met Singapore op dit punt kan niet groter zijn. Lee Kuan Yew voorzag dat ontwikkelingshulp onwikkeling in de weg zou staan en besloot dat Singapore nimmer onwikelingshulp zou moeten aanvaarden. Hij zegt het volgende daarover in zijn memoires:
"Healey in 1967 had promissed "significant aid" to offset the loss from the run-down of British forces. I was convinced our people must never have an aid-dependent mentality. If we were to succeed we we had to depend on ourselves. ... I warned our workers, ‘The world does not owe us a living. We cannot live by the begging bowl.'"37
95. Feit is is dat er inderdaad geen enkele land is aan te wijzen dat hulp heeft gekregen en die de transitie maakte van een derde wereld land naar een ontwikkeld land.
96. Dus om de scheefgroei in de overheidfinancien en de hulpafhankelijkheid in de toekomst te voorkomen is het raadzaam om in de Staatsregeling vier basis financiele normen op te nemen.
- Ten eerste, om te voorkomen dat de overheid geld leent voor consumptieve uitgaven zal de gulden financieringsregel uitdrukkelijk in de Staatsregeling moeten worden opgenomen. Een dergelijke bepaling zou als volgt kunnen leiden:
" Geldleningen ten name en ten laste van het Land die strekken tot dekking van lopende uitgaven zijn nietig38.
Het garanderen van geldleningen ten laste het Land die strekken tot dekking van lopende uitgaven zijn nietig39".
- Ten tweede, om de situatie te voorkomen dat Nederlandse hulp gebruikt wordt om lopende uitgaven te dekken in plaats van investeren in ontwikkelen, zal de nieuwe Staatsregeling ook de volgende bepaling moeten bevatten:
"Geen middelen uit hoofde van paragraaf 3 van het Statuut voor het Koninkrijk mogen worden aangewend ter dekking of vervanging van lopende uitgaven van de Nederlandse Antillen."
- Ten derde, de Staatsregeling zal moeten bepalen dat middelen die door Nederland ter beschikking worden gesteld, al dan niet in natura, in de landsbegroting worden geintergreerd zodat zij zichtbaar geoogmerkt kunen worden aan de inkomsten- en uitgavenkant van de landsbegroting. Aldus wordt
36 Commissie Financieringsmodaliteiten, Ontwikkeling in vertrouwen: naar een Antilliaanse Ontwikkelingsfinanciringsmaatschappij (1997), blz. 34 37 Lee Kuan Yew, From Third World to First - The Singapore Story: 1965-2000, (Singapore, 2000), blz. 70 38 Hiermee wordt de guldenfinancieringsregel opgelegd. 39 Hierdoor kan men zich niet aan de begrotingsdiscipline onttrekken door via NV's en stichtingen te werken.
niet alleen de verieste transparantie maar ook een betere beleidsmatige integratie tot gevolg40.
- Ten vierde, om te voorkomen dat de overheid, zoals tot nog toe het geval is geweest, leningen uitschrijft tegen rentes die te hoog zijn vergeleken het internationale kapitaal markt, zal de nieuwe Staatsregeling uitdrukkelijk kunnen bepalen dat geen geldleningen mogen worden aangegaan tegen een rentetarief hoger dan twee procent dan de rente die gangbaar is voor geldleningen ten name en ten laste van de Verenigde Staten van Amerika41
Ontwerpfout 4: onderwaardering van de Raad van Advies
97. Het opnemen van dergelijke financiele normen in de Staatsregeling zal evenwel niet voldoende zijn. Zoals bekend is Raad van Advies, die als een hoge college van Land. Zij is belast met de advisering van de constitutionel Gouverneur over alle ontwerpen van landsverordering en alle andere gewichtige zaken. In die hoedanigheid heeft de Raad van Advies de taak om ontwerpbegrotingen en voorgenomen leningen te toetsen aan de in de Staatsregeling opgenomen financiele normen en andere gangbare normen voor deugdelijke overheidsfinancien.
98. Echter, hoe gewichtig de adviezen van de Raad van Advies ook zijn, blijkt uit de praktijk dat, anders dan adviezen over puur staatsrechetlijke kwesties, worden de adviezen van de Raad van Advies op het gebied van de financiele normen niet altijd opgevolgd of genoegzaam opgevolgd. Dit omdat de huidige Staatsregeling geen gevolgen verbind aan de inhoudelijke oordelen van de Raad van Advies.
99. Wanneer de zo-even voorgestelde financiele normen in de Staatsregeling worden opgenomen, zal moet worden voorkomen dat de adviezen en oordelen van de Raad van Advies over de naleving daarvan verontachtzaamd zullen kunnen worden.
100. Mij dunkt daarom de Staatsregeling ook de gevolgen moet verbinden aan de oordelen van de Raad van Advies over de naleving van de financiele normen.
101. Het lijkt mij daarom dat de Staatsregeling zal moeten bepalen dat de Gouverneur geen landsverordeningen ten aanzien waarvan de Raad van Advies geoordeeld heeft dat zijn niet in overeenstemming zijn met de basis financiele normen. Aldus wordt het onmogelijk gemaakt voor de politiek om de adviezen van de Raad van Advies over de naleving van de financiele normen.
Weeffout 5: het coalitie systeem
102. Ik beland bij de vijfde weeffout in de huidige Antilliaanse constitutie. Men is het over het algemeen eens dat sinds de van de autonomie de Staten geen rol van betekenis speelt als het op controle van de regering aankomt. Op papier kennen de Antillen een parlemaintaire democratie en een de jure dualistisch systeem. Echter, in de praktijk is er sprake van moninsme. Dat wil zeggen dat de regeringsgezinde
40 Vgl. Punt K.5 van de Slotverklaring (Akkoord dat aan het einde bestuurlijke overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en Sint Maarten, in het Spaanse Hof te Den Haag op 2 november 2006) 41 Voorkomt dat in de Nederlandse Antillen het rentetarief voor overheidsleningen buitensporig hoger is dan hetgeen gangbaar is op de internationale kapitaalmarkt.
Statenleden zonder meer de regering blindelings steunen terwijl de oppositie "uncompromising" kritisch, maar machteloos is42; wie de poltiek de meerderheid heeft, heeft het voor het zeggen.
103. In deze "the coalition takes it all" cultuur verlegd het eigenlijke politiek spel naar binnen de coalitie, tussen de partners. Ten behoeve van het voortbestaan van de coalitie worden onderling concessies gedaan en worden elkaars eisen over en weer getolereerd; de uitvoering van het regeerprogramma is daarbij hoogstens een bijkomstigheid. Het komt dan ook regelmatig voor dat wanneer met name de kleinste coalitiegenoot zijn zin niet meer krijgt, de coalitie uiteen valt en daarmee de regering.
104. Niet alleen heeft dat instabiliteit in de hand gewerkt maar het heeft ook geleid tot een bestuurscultuur waarin het niet zozeer gaat om de uitvoering van een beleid maar het scoren van punten. In een dergelijk systeem is het lange termijn denken zoek en is er geen ruimte voor een strategisch georienteerde beleid.
105. Gegeven deze ervaring, moet men een zeer grote vraagteken plaatsen bij het voortzetten met het coalitiesysteem in het nieuwe staatsrecht. Het lijkt mij eerder raadzaam om over te stappen naar een systeem van een gekozen ministerpresident43.
Weeffout 6: ongezonde startpotitie
106. Nu de laatste weeffout waarover ik het wil hebben. In media heb ik vernomen dat de gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen in Den Haag verklaard heeft dat Nederland de Antillen te vroeg heeft losgelaten. Of hetgeen de media berrichte waar is of niet doet hier niet toe. Wel schuilt daarin een gedachte dat nadere reflectie verdient. De gedachte is dat de autonomie is verkregen zonder dat de Antillen daar klaar voor waren.
107. Hierdoor zijn er geen voorzieningen getroffen om te verzekeren dat op het moment