Wet financiële verhoudingen BES

Download This Document (.pdf)



  • Regels met betrekking tot de financiële functie van de
    openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hun
    bevoegdheid tot het heffen van belastingen en hun financiële
    verhouding met het Rijk (Wet financiële verhouding openbare
    lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
    VOORSTEL VAN WET
    Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
    van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is
    regels te stellen met betrekking tot de financiële functie van de
    openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hun
    bevoegdheid tot het heffen van belastingen en hun financiële
    verhouding met het Rijk;
    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
    overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan,
    gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
    HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
    Artikel 1.1
    1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
    verstaan onder
    a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijksrelaties;
    b. Onze Ministers: Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijksrelaties en van Financiën;
    c. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of
    Saba;
    d. Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger voor de
    openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
    e. College financieel toezicht: College financieel toezicht, bedoeld
    in artikel .. van de Rijkswet financieel toezicht;
    f. geconsolideerde schuld: de gezamenlijke schulden van de
    collectieve sector van een openbaar lichaam in de vorm van leningen
    en kredieten, met uitzondering van de onderlinge schulden binnen de
    betreffende collectieve sector;
    g. rentelast: de uitgaven aan rente toerekenbaar aan een
    begrotingsjaar over de geconsolideerde schuld van de collectieve
    sector van een openbaar lichaam;
    h. collectieve sector: gezamenlijkheid van de rechtspersonen die
    op basis van het System of National Accounts van de Verenigde
    Naties tot de sector overheid worden gerekend;
    2
    i. rentelastnorm: de gemiddeld per begrotingsjaar toegestane
    rentelast voor de collectieve sector van een openbaar lichaam, als
    percentage van de gemiddelde inkomsten van de collectieve sector
    van het openbaar lichaam over de drie jaren voorafgaand aan het
    jaar waarin de begroting wordt ingediend.
    2. In deze wet wordt onder ambtenaar mede verstaan: degene die
    op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is.
    HOOFDSTUK II FINANCIËLE FUNCTIE
    Afdeling 1 Besluiten met financiële gevolgen
    Artikel 2.1
    1. In dit artikel wordt onder deelnemen in een privaatrechtelijke
    rechtspersoon verstaan: het houden van aandelen of het onderdeel
    uitmaken van het bestuur van die rechtspersoon.
    2. Een besluit tot het oprichten van of het deelnemen in een
    privaatrechtelijke rechtspersoon of een maatschap wordt slechts
    genomen als dit noodzakelijk is voor het verrichten van de beoogde
    activiteit of ten behoeve van vervreemding van bezittingen van het
    eilandgebied. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin wordt door het
    bestuurscollege bovendien niet genomen dan nadat de eilandsraad een
    ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid is gesteld zijn
    wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuurscollege te brengen.
    3. Een besluit tot het oprichten van of het deelnemen in een
    privaatrechtelijke rechtspersoon of een maatschap behoeft de
    goedkeuring van de College financieel toezicht.
    4. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het
    recht of als niet aannemelijk is dat is voldaan aan de voorwaarde,
    genoemd in de eerste volzin van het tweede lid.
    5. Ambtenaren, door of vanwege het openbaar lichaam
    aangesteld of daaraan ondergeschikt, en politieke ambtsdragers van
    het openbaar lichaam nemen geen zitting in het bestuur van een
    privaatrechtelijke rechtspersoon waarin het openbaar lichaam
    deelneemt.
    6. Besluiten tot het benoemen en herbenoemen van
    vertegenwoordigers van een bestuurscollege of een openbaar
    lichaam in een privaatrechtelijke rechtspersoon worden niet
    genomen dan nadat van het College financieel toezicht een
    verklaring is ontvangen dat deze geen bezwaar heeft tegen die
    benoeming of herbenoeming.
    7. Het College financieel toezicht kan de verklaring, bedoeld in het
    zesde lid, weigeren wegens strijd met het vijfde lid, of als naar zijn
    oordeel de betreffende beoogde vertegenwoordiger niet over
    voldoende deskundigheid beschikt of overigens niet voldoet aan de
    eisen die voortvloeien uit de beginselen van goed
    ondernemingsbestuur.
    3
    8. Het College financieel toezicht kan op grond van overwegingen
    van deugdelijk beheer aanwijzingen geven aan de
    vertegenwoordiger van een bestuurscollege of een openbaar lichaam
    in een privaatrechtelijke rechtspersoon met het oog op de
    standpuntbepaling in de aandeelhouders- of bestuursvergadering op
    het terrein van het dividendbeleid, de benoeming, het ontslag en de
    salarissen van bestuurders. De vertegenwoordiger neemt in elk geval
    het standpunt in dat investeringen en desinvesteringen door de
    rechtspersoon voor goedkeuring aan de algemene
    aandeelhoudersvergadering, respectievelijk het bestuur worden
    voorgelegd.
    9. Het bestuurscollege stelt de jaarrekeningen van de
    privaatrechtelijke rechtspersonen waarin het college of het openbaar
    lichaam deelneemt uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar
    aan het College financieel toezicht ter beschikking.
    Artikel 2.2
    1. Vervreemding van bezittingen van een openbaar lichaam op
    welke wijze dan ook geschiedt tegen marktconforme voorwaarden.
    2. Besluiten tot vervreemding van onroerende zaken, aandelen,
    obligaties en concessies, en roerende zaken behoeven de goedkeuring
    van het College financieel toezicht.
    3. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht
    of met het financieel belang van het openbaar lichaam.
    4. Het College financieel toezicht kan ten aanzien van door hem aan
    te geven soorten besluiten aangeven dat die de in het derde lid bedoelde
    goedkeuring niet behoeven.
    Artikel 2.3
    1. Geldleningen kunnen niet ten name of ten laste van een
    openbaar lichaam worden aangegaan, gegarandeerd of verstrekt.
    2. De rentelastnorm voor de collectieve sector van een openbaar
    lichaam bedraagt 0% gemiddeld per begrotingsjaar.
    3. Indien een dreigende overschrijding van de rentelastnorm wordt
    veroorzaakt door uitgaven- en inkomstenontwikkelingen in de
    collectieve sector, niet zijnde een openbaar lichaam, kan het College
    financieel toezicht na overleg met Onze Minister regels stellen ter
    beheersing van de rentelasten van de collectieve sector.
    4. Ter beoordeling van deze uitgaven- en inkomsten-ontwikkeling,
    rapporteert het Centraal Bureau voor de Statistiek van de
    Nederlandse Antillen in samenwerking met de Bank Nederlandse
    Antillen en het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek aan
    het College financieel toezicht en aan Onze Minister, gelijktijdig met
    de jaarrekeningen van de openbare lichamen, over de voorlopige
    uitgaven-, inkomsten-, tekort- en schuldcijfers van de collectieve
    sector van de openbare lichamen. Daarbij zijn de definities van het
    System of National Accounts leidend.
    4
    Artikel 2.4
    1. Het openbaar lichaam heeft een rekening-courantkrediet bij het
    College financieel toezicht.
    2. Liquiditeitstekorten ten gevolge van afwijkingen in de
    gerealiseerde uitgaven en inkomsten van de gewone dienst worden,
    na instemming van het College financieel toezicht, gedekt door het
    toestaan van een tekort op de rekening-courant, bedoeld in het
    eerste lid.
    3. Het College financieel toezicht stelt per maand, per kwartaal of
    per half jaar een maximum vast van het tekort op een rekeningcourant,
    dan wel het minimum van het tegoed op een rekeningcourant,
    zodanig dat het toegestane rekening-courantkrediet niet
    leidt tot overschrijding van de geldende rentelastnorm in het
    begrotingsjaar.
    4. Een openbaar lichaam is niet bevoegd kredieten anders dan bij
    het College financieel toezicht op te nemen.
    Afdeling 2 De begroting en de jaarrekening
    § 1 Algemene bepalingen
    Artikel 2.5
    1. De begroting, de begrotingswijzigingen, de jaarrekening en het
    jaarverslag worden ingericht overeenkomstig bij of krachtens
    algemene maatregel van bestuur te geven regels.
    2. In de raming van inkomsten en uitgaven wordt per
    begrotingspost opgenomen het gerealiseerde bedrag van het
    voorvorige begrotingsjaar, het geraamde bedrag van het vorige
    begrotingsjaar na wijziging en het geraamde bedrag van het
    begrotingsjaar.
    3. De begroting bevat voorts in ieder geval:
    a. een post voor onvoorziene uitgaven;
    b. een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het
    begrotingsjaar volgende jaren;
    c. een paragraaf weerstandsvermogen.
    Artikel 2.6
    Aan de openbare lichamen kunnen slechts bij of krachtens de wet
    uitgaven worden opgelegd.
    § 2 De begroting
    Artikel 2.7
    5
    1. De eilandsraad brengt voor alle taken en activiteiten jaarlijks op
    de begroting de bedragen die hij daarvoor beschikbaar stelt, alsmede
    de financiële middelen die hij naar verwachting kan aanwenden.
    2. De begroting is in evenwicht.
    3. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
    4. De dienst van het kalenderjaar wordt gesloten op 31 december
    van het kalenderjaar.
    Artikel 2.8
    Verplichte uitgaven van het openbaar lichaam zijn:
    a. opeisbare schulden;
    b. de uitgaven die bij of krachtens de wet aan het openbaar lichaam
    zijn opgelegd;
    c. de uitgaven die voortvloeien uit de van het openbaar lichaam
    gevorderde medewerking tot uitvoering van wetten en algemene
    maatregelen van bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van
    anderen zijn gebracht.
    Artikel 2.9
    1. Indien de eilandsraad weigert verplichte uitgaven op de
    begroting te brengen, doet het College financieel toezicht dit.
    2. Indien de eilandsraad bovendien weigert in voldoende dekking
    van de in het eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, vermindert het
    College financieel toezicht daartoe hetzij het bedrag voor
    onvoorziene uitgaven, hetzij, indien dit bedrag niet toereikend is,
    overige niet-verplichte uitgaven.
    Artikel 2.10
    Het College financieel toezicht draagt zonodig aan de bevoegde
    ambtenaar van het openbaar lichaam de betaling op ten laste van
    het openbaar lichaam van hetgeen als verplichte uitgaaf op de
    begroting is gebracht.
    Artikel 2.11
    1. Het bestuurscollege zendt uiterlijk 1 augustus van het jaar,
    voorafgaand aan het begrotingsjaar, de ontwerpbegroting aan het
    College financieel toezicht.
    2. Het College financieel toezicht toetst de ontwerpbegroting aan
    de criteria, genoemd in artikel 2.13, tweede lid.
    3. Het College financieel toezicht zendt binnen twee weken na
    ontvangst van de ontwerpbegroting aan het bestuurscollege een
    advies, bevattende zijn bevindingen met betrekking tot de
    uitgevoerde toetsing en eventuele aanbevelingen met betrekking tot
    aanpassing van de ontwerpbegroting.
    6
    4. Het bestuurscollege biedt jaarlijks uiterlijk op 1 september van
    het jaar, voorafgaand aan het begrotingsjaar, de ontwerp-begroting
    aan de eilandsraad aan en geeft daarbij aan op welke wijze rekening
    is gehouden met de bevindingen en aanbevelingen van het College
    financieel toezicht.
    5. De ontwerp-begroting en de overige in het eerste en tweede lid
    bedoelde stukken liggen, zodra zij aan de eilandsraad zijn
    aangeboden, voor eenieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar.
    Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar
    kennis gegeven.
    Artikel 2.12
    1. De eilandsraad beraadslaagt over de ontwerpbegroting niet
    eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving, bedoeld in
    artikel 2.11, vijfde lid.
    2. Over voorstellen tot amendering van de ontwerpbegroting wordt
    geen besluit genomen dan nadat het College financieel toezicht in de
    gelegenheid is gesteld over die voorstellen een advies uit te brengen.
    Te dien einde zendt het bestuurscollege voorstellen tot amendering
    van de ontwerpbegroting onmiddellijk na indiening daarvan aan het
    College financieel toezicht. Het College financieel toezicht brengt
    binnen drie dagen na ontvangst een advies uit als bedoeld in artikel
    2.11, derde lid.
    3. De eilandsraad stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande
    aan het begrotingsjaar.
    Artikel 2.13
    1. De begroting behoeft de goedkeuring van het College financieel
    toezicht. De goedkeuring kan gedeeltelijk worden verleend.
    2. Het College financieel toezicht toetst de begroting in ieder geval
    aan de volgende criteria:
    a. de begroting is in overeenstemming met de artikelen 2.3, tweede
    lid, 2.5 en 2.7 en de daarop berustende bepalingen;
    b. de begroting is toelaatbaar uit een oogpunt van een rechtmatig,
    doelmatig en controleerbaar financieel beheer;
    c. de in de begroting opgenomen uitgaven en inkomsten zijn in
    overeenstemming met de best mogelijke inschatting van reeds
    aangegane financiële verplichtingen en van te verwachten externe
    ontwikkelingen;
    d. de in de begroting opgenomen financiële verplichtingen en uitgaven
    brengen geen onaanvaardbare risico’s met zich mee voor toekomstige
    begrotingsjaren;
    e. de begroting voldoet overigens aan de geldende regelgeving.
    3. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd
    met het recht of met het financieel belang van het openbaar lichaam.
    4. Het bestuurscollege zendt de door de eilandsraad vastgestelde
    begroting binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval
    7
    vóór 15 november van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
    begroting dient, aan het College financieel toezicht.
    5. Het College financieel toezicht maakt binnen twee weken na
    ontvangst van de vastgestelde begroting het besluit omtrent
    goedkeuring bekend aan de eilandsraad die de begroting heeft
    vastgesteld.
    6. Het nemen van een besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal
    voor ten hoogste twee weken worden verdaagd.
    7. Een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn genomen,
    indien binnen de in het vijfde lid genoemde termijn dan wel binnen de
    termijn waarvoor het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent
    goedkeuring is bekendgemaakt aan de eilandsraad die de begroting
    heeft vastgesteld.
    8. Als het College financieel toezicht aan de begroting geheel of
    gedeeltelijk goedkeuring onthoudt stelt het bestuurscollege zo
    spoedig mogelijk na ontvangst van dat besluit een nieuwe
    ontwerpbegroting op, rekening houdend met het besluit van het
    College financieel toezicht.
    9. Het eerste en tweede lid alsmede de artikelen 2.11, tweede en
    vierde lid, en 2.12 zijn van overeenkomstige toepassing.
    Artikel 2.14
    1. Als het College financieel toezicht een week na de in artikel
    2.13, vierde lid, bedoelde datum nog geen begroting ter goedkeuring
    heeft ontvangen stelt hij zelf de begroting van het betreffende
    openbare lichaam voor het eerstvolgende begrotingsjaar vast.
    2. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in
    overeenstemming met het gevoelen van Onze Minister.
    Artikel 2.15
    1. Een besluit tot wijziging van de begroting behoeft de
    goedkeuring van het College financieel toezicht.
    2. De artikelen 2.11, 2.12 en 2.13 zijn van overeenkomstige
    toepassing. Het College financieel toezicht betrekt bij de beoordeling
    de ontwikkeling van het saldo op de rekening-courant, bedoeld in
    artikel 2.4, eerste lid.
    3. Indien dit nodig is in verband met het herstel van schade
    veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen, waaronder
    natuurrampen, kan het College financieel toezicht, na overleg met
    het betreffende bestuurscollege en in overeenstemming met Onze
    Minister een tekort op de begroting of een overschrijding van de
    rentelastnorm toestaan.
    4. Indien op de dag waarop een besluit tot wijziging van de
    begroting ter goedkeuring aan het College financieel toezicht wordt
    aangeboden, de begroting nog niet is goedgekeurd, vangt de in
    artikel 2.13, vijfde lid, bedoelde termijn aan op de dag van de
    goedkeuring van de begroting.
    8
    Artikel 2.16
    1. Het bestuurscollege zendt uiterlijk drie weken na afloop van
    ieder kwartaal uitvoeringsrapportages aan het College financieel
    toezicht.
    2. Zo nodig gaan de uitvoeringsrapportages vergezeld van
    ontwerpen van begrotingswijzigingen als bedoeld in artikel 2.15.
    Ontwerpen van begrotingswijzigingen worden in ieder geval
    voorgelegd met betrekking tot:
    a. wijzigingen in de ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en
    de inkomsten van het lopende jaar;
    b. voornemens tot nieuw beleid;
    c. compensatie van inmiddels in de rekening van het voorafgaande
    begrotingsjaar gebleken tekorten op de gewone dienst of op de
    kapitaaldienst, of van een gebleken overschrijding van de rentelastnorm.
    Artikel 2.17
    1. Behoudens het bepaalde in de artikelen 2.18 en 2.19 kunnen
    ten laste van het openbaar lichaam geen uitgaven worden gedaan
    die niet zijn geraamd bij goedgekeurde begroting of een
    goedgekeurde begrotingswijziging dan wel in een door het College
    financieel toezicht overeenkomstig artikel 2.14 vastgestelde
    begroting.
    2. Het bestuurscollege legt het voornemen tot het aangaan van
    een financiële verplichting voor advies voor aan het hoofd Financiën
    van het openbaar lichaam of, bij zijn afwezigheid, aan zijn eerste of
    tweede plaatsvervanger. Een positief advies wordt verleend indien
    de financiële verplichting is voorzien in een goedgekeurde begroting
    of goedgekeurd besluit tot wijziging van de begroting dan wel in een
    door het College financieel toezicht overeenkomstig artikel 2.14
    vastgestelde begroting.
    3. Als de voorgenomen financiële verplichting niet is voorzien in
    een goedgekeurde begroting of goedgekeurd besluit tot wijziging van
    de begroting dan wel in een door het College financieel toezicht
    overeenkomstig artikel 2.14 vastgestelde begroting dient het
    bestuurscollege zo snel mogelijk een voorstel tot wijziging van de
    begroting in bij de eilandsraad.
    Artikel 2.18
    1. Voor het aangaan van verplichtingen die niet voorzien zijn in
    een goedgekeurde begroting of goedgekeurd besluit tot wijziging van
    de begroting dan wel in een door het College financieel toezicht
    overeenkomstig artikel 2.14 vastgestelde begroting behoeft het
    openbaar lichaam de toestemming van het College financieel
    toezicht.
    9
    2. Een aanvraag tot toepassing van het eerste lid kan door het
    College financieel toezicht slechts worden afgewezen wegens strijd
    met het recht of met het financieel belang.
    3. Het College financieel toezicht beslist op de aanvraag binnen
    twee weken na de verzending van de aanvraag, bedoeld in het
    tweede lid. De toestemming wordt geacht te zijn verleend indien
    binnen deze termijn geen besluit aan het openbaar lichaam is
    verzonden.
    4. Het College financieel toezicht kan aan de toestemming
    voorschriften verbinden.
    5. Het College financieel toezicht kan bepalen voor welke posten
    en tot welk bedrag het openbaar lichaam de toestemming, bedoeld in
    het eerste lid, niet behoeft.
    Artikel 2.19
    1. In gevallen van dringende spoed kan, indien de eilandsraad
    daartoe besluit, een verplichting worden aangegaan voordat de
    desbetreffende begroting of begrotingswijziging is goedgekeurd. Het
    besluit wordt het College financieel toezicht toegezonden. Is de
    aangegane verplichting geraamd bij een begrotingswijziging die nog
    niet ter goedkeuring is ingezonden, dan wordt deze
    begrotingswijziging tezamen met het besluit toegezonden.
    2. Over het in het eerste lid bedoelde besluit beslist de
    eilandsraad bij hoofdelijke oproeping.
    Artikel 2.20
    1. Indien de eilandsraad artikel 2.19 heeft toegepast en het
    College financieel toezicht zijn goedkeuring aan de betreffende
    begroting of begrotingswijziging onthoudt, kan hij binnen een maand
    nadat zijn besluit onherroepelijk is geworden, de leden van de
    eilandsraad die hun stem vóór het in artikel 2.19 bedoelde besluit
    hebben uitgebracht, ieder voor een gelijk deel, persoonlijk voor deze
    verplichting aansprakelijk stellen tegenover het openbaar lichaam.
    2. De werking van het besluit tot aansprakelijkstelling wordt
    opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is
    ingesteld, op het beroep is beslist.
    3. De Rijksvertegenwoordiger stelt zonodig namens en ten laste
    van het openbaar lichaam een rechtsvordering in tot betaling van de
    krachtens het besluit tot aansprakelijkstelling verschuldigde gelden.
    Artikel 2.21
    1. Af- en overschrijving op de posten van de begroting is alleen
    toegestaan voor zover daartoe machtiging is verleend in de begroting
    zelf of bij een afzonderlijk besluit van de eilandsraad.
    10
    2. Opdrachten tot af- en overschrijvingen waartoe machtiging is
    verleend in de begroting behoeven de instemming van de
    eilandsraad.
    3. Een afzonderlijk besluit als bedoeld in het eerste lid behoeft de
    goedkeuring van het College financieel toezicht. Artikel 2.13, tweede,
    derde, en vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige
    toepassing.
    § 3 De rekening
    Artikel 2.22
    1. Het bestuurscollege legt aan de eilandsraad over elk
    begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde
    bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.
    2. De jaarrekening en de in artikel 2.32, derde en vierde lid,
    bedoelde stukken liggen, zodra zij aan de eilandsraad zijn
    aangeboden, voor eenieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar.
    Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar
    kennis gegeven.
    3. De eilandsraad beraadslaagt over de jaarrekening niet eerder
    dan twee weken na de openbare kennisgeving, bedoeld in het
    tweede lid.
    Artikel 2.23
    1. De eilandsraad stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in
    het jaar volgend op het begrotingsjaar. De jaarrekening betreft alle
    inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam.
    2. Indien de eilandsraad tot het oordeel komt dat inkomsten of
    uitgaven die in de jaarrekening zijn opgenomen niet rechtmatig tot
    stand zijn gekomen, wordt dit standpunt terstond ter kennis gebracht
    van het bestuurscollege met vermelding van de gerezen
    bedenkingen.
    3. Het bestuurscollege zendt de eilandsraad binnen twee
    maanden na ontvangst van het standpunt, bedoeld in het tweede lid,
    een voorstel voor een indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie
    op de bij de eilandsraad gerezen bedenkingen.
    4. Indien het bestuurscollege een voorstel voor een
    indemniteitsbesluit heeft gedaan, stelt de eilandsraad de
    jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft besloten over het voorstel.
    Artikel 2.24
    Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden ontlast de
    vaststelling van de jaarrekening de leden van het bestuurscollege
    van het daarin verantwoorde financieel beheer.
    Artikel 2.25
    11
    1. Het bestuurscollege zendt de vastgestelde jaarrekening en het
    jaarverslag, vergezeld van de overige in artikel 2.22 bedoelde stukken
    binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van
    het jaar, volgend op het begrotingsjaar, aan het College financieel
    toezicht. Het bestuurscollege voegt daarbij, indien van toepassing, het
    besluit van de eilandsraad over een voorstel voor een indemniteitsbesluit
    met de reactie, bedoeld in artikel 2.23, derde lid.
    2. Het College financieel toezicht kan een accountant als bedoeld in
    artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek onderzoek
    laten doen naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van het gevoerde
    bestuur.
    3. Indien uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een tekort op de
    gewone dienst of op de kapitaaldienst of van een overschrijding van de
    rentelastnorm, geeft het College financieel toezicht aan het
    bestuurscollege een advies voor wijziging van de begroting voor het
    lopende jaar en voor de begroting voor het komende jaar. Het
    bestuurscollege betrekt dit advies bij de eerstvolgende
    uitvoeringsrapportage, bedoeld in artikel 2.16.
    Artikel 2.26
    Indien de eilandsraad de jaarrekening dan wel een indemniteitsbesluit
    niet of niet naar behoren vaststelt, zendt het bestuurscollege de
    jaarrekening, vergezeld van de overige in artikel 2.22 bedoelde stukken,
    respectievelijk het indemniteitsbesluit ter vaststelling aan het College
    financieel toezicht. Het college financieel toezicht stelt in dat geval de
    jaarrekening en in voorkomende gevallen het indemniteitsbesluit vast na
    overleg met Onze Minister.
    Afdeling 3 Het financieel beheer en de controle
    Artikel 2.27
    1. Beleidsmaatregelen die gevolgen hebben voor de uitgaven of
    de inkomsten op de begroting, worden door het bestuurscollege en
    de eilandsraad uitgevoerd door middel van een daartoe geëigende
    voorziening.
    2. Indien het bestuurscollege de in het eerste lid bedoelde
    voorziening niet vaststelt of op een zodanig tijdstip vaststelt,
    implementeert of uitvoert dat de haalbaarheid van de uitgaven- en
    inkomstenramingen in gevaar komt, rapporteert het College
    financieel toezicht hierover aan Onze Ministers.
    3. Het College financieel toezicht rapporteert eveneens aan Onze
    Ministers indien een eilandsraad niet met een voorgestelde
    voorziening instemt of daarmee op een zodanig tijdstip instemt dat
    de haalbaarheid van de uitgaven- en inkomstenramingen in gevaar
    komt.
    4. Het College financieel toezicht zendt de betreffende
    bestuurscolleges en eilandsraden een afschrift van het rapport.
    12
    5. Onze Ministers kunnen in afwachting van de totstandkoming of
    implementatie van de bedoelde voorziening, besluiten het College
    financieel toezicht te belasten met het vaststellen van bijzondere
    maatregelen en het zelfstandig uitvoeren hiervan.
    Artikel 2.28
    1. De eilandsraad stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het
    financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie.
    Deze verordening waarborgt dat wordt voldaan aan de eisen van
    rechtmatigheid, doelmatigheid, verantwoording en controle.
    2. De verordening wordt na vaststelling gezonden aan het College
    financieel toezicht.
    3. Het College financieel toezicht kan te allen tijde een onderzoek
    instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële
    organisatie, bedoeld in het eerste lid.
    4. Het College financieel toezicht kan met een bestuurscollege
    afspraken maken ter verbetering van het financieel beheer, het
    materieel beheer en de daarvoor bij te houden administraties.
    5. Het College financieel toezicht kan het bestuurscollege ter zake
    van de in het vierde lid genoemde onderwerpen algemene en
    bijzondere aanwijzingen geven.
    6. Het College financieel toezicht geeft deze aanwijzingen op het
    terrein van het financieel beheer met inachtneming van de
    bevindingen van de accountants, bedoeld in de artikelen 2.32,
    tweede lid, en 2.25, tweede lid.
    7. Het bestuurscollege neemt de aanwijzingen, bedoeld in het
    vijfde en zesde lid, in acht.
    8. Voor de afspraken inzake de verbeteringen in het financieel
    beheer maakt het College financieel toezicht gebruik van de
    bevindingen van de accountants, bedoeld in de artikelen 2.32,
    tweede lid, en 2.25, tweede lid.
    9. Het College financieel toezicht houdt toezicht op de inrichting
    van de controle die plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de
    begroting.
    Artikel 2.29
    1. Uitsluitend het hoofd Financiën van het openbaar lichaam of
    zijn eerste of tweede plaatsvervanger kunnen gemandateerd worden
    namens het openbaar lichaam privaatrechtelijke rechtshandelingen
    te verrichten die voortvloeien uit een besluit tot het aangaan van een
    financiële verplichting en waarover een positief advies is verleend als
    bedoeld in artikel 2.17, tweede lid.
    2. Indien het bestuurscollege zonder een positief advies, bedoeld
    in het eerste lid, de in dat lid bedoelde functionarissen niettemin
    opdraagt een verplichting aan te gaan of de daarmee verband
    houdende privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten,
    13
    informeert de betrokken functionaris het College financieel toezicht
    daarover.
    3. Het College financieel toezicht geeft ter zake van de door de
    betrokken functionaris voorgelegde aangelegenheden een
    aanwijzing. Het bestuurscollege en de betrokken functionaris nemen
    deze aanwijzing in acht.
    4. Het bestuurscollege deponeert de namen en functies van de
    personen, bedoeld in het eerste lid, bij het College financieel
    toezicht. Het College financieel toezicht houdt hiervan een register bij
    en publiceert dit register na de vaststelling ervan, na elke wijziging,
    maar in elk geval iedere zes maanden.
    5. Het College financieel toezicht kan na overleg met Onze
    Minister begrotingen of begrotingsartikelen aanwijzen ten laste
    waarvan geen financiële verplichtingen mogen worden aangegaan,
    voordat het daarmee heeft ingestemd.
    6. De inhoud van de aangewezen begrotingen of
    begrotingsartikelen, bedoeld in het zevende lid, worden, zolang ze
    zijn aangewezen, opgenomen in het register, bedoeld in het vierde
    lid.
    7. Privaatrechtelijke rechtshandelingen betreffende het aangaan
    van financiële verplichtingen als bedoeld in dit artikel zijn niet geldig
    indien:
    a. de regels in dit besluit omtrent de bevoegdheid van de handelende
    personen niet zijn nageleefd, of
    b. deze handelingen begrotingen of begrotingsartikelen betreffen die
    ingevolge het achtste lid zijn opgenomen in het register, bedoeld in
    het vierde lid.
    8. In geval van het aangaan van financiële verplichtingen en het
    verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen waartoe door de
    eilandsraad is besloten, is dit artikel van overeenkomstige
    toepassing.
    Artikel 2.30
    1. Namens het openbaar lichaam is uitsluitend het hoofd
    Financiën van het openbaar lichaam of, bij zijn afwezigheid, zijn
    eerste of tweede plaatsvervanger, bevoegd tot het verrichten van
    betalingen die voortvloeien uit door een bestuursorgaan aangegane
    financiële verplichtingen. Zij kunnen de ontvanger van het openbaar
    lichaam machtigen de genoemde betalingen te verrichten.
    2. Artikel 2.29, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
    toepassing op opdrachten van het bestuurscollege tot het doen van
    betalingen, bedoeld in het eerste lid.
    3. In afwijking van het eerste lid kunnen betalingen door anderen
    dan de gemachtigden worden verricht voor zover zij contant betalen
    of gebruik maken van een bankpas of creditcard, onverminderd het
    bepaalde in het achtste lid.
    14
    4. Betalingen namens het openbaar lichaam, zowel onderling als
    aan derde partijen, worden uitsluitend verricht via het bancaire
    betalingsverkeer, behoudens het bepaalde in het derde lid.
    5. Met de schriftelijke instemming van het College financieel
    toezicht en onder door hem te stellen voorwaarden kan van het
    vierde lid worden afgeweken.
    6. Het bestuurscollege bevordert dat derde partijen hun betalingen
    aan het openbaar lichaam verrichten ten gunste van de betrokken
    inkomstenrekening van het openbaar lichaam.
    7. Ontvangen contante gelden en cheques worden op de dag van
    ontvangst gestort op de inkomstenrekening van het openbaar
    lichaam.
    8. Het doen van contante betalingen, het gebruik van bankpassen,
    creditcards, chippassen en andere elektronische betaalwijzen is,
    zonder voorafgaande schriftelijke instemming van het College
    financieel toezicht, niet toegestaan. In overleg met het
    bestuurscollege kan het College financieel toezicht voor het gebruik
    van een creditcard een bestedingslimiet vaststellen.
    9. Betalingen namens het eilandgebied geschieden tegen
    voldoende kwijting.
    10. Het als geldelijke betaling in ontvangst nemen van nietgeldelijke
    zaken is niet toegestaan. Met de schriftelijke instemming
    van het College financieel toezicht kan hiervan worden afgeweken.
    11. Het afgeven aan derden en het in ontvangst nemen van
    derden van geldswaardige papieren in de vorm van aandelen en
    obligaties geschiedt tegen een voldoende kwijting.
    12. Het verlenen van voorschotten op aan derde partijen te
    verrichten betalingen geschiedt met inachtneming van door het
    College financieel toezicht na overleg met het bestuurscollege op te
    stellen regels inzake het verlenen van voorschotten.
    Artikel 2.31
    1. Met ingang van een door het College financieel toezicht te
    bepalen datum draagt het bestuurscollege, in overeenstemming met
    het College financieel toezicht, er zorg voor:
    a. dat voor het doen van betalingen en het incasseren van
    inkomsten aparte bankrekeningen zijn geopend bij een of meer
    banken, al naar gelang de doelmatigheid dat vereist;
    b. dat creditsaldi op de bankrekeningen dagelijks aan het eind van
    de dag worden overgeboekt naar de bankrekening van het College
    financieel toezicht;
    c. dat het College financieel toezicht dagelijks afschriften ontvangt
    van de mutaties op de bankrekeningen.
    2. Het College financieel toezicht draagt er zorg voor dat
    debetsaldi op de bankrekeningen dagelijks aan het eind van de dag
    worden aangevuld.
    3. De mutaties op de in het eerste lid, onder b, bedoelde
    bankrekening worden door het College financieel toezicht voor elk
    15
    van de openbare lichamen bijgehouden op de rekening-courant,
    bedoeld in artikel 2.4, eerste lid.
    4. Het College financieel toezicht vergoedt over creditsaldi op de
    rekening-courant een creditrente en brengt over debetsaldi een
    debetrente in rekening. Het percentage van de creditrente en van de
    debetrente zijn aan elkaar gelijk en gelijk aan de Euro Overnight
    Index Average.
    5. De Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden is
    van overeenkomstige toepassing.
    Artikel 2.32
    1. De eilandsraad stelt bij verordening regels vast voor de controle
    op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële
    organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van
    het financiële beheer en van de inrichting van de financiële
    organisatie wordt getoetst.
    2. De eilandsraad wijst een of meer accountants aan als bedoeld
    in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
    belast met de controle van de in artikel 2.22 bedoelde jaarrekening
    en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het
    uitbrengen van een verslag van bevindingen.
    3. De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde
    controle aan of:
    a. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en
    lasten als de grootte en samenstelling van het vermogen;
    b. de inkomsten en uitgaven rechtmatig tot stand zijn gekomen;
    c. de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de bij of
    krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld
    in artikel 2.5.
    4. Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen
    over:
    a. de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de
    financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording
    mogelijk maken en
    b. onrechtmatigheden in de jaarrekening.
    5. De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag
    van bevindingen aan de eilandsraad en een afschrift daarvan aan het
    bestuurscollege.
    6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
    worden gesteld met betrekking tot de reikwijdte van en de
    verslaglegging omtrent de accountantscontrole, bedoeld in het
    tweede lid.
    7. Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in dienst van
    het openbaar lichaam worden aangesteld en worden in dat geval
    door de eilandsraad benoemd, geschorst en ontslagen.
    8. Indien de eilandsraad op grond van het tweede lid accountants
    heeft aangewezen die in dienst van het openbaar lichaam zijn
    aangesteld, is:
    16
    a. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25 en 27 van de Wet
    toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing
    op deze accountants;
    b. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14, 18, 19, 20 en 21
    van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige
    toepassing op het openbaar lichaam, en
    c. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 15 en 16 van de Wet
    toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing
    op de personen die de dagelijkse leiding hebben over het onderdeel
    van de gemeente waarbij de in de aanhef bedoelde accountants
    werkzaam zijn.
    9. Indien een openbaar lichaam wordt aangewezen als organisatie
    van openbaar belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h,
    van de Wet toezicht accountantsorganisaties, zijn de artikelen 22 tot
    en met 24 van die wet van overeenkomstige toepassing op dit
    openbaar lichaam.
    10. De gezamenlijke rekenkamer is belast met het toezicht op de
    naleving van het achtste lid.
    HOOFDSTUK III DE BELASTINGEN
    § 1 Algemene bepalingen
    Artikel 3.1
    De eilandsraad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van
    een eilandbelasting door het vaststellen van een verordening.
    Artikel 3.2
    Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende
    gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het
    belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang
    van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen
    overigens voor de heffing en de invordering van belang is.
    Artikel 3.3
    1. Behalve de eilandbelastingen waarvan de heffing krachtens
    andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere
    eilandbelastingen geheven dan die bedoeld in de tweede en derde
    paragraaf van dit hoofdstuk.
    2. Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de
    tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk kunnen de
    eilandbelastingen worden geheven naar in de belastingverordening
    te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag
    van een eilandbelasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het
    inkomen, de winst of het vermogen.
    17
    § 2 Bijzondere bepalingen omtrent de grondbelasting
    Artikel 3.4
    1. Ter zake van binnen het openbaar lichaam gelegen onroerende
    zaken kan onder de naam grondbelasting een eilandbelasting
    worden geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar
    van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit
    of beperkt recht.
    Artikel 3.5
    1. De belasting, bedoeld in artikel 3.4, wordt geheven bij wege van
    aanslag.
    2. Een aanslag bevat in ieder geval:
    a. de naam, het adres en de woon- of vestigingsplaats van degene aan
    wie de aanslag wordt opgelegd;
    b. een aanduiding van de onroerende zaak;
    c. de heffingsmaatstaf;
    d. de waardepeildatum;
    e. het kalenderjaar waarvoor de aanslag geldt;
    f. het te betalen belastingbedrag.
    3. Het niet naleven van de voorschriften van het eerste lid brengt geen
    nietigheid van de aanslag mee.
    Artikel 3.6
    Voor de toepassing van artikel 3.4, wordt als genothebbende
    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die
    bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale
    registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
    genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
    Artikel 3.7
    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als één onroerende
    zaak aangemerkt:
    a. een gebouwd eigendom;
    b. een ongebouwd eigendom;
    c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld
    eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een
    afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
    d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of
    onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde
    gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn
    en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
    18
    Artikel 3.8
    1. De heffingsmaatstaf voor de grondbelasting is de waarde die aan de
    onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en
    onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en
    de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en
    in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
    2. In afwijking in zoverre van het tweede lid wordt de waarde van een
    onroerende zaak bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot
    een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening
    van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
    a de aard en de bestemming van de zaak;
    b de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en
    functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in
    aanmerking wordt genomen.
    Artikel 3.9
    1. De waarde van de onroerende zaken ter zake waarvan de
    grondbelasting wordt geheven wordt bepaald door de in artikel 3.27,
    tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar.
    2. De waarde wordt bepaald naar de waarde die de onroerende zaak
    op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum
    verkeert.
    3. De waardepeildatum ligt één jaar voor het begin van het tijdvak
    waarvoor de waarde wordt vastgesteld.
    4. De waarde geldt voor een tijdvak van vijf achtereenvolgende jaren.
    Artikel 3.10
    Indien een onroerende zaak in het jaar voorafgaand aan het tijdvak of
    in de loop van het tijdvak wijzigt als gevolg van bouw, verbouwing,
    verbetering, afbraak of vernietiging wordt in afwijking in zoverre van
    artikel 3.8 de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin
    van het kalenderjaar volgend op dat waarin de genoemde wijziging zich
    heeft voorgedaan.
    Artikel 3.11
    1. In afwijking in zoverre van artikel 3.8 wordt bij de bepaling van
    de heffingsmaatstaf voor de grondbelasting buiten aanmerking
    gelaten, de waarde van:
    a. de delfstoffen in de bodem en de door natuurvorming in of
    boven de grond aanwezige meststoffen;
    b. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
    eredienst met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
    dienen als woning;
    c. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
    19
    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of
    nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen,
    beheerd worden;
    d. openbare land en waterwegen;
    e. waterverdedigings en waterbeheersingswerken die worden beheerd
    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die
    dienen als woning;
    f. werken die zijn bestemd voor de levering van water, de inzameling
    en zuivering van riool- en ander afvalwater, de levering van elektriciteit en
    die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
    publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
    zodanige werken die dienen als woning;
    g. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen
    wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen
    zijn aan te merken.
    Artikel 3.12
    De belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf.
    Artikel 3.13
    1. In de belastingverordening kan worden bepaald dat geen
    belasting wordt geheven indien de heffingsmaatstaf blijft beneden $
    …. dan wel een in de belastingverordening te bepalen lager bedrag.
    2. In de belastingverordening kunnen belastingbedragen tot
    maximaal $ 10 worden opgenomen waarvoor geen invordering zal
    plaatsvinden. Voor de toepassing van de vorige volzin kan in de
    belastingverordening worden bepaald dat het totaal van op één
    aanslagbiljet of kennisgeving verenigde verschuldigde bedragen
    wordt aangemerkt als één belastingbedrag.
    Artikel 3.14
    Bij gehele of gedeeltelijke vernieling van gebouwen door onvoorziene
    rampen wordt op verzoek aan de belastingschuldige een vermindering of
    teruggaaf van belasting verleend naar evenredigheid van het resterende
    deel van het belastingjaar waarop de belasting betrekking heeft en van
    de vermindering in waarde.
    § 3 Bijzondere bepalingen omtrent enkele andere belastingen dan de
    grondbelasting
    Artikel 3.15
    20
    1. Onder de naam toeristenbelasting kan een eilandbelasting
    worden geheven ter zake van verblijf binnen het grondgebied van het
    openbaar lichaam door niet-ingezetenen van het openbaar lichaam.
    2. Voor zover een eilandbelasting wordt geheven van degene die
    gelegenheid tot verblijf biedt is deze bevoegd de belasting als
    zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de
    belasting verschuldigd wordt.
    3. Voor de toepassing van dit artikel wordt als degene die
    gelegenheid tot verblijf biedt in ieder geval aangemerkt:
    a. de eigenaar van een onroerende zaak waar een nietingezetene
    verblijft, ingeval deze onroerende zaak door de eigenaar
    zelf wordt geëxploiteerd,
    b. de exploitant van een onroerende zaak waar een nietingezetene
    verblijft,
    c. de schipper of gezagvoerder die een vaartuig onder zijn
    verantwoordelijkheid heeft of de beheerder of gebruiker van het
    vaartuig.
    Artikel 3.16
    1. Onder de naam verhuurautobelasting kan ter zake van het
    gebruik van een verhuurauto een eilandbelasting worden geheven
    van degene die de auto’s verhuurt.
    2. De belasting kan als zodanig verhaald worden op degene ter
    zake van wiens gebruik de belasting verschuldigd wordt.
    Artikel 3.17
    1. Ter zake van een motorrijtuig zijnde een personenauto,
    motorrijwiel, autobus, vrachtauto of bestelauto, die of dat naar hun
    aard voor gebruik op de openbare weg zijn bestemd en
    overeenkomstig deze bestemming binnen of op het grondgebied van
    het openbaar lichaam worden gebruikt, kan onder de naam
    motorrijtuigenbelasting een eilandbelasting worden geheven van
    degene die bij aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt.
    2. Het tarief van de motorrijtuigenbelasting kan afhankelijk worden
    gesteld van
    a. de massa in kilogrammen van het motorrijtuig,
    b. de aard van de brandstof van het motorrijtuig alsmede
    c. het soort motorrijtuig,
    3. Het in het eerste lid bedoelde tijdvak bedraagt drie maanden,
    waarbij het eerste tijdvak in een kalenderjaar aanvangt op 1 januari
    van dat kalenderjaar.
    Artikel 3.18
    1. Onder de naam kansspelbelasting kan een eilandbelasting
    worden geheven van:
    21
    a. degene die op het grondgebied van een openbaar lichaam de
    gelegenheid geeft tot deelneming aan casinospelen en loterijen;
    b. degene die in een openbaar lichaam woonachtig of gevestigd is
    en is gerechtigd tot
    1º. de prijzen van op het grondgebied van een openbaar
    lichaam gehouden kansspelen, niet zijnde prijzen uitgekeerd door
    degene die op het grondgebied van een openbaar lichaam de
    gelegenheid geeft tot deelneming aan casinospelen en loterijen, of;
    2º. de opbrengst respectievelijk de prijzen van niet op het
    grondgebied van een openbaar lichaam gehouden casinospelen en
    loterijen onderscheidenlijk kansspelen.
    c. degene die niet in het openbaar lichaam woonachtig of
    gevestigd is en gerechtigd tot de prijzen van op het grondgebied van
    een openbaar lichaam gehouden kansspelen, niet zijnde prijzen
    uitgekeerd door degene die op het grondgebied van een openbaar
    lichaam de gelegenheid geeft tot deelneming aan casinospelen en
    loterijen.
    2. De kansspelbelasting wordt geheven:
    a. in de gevallen waarin het eerste lid, onderdeel a, van
    toepassing is, naar het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen
    inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen;
    b. in de gevallen waarin het eerste lid, onderdeel b of c, van
    toepassing is, naar de prijzen.
    3. Het in onderdeel a van het tweede lid bedoelde tijdvak bedraagt
    drie maanden, waarbij het eerste tijdvak in een kalenderjaar
    aanvangt op 1 januari van dat kalenderjaar.
    Artikel 3.19
    1. Ter zake van het houden van een hond kan van de houder een
    hondenbelasting worden geheven.
    2. De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt
    gehouden.
    3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het houden van een
    hond door een lid van een huishouden aangemerkt als het houden
    van een hond door een door de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel
    b, bedoelde ambtenaar van het openbaar lichaam aan te wijzen lid
    van dat huishouden.
    Artikel 3.20
    Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor
    de openbare dienst bestemde grond van het openbaar lichaam kan
    een precariobelasting worden geheven.
    Artikel 3.21
    Onder de naam havenbelasting kan een belasting worden
    geheven ter zake van degene, die als schipper of gezagvoerder het
    22
    vaartuig onder zijn verantwoordelijkheid heeft, of van de beheerder of
    gebruiker van het vaartuig van:
    a. het liggen of meren van vaartuigen in havens of aan kaden en
    terreinen, welke bij het openbaar lichaam in eigendom of in beheer
    en onderhoud zijn, en
    b. het ankeren in de territoriale wateren als bedoeld in de Rijkswet
    uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse
    Antillen voorzover deze wateren grenzen aan een openbaar lichaam.
    Artikel 3.22
    1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:
    a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de
    openbare dienst bestemde bezittingen van het openbaar lichaam of
    van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij
    het openbaar lichaam in beheer of in onderhoud zijn;
    b. het genot van door of vanwege het openbaar lichaam verstrekte
    diensten.
    2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de in het eerste
    lid bedoelde rechten aangemerkt als eilandbelastingen.
    Artikel 3.23
    De rechten, bedoeld in artikel 3.22, kunnen worden geheven door
    het openbaar lichaam dat het gebruik van de bezittingen, werken of
    inrichtingen toestaat of de diensten verleent, ongeacht of het
    belastbare feit zich binnen of buiten het grondgebied van het
    openbaar lichaam voordoet.
    Artikel 3.24
    1. In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in
    artikel 3.22 worden geheven, worden de tarieven zodanig
    vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan
    boven de geraamde lasten ter zake.
    2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede
    verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor
    noodzakelijke vervanging van de betrokken activa.
    Artikel 3.25
    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen inzake de
    eilandbelastingen, bedoeld in de tweede en derde paragraaf van dit
    hoofdstuk, nadere regels worden gegeven.
    § 4 Heffing en invordering
    Artikel 3.26
    23
    In deze paragraaf wordt verstaan onder:
    a. Algemene wet: Algemene wet inzake rijksbelastingen;
    b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege
    van aanslag of bij wege van voldoening of afdracht op aangifte.
    Artikel 3.27
    1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde
    geschieden de heffing en de invordering van eilandbelastingen met
    toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de
    Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen
    rijksbelastingen.
    2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden
    de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de
    Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet
    invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met
    betrekking tot de eilandbelastingen voor de daarachter genoemde
    colleges of functionarissen:
    a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van 's
    Rijksbelastingen en de directeur: het bestuurscollege;
    b. de inspecteur: de eilandambtenaar, belast met de heffing van
    eilandbelastingen;
    c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde
    ontvanger: de eilandambtenaar belast met de invordering van
    eilandbelastingen;
    d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de
    eilandsambtenaren belast met de heffing of de invordering van
    eilandbelastingen;
    e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen
    eilandambtenaar;
    f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer:
    de eilandsraad.
    3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt
    met betrekking tot eilandbelastingen in de Algemene wet en in de
    Invorderingswet 1990 voor "algemene maatregel van bestuur" en
    voor "ministeriële regeling" gelezen: besluit van het bestuurscollege.
    4. Met betrekking tot eilandbelastingen wordt in de artikelen 27l,
    27n, 27p en 29b van de Algemene wet en in artikel 24 van de
    Invorderingswet 1990 voor "de Staat" gelezen: het openbaar
    lichaam.
    Artikel 3.28
    1. Het bestuurscollege kan bepalen dat voor de toezending of
    uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de
    Invorderingswet 1990 voor de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel c,
    bedoelde ambtenaar een andere eilandambtenaar in de plaats
    treedt.
    24
    2. De colleges van twee of meer openbare lichamen kunnen met
    betrekking tot een of meer eilandbelastingen bepalen dat
    ambtenaren van een van die openbare lichamen worden
    aangewezen als:
    a. de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar
    van die openbare lichamen voor de uitvoering van enige wettelijke
    bepaling betreffende de heffing van eilandbelastingen;
    b. de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar
    van die openbare lichamen voor de uitvoering van enige wettelijke
    bepaling betreffende de invordering van eilandbelastingen;
    c. de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel d, bedoelde
    ambtenaren van die openbare lichamen voor de uitvoering van enige
    wettelijke bepaling betreffende de heffing of de invordering van
    eilandbelastingen;
    d. de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel e, bedoelde ambtenaar
    van die openbare lichamen, voor de uitvoering van enige wettelijke
    bepaling betreffende de invordering van eilandbelastingen.
    3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
    van het bestuurscollege van het openbaar lichaam waarvan de
    ambtenaar, belast met de invordering van eilandbelastingen op
    grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt aangewezen.
    4. Indien voor de heffing of de invordering van eilandbelastingen
    een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die regeling een
    openbaar lichaam is ingesteld, kan bij of krachtens die regeling
    worden bepaald dat een daartoe aangewezen ambtenaar van dat
    openbare lichaam wordt aangewezen als:
    a. de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar
    van het openbaar lichaam dat de betreffende taken heeft
    overgedragen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling
    betreffende de heffing van eilandbelastingen;
    b. de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel c, bedoelde ambtenaar
    van het openbaar lichaam dat de betreffende taken heeft
    overgedragen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling
    betreffende de invordering van eilandbelastingen;
    c. de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel d, bedoelde
    ambtenaren van het openbaar lichaam dat de betreffende taken
    heeft overgedragen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling
    betreffende de heffing of de invordering van eilandbelastingen;
    d. de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel e, bedoelde ambtenaar
    van het openbaar lichaam dat de betreffende taken heeft
    overgedragen, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling
    betreffende de invordering van eilandbelastingen.
    5. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
    van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam dat is ingesteld
    op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen waarvan een
    ambtenaar op grond van het vierde lid, onderdeel b, wordt
    aangewezen.
    Artikel 3.29
    25
    Eilandbelastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij
    wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch, met
    uitzondering van de belasting, bedoeld in artikel 3.18, niet bij wege van
    afdracht op aangifte.
    Artikel 3.30
    1. Indien de eilandbelastingen op andere wijze worden geheven,
    bepaalt de belastingverordening op welke wijze deze worden
    geheven en de wijze waarop de belastingschuld aan de
    belastingplichtige wordt bekendgemaakt. De belastingverordening
    kan daarnaast bepalen dat het bestuurscollege omtrent de uitvoering
    van een en ander nadere regels geeft.
    2. De op andere wijze geheven belastingen worden voor de
    toepassing van de Algemene wet en de Invorderingswet 1990
    aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien
    verstande dat wordt verstaan onder:
    a. de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag:
    het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het
    nagevorderde bedrag;
    b. het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel a
    bedoelde bedrag;
    c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de
    schriftelijke kennisgeving van het in onderdeel a bedoelde bedrag, of
    bij gebreke van een schriftelijke kennisgeving, de datum waarop het
    bedrag op andere wijze ter kennis van de belastingplichtige is
    gebracht.
    Artikel 3.31
    1. Bij de heffing van eilandbelastingen blijven de artikelen 2,
    vierde lid, 3, 37 tot en met 39, 47a, 48, 52, 53, 54, 55, 62, 71, 76, 80,
    tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86, 87 en 90 tot en met 95 van
    de Algemene wet buiten toepassing. Bij de heffing van
    eilandbelastingen die op andere wijze worden geheven, blijven
    bovendien de artikelen 5, 6 tot en met 9, 11, tweede lid, en 12 van
    die wet buiten toepassing.
    2. Op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes
    weken van een kalenderjaar, doet de in artikel 3.27, tweede lid,
    onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar, in afwijking van artikel 7:10,
    eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uitspraak in het
    kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.
    Artikel 3.32
    1. Het uitnodigen tot het doen van aangifte, bedoeld in artikel 6
    van de Algemene wet, geschiedt door het uitreiken van een
    aangiftebiljet.
    26
    2. Het doen van aangifte, bedoeld in artikel 8 van de Algemene
    wet, geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte
    aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden.
    3. In afwijking in zoverre van de vorige leden kan de in artikel
    3.27, tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar vorderen
    dat een verplichting tot het doen van aangifte of tot het indienen van
    een verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet wordt nagekomen
    door het mondeling doen van aangifte. Daarbij:
    a. worden de door de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel b,
    bedoelde eilandambtenaar gevraagde bescheiden overgelegd;
    b. kan de in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
    eilandambtenaar vorderen dat een van de mondelinge aangifte
    opgemaakt relaas door de aangever wordt ondertekend, bij gebreke
    waarvan de aangifte geacht wordt niet te zijn gedaan.
    4. Indien het derde lid toepassing vindt, kan de in artikel 3.27,
    tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar voor de
    termijnen, genoemd in artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin,
    artikel 10, tweede lid, en artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van
    de Algemene wet of voor de kortere termijn, bedoeld in artikel 3.33,
    eerste of tweede lid, kortere termijnen in de plaats stellen en is artikel
    12 van de Algemene wet niet van toepassing.
    5. Bij de belastingverordening kan van het eerste en tweede lid
    worden afgeweken.
    Artikel 3.33
    1. Met betrekking tot de bij wege van aanslag geheven
    eilandbelastingen kan in de belastingverordening voor de in artikel 9,
    eerste en derde lid, van de Algemene wet genoemde termijn van ten
    minste een maand een kortere termijn in de plaats worden gesteld.
    2. Met betrekking tot de bij wege van voldoening op aangifte
    geheven eilandbelastingen kan in de belastingverordening voor de
    termijn van een maand, genoemd in artikel 10, tweede lid, en artikel
    19, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet, een kortere
    termijn in de plaats worden gesteld.
    Artikel 3.34
    1. De in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
    eilandambtenaar is bevoegd voor eenzelfde belastingplichtige
    bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort die betrekking
    kunnen hebben op verschillende belastingen, op één aanslagbiljet te
    verenigen.
    2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de
    belasting op andere wijze wordt geheven.
    Artikel 3.35
    27
    1. Degene die ingevolge de belastingverordening aanspraak kan
    maken op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering,
    ontheffing of teruggaaf, kan binnen zes weken nadat de
    omstandigheid welke die aanspraak deed ontstaan, zich heeft
    voorgedaan, of, voor zover het een belasting betreft die bij wege van
    aanslag wordt geheven en op dat tijdstip nog geen aanslagbiljet is
    uitgereikt of is toegezonden, binnen zes weken na de dagtekening
    van het aanslagbiljet, een aanvraag tot het verkrijgen van vrijstelling,
    vermindering, ontheffing of teruggaaf indienen bij de in artikel 3.27,
    tweede lid, onderdeel b, bedoelde eilandambtenaar.
    2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ingeval de
    belasting op andere wijze wordt geheven.
    3. De in artikel 3.27, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
    eilandambtenaar beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare
    beschikking.
    Artikel 3.36
    In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel, naar het oordeel van
    Onze Minister en Onze Minister van Financiën, het internationale gebruik
    daartoe noodzaakt, wordt vrijstelling van eilandbelastingen verleend.
    Onze genoemde Ministers kunnen gezamenlijk ter zake nadere regels
    stellen.
    Artikel 3.3




1.1273 // 32